RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7946
(gemachtigden: mr. D.A.G. van Wakeren en [naam 1] ),
en
(gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] (vergunninghouder) (gemachtigde: [naam 2] ).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 13 mei 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor funderingsherstel aan het pand aan de [adres] in [plaats 1] . Hierbij heeft het college ook een maatwerkvoorschrift opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] , en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghouder heeft op 16 maart 2026 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van funderingsherstel aan het pand aan de [adres] in [plaats 1] (het pand).
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de technische bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow).
In het kader van veiligheid en gezondheid van de directe omgeving is ook een maatwerkvoorschrift opgesteld (artikel 7.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl)). Uiterlijk drie weken voor aanvang van de werkzaamheden moeten de onderstaande gegevens worden aangeboden ter goedkeuring:
1. Een definitief veiligheidsplan.
2. De naam en contactgegevens van de ‘Veiligheidscoördinator directe omgeving’.
3. Er dient een veiligheidscoördinator te worden aangesteld en deze dient het bouwveiligheidsplan te hebben gelezen en ondertekend.
Het college heeft op 7 juli 2026 het veiligheidsplan goedgekeurd.
Aan het pand wordt funderingsherstel uitgevoerd. Daarnaast wordt er grond afgegraven in het souterrain (kelderruimte). Hiermee wordt de vrijehoogte verhoogd van 1.480 mm naar 2.600 mm. Het souterrain blijft ongewijzigd. Er is geen vaste trap naar het souterrain vanaf de begane grond en het zal niet als een leefruimte/verblijfsruimte worden gebruikt.
Verzoekster woont naast het pand en vreest voor schade aan haar woning.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
5. Verzoekster stelt dat er geen omgevingsvergunning is verleend voor het verdiepen van het souterrain naar 2,6 m terwijl dit wel deel uitmaakt van de projectomschrijving. Volgens verzoekster kan het verdiepen van het souterrain niet worden gelijkgesteld met funderingsherstel. Daarbij wijst verzoekster op de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor zowel de technische bouwactiviteit als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor Hondiusstraat 50, 52 en 56 waarbij het ook ging om funderingsherstel en het verdiepen van het souterrain.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 5.7 van de Ow het mogelijk maakt om omgevingsvergunningen voor verschillende activiteiten los van elkaar aan te vragen. De vraag in hoeverre een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is, valt dan ook buiten de omvang van dit geding. Voor zover er ook een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is, merkt de voorzieningenrechter op dat in de omgevingsvergunning van 13 mei 2026 is opgenomen dat niet mag worden gestart met de uitvoering van het project als er nog andere vergunningen nodig zijn. Indien er toch vergunningsplichtige werkzaamheden worden verricht die buiten deze omgevingsvergunning vallen, is dat een kwestie van handhaving.
Aanvraag
6. Verzoekster betoogt dat het college over onvoldoende gegevens beschikte om op de aanvraag te kunnen beslissen. Volgens verzoekster kon het college aan de hand van de overgelegde stukken niet de constructieve opzet beoordelen. Verder blijkt uit de stukken niet hoe de grondverschuiving wordt tegengegaan. Zo staan op de bouwtekeningen geen specificaties, zoals afmetingen, bij de keerschotten die in de richting van de belendende panden moeten komen.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen. Dit betekent dat de toetsing door de bestuursrechter zich beperkt tot de vraag of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overgelegde gegevens voldoende waren om een besluit te kunnen nemen op de aanvraag.
In hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling staat welke gegevens en bescheiden een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit bij de aanvraag moet verstrekken. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat vergunninghouder niet de vereiste tekeningen en berekeningen heeft overgelegd die op grond van paragraaf 7.2.2.3 van de Omgevingsregeling moeten worden ingediend. Vergunninghouder heeft constructietekeningen en een rapport over het funderingsherstel van bouwkundig adviesburo Baas bv. overgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college voldoende informatie om op de aanvraag te kunnen beslissen.
