Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-271045-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-242223-24 en 10-410458-24
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Datum zitting: 26 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1981 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] ,
nu gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. F. Folkers
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.C. Göçmen
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner. Aan hem wordt een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar opgelegd. Aan die voorwaardelijke straf worden meerdere bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder een opname ter behandeling. Het is de bedoeling dat die opname aansluitend aan de detentie plaatsvindt. Daarnaast wordt een vrijheidsbeperkende maatregel (38v-maatregel) opgelegd, bestaande uit een contact- en locatieverbod met het slachtoffer. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel worden dadelijk uitvoerbaar verklaard.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-partner gedurende bijna negen maanden.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
in de periode van 10 december 2024 tot en met 4 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] en/of- (dreigende) voicemailberichten in te spreken naar die [slachtoffer] en/of- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en/ofmet het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [slachtoffer]
3. Proces-verbaal van de politie
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
in de periode van 10 december 2024 tot en met 4 september 2025 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] en - (dreigende) voicemailberichten in te spreken naar die [slachtoffer] met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
belaging.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast moet de 38v-maatregel worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod gelijkluidend aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met per overtreding twee weken vervangende hechtenis, tot een maximum van zes maanden. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het is belangrijk is dat de verdachte niet langer vast blijft zitten zodat het behandeltraject kan starten.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft over een periode van bijna negen maanden zijn ex-partner belaagd. Hij heeft haar talrijke keren gebeld en voicemailberichten met een dreigende inhoud gestuurd. Het was de verdachte al meerdere malen uitdrukkelijk duidelijk gemaakt (onder meer door het opleggen van eerdere contactverboden) dat hij geen contact met zijn ex-partner mocht zoeken, maar toch ging hij daarmee door. Daarmee heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner. De impact die dat heeft gehad op de ex-partner en de kinderen van haar en de verdachte volgt ook uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 18 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank weegt dit in strafverhogende zin mee.
Rapporten
Rapport psycholoog (NIFP)
In het rapport van 9 januari 2026 concludeert de psycholoog dat er bij de verdachte sprake is van een ernstige stoornis in alcoholgebruik die relevante invloed heeft op zijn functioneren en die leidt tot beperking van gedragskeuze-mogelijkheden. Vanwege deze stoornis die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde adviseert de psycholoog om de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Zonder interventie wordt het risico op recidive als hoog inschat. Van belang is dat de verdachte abstinent blijft van alcohol. De psycholoog adviseert om de verdachte te laten opnemen in een verslavingskliniek en geeft aan dat het van belang is dat naast een detox en behandeling ook ambulante vervolgbehandeling en terugvalpreventie wordt geboden.
Op basis van dit rapport stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een ernstige stoornis in alcoholgebruik bestaat en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Rapport reclassering
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft op 16 januari 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Het alcoholmisbruik is een rode draad door de problematiek in het leven van de verdachte. Hij raakt hierdoor ernstig ontremd en vervalt in (verbale) agressie en delictgedrag. Als gevolg daarvan is maatschappelijke afglijding ontstaan. De verdachte is zijn huisvesting kwijtgeraakt en gestopt met werken, waarmee die vorm van structuur en regelmaat is weggevallen en in welke periode hij veelvuldig naar de aangeefster is gaan bellen. Hoewel eerder als bijzondere voorwaarde een detoxopname werd opgelegd is het zover niet gekomen. De verdachte heeft tot zijn preventieve hechtenis in een gebruikerswoonvorm van Antes verbleven en idealiter start hij direct na vrijlating met een klinische behandelopname bij De Loodds van Antes. Na een intake op 8 januari 2026 is hij daar aangenomen en op de wachtlijst gezet (wachttijd vijf á zes weken). Ook staat de verdachte op de wachtlijst bij een niet-gebruikerswoonvorm van Antes waar hij na afloop van de opname terecht kan (locatie Poortugaal). Tijdens de preventieve hechtenis is de verdachte in contact gebleven met de reclassering. Abstinent van middelen oogt de verdachte gezond en is hij bezig met verbetering van zijn leefstijl. Er is enig rationeel besef zichtbaar dat zijn gedragingen onwenselijk zijn maar tegelijkertijd kan hij zich weinig inleven in wat zijn gedrag doet met zijn ex-partner en kinderen en doet hij nog steeds rancuneuze uitspraken richting zijn ex-partner. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:
meldplicht bij reclassering
opneming in een zorginstelling
ambulante behandeling voor nazorg
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
contactverbod met zijn ex-partner (met elektronisch toezicht)
locatieverbod voor het huisadres van zijn ex-partner (met elektronisch toezicht).
