Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10-003624-25, 10-322177-24 en 10-083277-24 (gevoegd ttz.)
Parketnummer vordering TUL: 13-233425-21
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [woonplaats] op [geboortedatum] 2006,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[adres 1] , [postcode 1] , [plaats] ,
raadsman mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 januari 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte wordt verdacht van acht strafbare feiten. De volledige omschrijving is opgenomen in bijlage I. De tenlastelegging is neergelegd in drie dagvaardingen, met ieder een eigen parketnummer. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:
- feit 1: vernieling op 17 januari 2024 (10/083277-24);
- feit 2: medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 17 tot en met 18 augustus 2024 (10/322177-24);
- feit 3: medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 31 augustus 2024 (10/322177-24);
- feit 4: medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 18 september 2024 (10/322177-24);
- feit 5: vuurwapenbezit op 15 oktober 2024 (10/322177-24);
- feit 6: harddrugsbezit op 15 oktober 2024 (10/322177-24);
- feit 7: harddrugsbezit op 5 januari 2025 (10/003624-25);
- feit 8: softdrugsbezit op 5 januari 2025 (10/003624-25).
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Feiten 1 tot en met 8 zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feiten 1 tot en met 8 heeft begaan op die wijze dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of deurslot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te 's Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, aan te steken en/of (vervolgens) tegen de gevel van het pand te leggen, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 2] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden en- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
Feit 3 hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen de gevel van het pand te leggen en/of een explosief/vuurbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen/in de nabijheid van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 3] aan te steken, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 3] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden en- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
Feit 4 hij op of omstreeks 18 september 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen de gevel van het pand te leggen en/of een explosief/vuurbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen/in de nabijheid van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 3] aan te steken, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 3] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden en- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
Feit 5 hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk BBM, type GAP, kaliber 9mm voorhanden heeft gehad;
Feit 6 hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 42,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-chloormethcathinon (4-CMC), zijnde 4-chloormethcathinon (4-CMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 7
hij op of omstreeks 5 januari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad-ongeveer 802 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron (4-MMC/4-methylmethcathinon) en/of-ongeveer 0,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde mefedron (4-MMC/4-methylmethcathinon) en/of cocaïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 8
hij op of omstreeks 5 januari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad-ongeveer 25,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of-ongeveer 42 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen;
feit 2: (primair) medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 3: (primair) medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 4: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 6: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 7: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 8: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf en maatregel
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan acht strafbare feiten.
De verdachte heeft samen met anderen in één maand drie explosies gepleegd aan twee bedrijfspanden op de [naam locatie] in Den Haag. De verdachte heeft als tussenpersoon de uitvoerders van de explosies geregeld. Door de explosies is er forse schade toegebracht aan de betreffende bedrijfspanden, naastgelegen panden en een geparkeerde auto. Dergelijke explosies zijn gevaarlijk, bedreigend en beangstigend voor de eigenaren van de betreffende panden. Ook leiden dit soort feiten tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte bereid is om zulke ernstige strafbare feiten te plegen.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, harddrugs en grote hoeveelheden softdrugs. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen levert een onaanvaardbaar groot risico voor de veiligheid van personen op en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan. De verdachte heeft bekend dat hij de drugs had voor zowel eigen gebruik als voor het verkopen daarvan. De verdachte heeft daarmee de handel van verdovende middelen in stand gehouden. De verdachte is hiermee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die door het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt, en met name doordat de verkoop van drugs buiten de gecontroleerde kanalen om bijdraagt aan het gebruik daarvan door minderjarigen.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur bij begeleid woonorganisatie [naam instelling] , omdat hij ruzie had met een jongen op de groep.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages en verklaring van de deskundige op de terechtzitting
Psycholoog S. van der Burg heeft op 2 april 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis en een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis (ADHD). Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Vanuit zijn ADHD heeft de verdachte een verhoogde behoefte aan spanning en prikkels, is hij impulsief en beïnvloedbaar en heeft hij meer moeite om de risico’s en gevolgen van zijn keuzes te overzien. Indien bewezen wordt geadviseerd de feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte functioneert verstandelijk beneden gemiddeld niveau. De psycholoog constateert dat de stoornissen van de verdachte waarschijnlijk ook in de toekomst leiden tot, waar dat hem uitkomt, antisociale gedragskeuzes. Als zijn gedrag niet wordt gecorrigeerd of behandeld, is de kans verhoogd dat de verdachte ook in de toekomst antisociale gedragskeuzes blijft maken. De psycholoog vindt dat, om de kans op het plegen van delicten in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen en in het belang van de ontwikkeling van de verdachte, binnen een gesloten setting een residentiële behandeling geïndiceerd zou zijn. De verdachte heeft langdurige en intensieve behandeling nodig. De psycholoog acht een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vanuit pedagogisch oogpunt de meeste kans van slagen.
