RECHTBANK ROTTERDAM
2 [gedaagde]
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12355135 VV EXPL 26-508
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 23 september 2026
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
1. Stichting Veritas Vertegenwoordiging, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam 1],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gemachtigde: mr. E. Kattestaart
woonplaats: [woonplaats]
die zelf procedeert,
gedaagden.
De partijen worden ‘Woonstad’ en ‘de bewindvoerder’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
De kantonrechter is mr. I.K. Rapmund en de griffier is mr. J.D. Linscheer.
Aanwezig zijn:
1. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[naam 1] huurt vanaf 1 maart 1994 de woning aan de [adres] van Woonstad. Woonstad stelt dat [naam 1] de huur heeft opgezegd en de woning inmiddels niet meer bewoond. Uit de Basisregistratie Persponen blijkt dat zij per 19 mei 2026 niet meer geregistreerd staat op het adres. De woning wordt echter nog bewoond door [gedaagde] die sinds 7 november 2025 op het adres staat ingeschreven. [gedaagde] is niet bereid om de woning te verlaten. Daarom vordert Woonstad om zowel [naam 1], die inmiddels onder bewind staat, als [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen, de incassokosten en de proceskosten te betalen.
De kantonrechter heeft mondeling vonnis gewezen en de vordering grotendeels toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonstad heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de bewindvoerder en [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Uit de stellingen van Woonstad volgt het spoedeisend belang.
Vast staat dat tussen Woonstad en [naam 1] een huurovereenkomst is gesloten. [naam 1] staat thans onder bewind. Er bestaat twijfel of sprake is van een rechtsgeldige huuropzegging door [naam 1] gelet op wat in de beschikking inzake het bewind is opgenomen. De bewindvoerder heeft ter zitting expliciet te kennen gegeven akkoord te zijn met de beëindiging van de huurovereenkomst per 6 juli 2026. Zij heeft daar groot belang bij maar is nog in afwachting van een akkoord van de toezichthoudend kantonrechter. Naar aanleiding daarvan kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat de huur rechtsgeldig door [naam 1] is opgezegd.
Wat wel vast staat is dat [naam 1] sinds medio mei 2026 geen hoofdverblijf meer heeft in de woning. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt dat zij daar vanaf mei 2026 niet meer woont en verblijft in de woning van haar dochter of mogelijk in Suriname is. Dit wordt erkend door [gedaagde]. Door niet haar hoofdverblijf in de woning te hebben, is [naam 1] tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
Daarnaast heeft [naam 1] in strijd met artikel 6.2 van het huurreglement de woning in gebruik gegeven aan [gedaagde]. Dit betekent dat [gedaagde] geen medehuurder is. Daarvoor moet een gezamenlijk verzoek worden gedaan en dat verzoek ligt er niet. Dat er volgens [gedaagde] door een medewerker van Woonstad een toezegging zou zijn gedaan, is niet komen vast te staan. Voor bewijslevering in een kort geding is daarvoor geen plaats. Dat [gedaagde] mantelzorger voor [naam 1] is geweest, creëert geen huurrelatie en maakt dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft.
Nu [naam 1], als hoofdhuurder, zelf niet in de woning verblijft, verschaft [gedaagde] zich ten onrechte een voorrangspositie en omzeilt hiermee het woningtoewijzingsbeleid van Woonstad als sociale verhuurder. Het belang van Woonstad weegt daarom in dit geval zwaarder dan het belang van [gedaagde]. Er is niet gesteld dat er minderjarige kinderen in de woning verblijven. Gelet op het bovenstaande wordt de vordering tot ontruiming toegewezen, met dien verstande dat de bewindvoerder en [gedaagde] de woning uiterlijk 30 november 2026 moeten hebben ontruimd. Daarbij wordt betrokken dat Woonstad heeft aangegeven dat zij bereid is een ontruimingstermijn tot 1 december 2026 te geven.
.
De bewindvoerder en [gedaagde] moeten incassokosten van € 462,50 betalen
De incassokosten van € 462,50 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
De bewindvoerder en [gedaagde] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen hoofdelijk voor rekening van de bewindvoerder en [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan Woonstad moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend.
Deze uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en de bewindvoerder en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat deze uitspraak meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
2. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de bewindvoerder en [gedaagde] om uiterlijk op 30 november 2026 de woning aan de [adres] te hebben ontruimd met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
veroordeelt de bewindvoerder en [gedaagde] hoofdelijk om vanaf 1 oktober 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonstad te betalen € 595,38 per maand met de verhoging die is toegestaan;
veroordeelt de bewindvoerder en [gedaagde] hoofdelijk om aan Woonstad te betalen € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt de bewindvoerder en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.013,02;
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit proces-verbaal is op 8 oktober 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.