RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11557523 CV EXPL 25-3926
datum uitspraak: 25 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,
vestigingsplaats: Rijswijk ZH,
eiseres,
gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. [gedaagde 1],
woonplaats: [woonplaats 1],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagden,
gemachtigde: mr. W. Suttorp.
De partijen worden hierna ‘SWM’ en ‘[gedaagde 1] en [gedaagde 2]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 22 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
de e-mail van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 22 juni 2026, met bijlage;
de akte uitlaten van SWM van 3 juli 2026.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis is overwogen dat uit de op dat moment overgelegde stukken onvoldoende duidelijk was geworden wat de situatie met betrekking tot de verzekeringsdekking van de auto van [gedaagde 2] was op het moment van het ongeval op 24 december 2022. SWM had haar stelling dat de auto op de datum van het ongeval niet verzekerd was onderbouwd met gegevens uit het RDW-register. [gedaagde 2] heeft daartegenover gesteld dat de auto wel was verzekerd en zij de verschuldigde premies had betaald. Omdat uit de stukken niet zonder meer kon worden vastgesteld of de verzekering op de datum van het ongeval dekking bood, is [gedaagde 2] in het tussenvonnis opgedragen om te bewijzen dat haar auto op 24 december 2022 verzekerd was.
[gedaagde 2] is niet geslaagd in het leveren van het bewijs. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Weliswaar staat tussen partijen vast dat de auto van [gedaagde 2] rond de betreffende periode bij een verzekeraar verzekerd is geweest en dat door [gedaagde 2] betalingen zijn verricht. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat op 24 december 2022 daadwerkelijk WAM-dekking bestond. De vraag is namelijk of de verzekeringsdekking op de datum van het ongeval van kracht was. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij bij haar verzekeraar heeft verzocht om een artikel 34 WAM-verklaring, maar dat de verzekeraar niet op haar verzoeken heeft gereageerd. Dit maakt het voorgaande niet anders. Het ligt op de weg van [gedaagde 2] om het aan haar opgedragen bewijs te leveren. Dat haar verzekeraar niet op haar verzoek heeft gereageerd, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt en kan niet aan SWM worden tegengeworpen. Daar komt bij dat SWM zelf ook contact heeft opgenomen met de verzekeraar van [gedaagde 2] en stukken heeft overgelegd dat de dekking vanaf 18 november 2022 was opgeschort in verband met wanbetaling.
Nu [gedaagde 2] niet heeft bewezen dat op 24 december 2022 sprake was van een verzekeringsdekking, wordt uitgegaan van de gegevens uit het RDW-register waaruit volgt dat de auto op de datum van het ongeval niet verzekerd was.
Aansprakelijkheid
Vast staat dat [gedaagde 1] op 24 december 2022 met de auto van [gedaagde 2] achterop de auto van [naam] is gereden, terwijl [naam] voor een rood verkeerslicht stond te wachten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tegenover de door SWM gestelde feitelijke toedracht en de daaruit volgende aansprakelijkheid geen voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat het ongeval aan een ander dan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. De door hen aangevoerde stellingen zijn daarvoor onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande is [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade die door het ongeval is veroorzaakt. Nu de auto van [gedaagde 2] ten tijde van het ongeval niet verzekerd was, is ook [gedaagde 2] gehouden de uit het ongeval voortvloeiende schade te vergoeden. De omstandigheid dat [gedaagde 2] stelt dat zij ervan uitging dat de auto verzekerd was, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de beoordeling van de vordering komt het aan op de vraag of op het moment van het ongeval daadwerkelijk verzekeringsdekking bestond. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet komen vast te staan.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de hoogte van de hoofdsom onvoldoende betwist. Daarom wordt het bedrag van € 1.385,83 toegewezen. Dit bedrag moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan SWM betalen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet incassokosten van € 251,52 betalen
De incassokosten van € 251,52 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat SWM genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim zijn.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen hoofdelijk voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan SWM moeten betalen op € 156,95 aan dagvaardingskosten, € 385,00 aan griffierecht, € 868,00 aan salaris voor de gemachtigde (4 punten x € 217,00) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.518,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat SWM dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan SWM te betalen € 1.385,83 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 25 januari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan SWM te betalen € 251,52 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van SWM worden begroot op € 1.518,45;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken.
48436