Oplegging straf en maatregel
Gevangenisstraf (deels voorwaardelijk)
Gelet op de ernst van het strafbare feit en op het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk en passend. Bij het bepalen van de duur van het onvoorwaardelijke deel van die gevangenisstraf volgt de rechtbank de eis van de officier van justitie. Dit omdat de rechtbank het in het belang van de verdachte, het slachtoffer en de maatschappij vindt dat de verdachte opgenomen zal worden en behandeling krijgt voor onder meer zijn verslavingsproblematiek. De verdachte is aangenomen bij De Loodds. Naar het zich laat aanzien kan de verdachte daar met de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aansluitend aan zijn detentie opgenomen worden. Een langer durende detentie zou betekenen dat de verdachte waarschijnlijk zijn plek kwijtraakt en niet aansluitend aan zijn detentie bij De Loodds terecht kan, hetgeen onwenselijk is.Daarom wordt een gevangenisstraf van 250 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van drie (3) jaren en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn bedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Mede gelet op het strafblad van de verdachte houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)
Om strafbare feiten te voorkomen wordt daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie (3) jaren. Deze maatregel houdt in een contactverbod met de ex-partner en een gebiedsverbod voor het huisadres van de ex-partner, gelijk aan de betreffende op te leggen bijzondere voorwaarden.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee (2) weken, met een totale duur van maximaal zes (6) maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar omdat er, gelet ook op het hiervoor aangehaalde rapport van de psycholoog en van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen, in het bijzonder door zich belastend te gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 5.000,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden of de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het feit rechtstreeks immateriële schade geleden. Door de benadeelde partij is voldoende onderbouwd – met de schriftelijke toelichting op haar vordering en de twee ingediende producties – dat zij op andere wijze in haar persoon is aangetast doordat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. De omvang van de geleden schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.000,00. Hierbij is, kijkend naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder rekening gehouden met het smartengeld passend bij de middelste categorie van belaging zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal. Ook heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat aan de benadeelde partij eerder, in een andere strafzaak, € 750,- schadevergoeding is toegekend voor immateriële schade als gevolg van de bedreiging van de aangeefster via berichten die ook deel zijn gaan uitmaken van de nu bewezen belaging van de aangeefster.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 3.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. Het door de benadeelde partij meer gevorderde wordt afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 december 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Vorderingen
Parketnummer 10-242223-24
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten en aan de bijzondere voorwaarde dat hij geen contact zal opnemen met [slachtoffer] .
Parketnummer 10-410458-24
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten en aan de bijzondere voorwaarde dat hij geen contact zal opnemen met [slachtoffer] .
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 10-242223-24 moet worden afgewezen en dat de vordering met parketnummer 10-410458-24 (1 maand gevangenisstraf) moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat beide vorderingen moeten worden afgewezen gelet op het persoonlijke belang van de verdachte dat hij zo snel mogelijk kan starten met zijn behandeling bij De Loodds.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Dat betekent dat de voorwaardelijke straffen tenuitvoergelegd kunnen worden. De rechtbank ziet daar toch vanaf omdat het belangrijk is dat de verdachte zo snel mogelijk start met zijn behandeling, zoals hiervóór is overwogen. De vorderingen worden dus afgewezen.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 250 (tweehonderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 120 (honderdtwintig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
in en behandelen door De Loodds van Antes of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en emotieregulatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor, Antes of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start wanneer de klinische opname is afgerond. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het bieden van nazorg, aansluitend op de klinische opname, onder andere om abstinentie van middelen te waarborgen. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
4. gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een begeleid wonen locatie van Antes of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. de verdachte zoekt of heeft gedurende de gehele proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1983, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het contactverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband en slachtofferdevice kan de reclassering het genoemde slachtoffer informeren als de verdachte dichtbij komt. De reclassering controleert het contactverbod mede door het inzien van de GPS-gegevens;
6. bevindt zich niet binnen een straal van 2,5 kilometer rondom het huisadres van het slachtoffer, zijnde [adres 2] , [postcode 2] te [woonplaats 1] , zoals weergegeven op de kaart in de bijlage bij dit vonnis. De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting. De verdachte mag de Penitentiaire Inrichting niet zonder elektronische monitoringsmiddel verlaten.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, het elektronisch toezicht (onder voorwaarden 5 en 6) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor het feit op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de verdachte:
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-242223-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 19 november 2024 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-410458-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 9 april 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 3.000,00, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 3.000,00 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. A.J.P. van Essen en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier.
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 januari 2026.
Mr. M. Hulshof is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage locatieverbod