RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
rekestnummers: NL:TZ:2615594:R-RK - NL:TZ:2616135:R-RK
uitspraakdatum: 29 oktober 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 26 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [weigerende schuldeiser] , wiens vordering in behandeling is bij Agin Pranger Gerechtsdeurwaarders (hierna: [weigerende schuldeiser] );
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Mr. M.G. van Dijken heeft namens [weigerende schuldeiser] voorafgaand aan de zitting op 20 oktober 2026 een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 22 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift één preferente schuldeiser met één vordering en negen concurrente schuldeisers met elf vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 31.765,77 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 31 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 13,76% aan de preferente schuldeisers en 6,88% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op zijn (vervroegde) pensioenuitkering. Verzoeker kampt met gezondheidsproblemen die hem beperken bij het uitvoeren van (fulltime) betaalde arbeid. Hij heeft daarom vervoegd zijn pensioenuitkering aangevraagd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [weigerende schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 15.391,66 op verzoeker, welke 49,62% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
[weigerende schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft een vordering op verzoeker uit hoofde van een loonvordering. [weigerende schuldeiser] was in loondienst bij de onderneming waar verzoeker enig aandeelhouder en bestuurder van was. Zij heeft een procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam doorlopen om het verschuldigde loon bij verzoeker te kunnen innen. [weigerende schuldeiser] stelt dat zij als (ex-) werkneemster een bevoorrechte vordering heeft en aldus dient de vordering als preferent te worden aangemerkt.
Verder stelt [weigerende schuldeiser] dat verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld door voor het faillissement van de onderneming [bedrijf] wel betalingen te verrichten aan andere werknemers, terwijl de vorderingen van [weigerende schuldeiser] onbetaald bleven. Aldus zou verzoeker onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [weigerende schuldeiser] . Ook stelt [weigerende schuldeiser] in haar verweerschrift dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een problematische schuldensituatie. [weigerende schuldeiser] voert aan dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker weer wil gaan solliciteren. Hieruit blijkt dat verzoeker in staat is om op termijn meer inkomsten te genereren dan zijn huidige inkomsten. In de visie van [weigerende schuldeiser] heeft verzoeker daarom niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op zijn (vervroegde) pensioenuitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren.
Tot slot voert [weigerende schuldeiser] aan dat het totaal van de schulden van verzoeker voor de helft bestaat uit haar vordering. Zij ontvangt op dit moment gelden door middel van beslag op de pensioenuitkering van verzoeker. Zij heeft daarom geen belang bij het instemmen met de aangeboden regeling.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [weigerende schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [weigerende schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [weigerende schuldeiser] een groot aandeel vormt in de totale schuldenlast van 49,62%. Aan de andere kant is een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de tien schuldeisers, met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Gemeente Hoeksche Waard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker ontvangt een (vervroegd) pensioenuitkering. Verzoeker heeft voldoende onderbouwd naar voren gebracht dat er sprake is van gezondheidsklachten die hem beperken in het uitvoeren van (fulltime) betaalde arbeid. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [weigerende schuldeiser] , die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [weigerende schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[weigerende schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [weigerende schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [weigerende schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026.