Technische bouwactiviteit
7. Verzoekster voert aan dat het uitgraven tot een diepte van 2,6 m niet noodzakelijk is voor het funderingsherstel. Volgens verzoekster moeten er bij het uitgraven tot deze diepte meer constructieve voorzieningen worden getroffen. Verzoekster vreest voor grondverschuiving onder haar souterrain en wijst daarbij op de toelichting van aannemingsbedrijf De Hek B.V.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl. Dat volgt uit artikel 8.3b, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl moet het college de omgevingsvergunning verlenen.
Voorop staat dat het college in beginsel dient te beslissen op basis van de aanvraag en de bijbehorende stukken. Verzoekster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor funderingsherstel waarbij de grond van het souterrain wordt afgegraven tot een vrijehoogte van 2,6 m. Daargelaten of De Hek B.V. kan worden aangemerkt als een deskundige met voldoende kennis over funderingsherstel, zien de aandachtspunten van De Hek B.V. alleen op het pand van verzoekster en niet op de constructie van het pand van vergunninghouder. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen die bij verzoekster leven over de mogelijke effecten van de werkzaamheden op het pand van verzoekster maar in deze procedure gaat het daar niet over. Het college is gelet op het toetsingskader van artikel 8.3b, tweede lid, van het Bkl, niet gehouden om te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt of tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen zullen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan de omliggende panden te voorkomen (Hoofdstuk 7 van het Bbl (Bouw- en sloopwerkzaamheden), zie Stb. 2020, 400, p. 1090 en Stb. 2023, 298, p. 118). De voorzieningenrechter wijst er wel op dat Hoofdstuk 7 van het Bbl een zorgplicht bevat voor iedereen die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten om gevaar voor de gezondheid en veiligheid in de directe omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren. Naleving van Hoofdstuk 7 van het Bbl moet worden afgedwongen via de zorgplicht en dus handhaving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan hoofdstuk 5 van het Bbl.
Maatwerkvoorschrift
8. Verzoekster voert aan dat het maatwerkvoorschrift onvoldoende waarborgen biedt voor haar pand. Volgens verzoekster blijkt uit het maatwerkvoorschrift onvoldoende welke risico’s in de risicomatrix zijn geïdentificeerd en welke uitgangspunten voor de grondkering, waterbeheersing en monitoring zijn beoordeeld.
Op grond van artikel 7.5, derde lid, van het Bbl kan het college een maatwerkvoorschrift opnemen voor het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan met maatregelen ter veiligheid van de directe omgeving. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit maatwerkvoorschrift niet heeft kunnen stellen. Voor zover verzoekster stelt dat met het maatwerkvoorschrift onvoldoende maatregelen worden getroffen voor de veiligheid in de directe omgeving, merkt de voorzieningenrechter op dat dit ziet op de naleving van de maatwerkvoorschrift. Ook dit is een kwestie van handhaving.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet geschorst wordt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
(…)
2. Het is verboden onder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
(…).
Artikel 5.7. (aanvraag los of gelijktijdig)
1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben.
(…).
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.3b. (beoordelingsregels bouwactiviteit)
(…)
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 5.1. (toepassingsbereik: activiteiten)
Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.
Artikel 7.4. (specifieke zorgplicht)
1. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2. Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden.
Artikel 7.5. (maatwerkvoorschriften)
1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 7.4 en de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, met uitzondering van de artikelen 7.20, 7.22 en 7.22a en bepalingen over:
a. meldingplichten; en
b. meet- of rekenmethoden.
(…)
3. Een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.15 tot en met 7.19 kan in ieder geval inhouden een verplichting tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b en het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan met maatregelen ter uitvoering van de artikelen 7.15 tot en met 7.19.
Artikel 7.15. (veiligheid in de directe omgeving)
1. Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:
a. letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein;
b. letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden; enc. gevaar voor de veiligheid van belendingen.