Kinder- en jeugdpsychiater [persoon A] heeft op 20 september 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een aandacht deficiëntiestoornis met hyperactiviteit (ADHD) en een stoornis in het gebruik van cannabis. De cognitieve vermogens van de verdachte zijn beneden gemiddeld ontwikkeld. Deze stoornissen waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. De psychiater adviseert om het wapenbezit, het drugsbezit en de vernieling in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte beschikt niet over voldoende copingsvaardigheden, heeft een ambivalente houding voor regels en afspraken en gaat om met risicojongeren. Er zijn sociaal emotionele beperkingen en er is onvoldoende pro sociaal gedrag. De verdachte is gebaat bij een kader waarbinnen behandeling, begeleiding, scholing en adequate agressie-emotie-regulatietraining van de grond kunnen komen én voor een langere tijd kan blijven voor een positieve ontwikkeling. De psychiater adviseert daarom een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden. Voor een voorwaardelijke PIJ-maatregel bestaat ruimte en motivatie en, anders dan de psycholoog, heeft de psychiater nog geen persoonlijkheidsstoornis in engere zin vastgesteld. De jeugdreclassering zal toezicht moeten houden op dit PIJ-traject.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: te noemen de Raad) heeft op 29 december 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte zijn meerdere risicofactoren binnen de domeinen: houding, drugs- en alcoholgebruik, agressie, geestelijke gezondheid en vaardigheden. Hij is impulsief, kan beïnvloedbaar zijn en heeft moeite om zich te conformeren aan sociale normen. Dat kan grotendeels worden verklaard door de gestelde diagnoses. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Om de kans op herhaling te verkleinen heeft de verdachte baat bij forensische behandelinterventies gericht op zijn middelengebruik, (de omgang met) zijn ADHD, verwerking van zijn belaste verleden en bijsturing van zijn persoonlijkheidsstoornis of gedragsstoornis. Ondanks het feit dat de verdachte niet altijd trouw is aan afspraken en veel controle en sturing nodig heeft, adviseert de Raad een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden met dadelijke uitvoerbaarheid. Daarbij is het noodzakelijk dat de reclassering op korte termijn een plan met de verdachte opstelt, waarin behandeling, begeleid wonen, coaching en georganiseerde dagbesteding worden opgenomen. Daarnaast adviseert de Raad een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan zijn voorarrest.
Op de zitting heeft pedagogisch medewerkster [persoon B] namens de Raad naar voren gebracht dat de reclassering eerder geen plan met de verdachte heeft opgesteld, terwijl hij al drie maanden geleden is geschorst. De verdachte heeft begeleiding van de reclassering nodig. Bijvoorbeeld met het regelen van praktische zaken. Hij moet externe druk ervaren. De verdachte is onlangs aangemeld voor begeleid wonen en voor forensische hulpverlening. De verdachte kan deze kans aangrijpen. Het is wenselijk dat hij aan de slag gaat met een andere reclasseringsmedewerker.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een aandacht deficiëntiestoornis met hyperactiviteit (ADHD) en een stoornis in het gebruik van cannabis, die ook aanwezig waren ten tijde van de tenlastegelegde feiten, acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.
Jeugddetentie
Gezien de ernst en hoeveelheid van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het
opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de
rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank legt daarom een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest aan de verdachte op.
Voorwaardelijke PIJ-maatregel
Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) aan de verdachte op.
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de wettelijke vereisten (genoemd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht) voor oplegging van een PIJ-maatregel: de verdachte heeft een misdrijf gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en uit het hiervoor genoemde rapport van de psycholoog en de psychiater blijkt dat op het moment van het begaan van de misdrijven bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, dat (vanwege de grote kans op gewelddadig gedrag bij de verdachte) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank heeft onder meer gekeken naar de aard en ernst van de onderhavige feiten, het hoge recidiverisico en de complexe problematiek van de verdachte. Bij de verdachte is hulpverlening nog niet van de grond gekomen. Hij heeft op de zitting kenbaar gemaakt dat hij wel openstaat voor hulpverlening. Verder is niet gebleken dat de verdachte, die al bijna een jaar in voorarrest heeft gezeten, in de afgelopen (schorsings)periode met politie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft verder acht geslagen op de belaste voorgeschiedenis van de verdachte, die naast de lange periode in voorlopige hechtenis ook lange tijd in gesloten instellingen heeft doorgebracht. De verdachte heeft ter zitting openheid van zaken gegeven en uitgelegd hoe hij toen de wereld zag. Dat hij in het afgelopen tot andere inzichten is gekomen en het gemotiveerd is om het anders te doen, is de rechtbank oprecht en doorleefd overgekomen. Daar zal hij wel hulp en stevige kaders bij nodig hebben. In dit alles ziet de rechtbank aanleiding om de PIJ-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Dit betekent dat de PIJ-maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd zo lang de verdachte zich aan de voorwaarden houdt. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gebaat is bij behandeling en begeleiding door de reclassering. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad is geadviseerd. De rechtbank stelt de proeftijd vast op twee jaren.
De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, aangezien verdachte veroordeeld zal worden wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te noemen voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen, of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Uit het rapport van de psychiater en de psycholoog blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.
8. Vorderingen benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen benadeelde partijen
Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:
[benadeelde 1] , ter zake van feit 2 (parketnummer 10/322177-24),
[benadeelde 2] ., ter zake van feiten 3 en 4 (parketnummer 10/322177-24) en
[benadeelde 3] , ter zake ter zake van feiten 3 en 4 (parketnummer 10/322177-24).
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert, namens [naam bedrijf] , een bedrag van +/- € 50.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde 2] . vordert een bedrag van € 325.594,53 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
Standpunt officier van justitie
[benadeelde 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-
ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is
geen uittreksel van de Kamer van Koophandel meegestuurd.
[benadeelde 2] .
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-
ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en te complex is voor het strafproces.
[benadeelde 3]
De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.
Standpunt verdediging
[benadeelde 1]
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de
vordering. De vordering is onduidelijk en niet onderbouwd met stukken. Ook is niet gebleken dat [benadeelde 1] gemachtigd is om de B.V. te vertegenwoordigen.
[benadeelde 2]
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering niet is onderbouwd. Er zou enkele maanden omzetverlies zijn geweest, maar er zijn geen jaarverslagen bijgevoegd. De vordering vormt een te zware belasting voor het strafproces.
[benadeelde 3]
De verdediging heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot € 500,00.
Beoordeling
[benadeelde 1]
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat niet uit de stukken blijkt dat [benadeelde 1] gemachtigd is om namens de B.V. een vordering in te dienen. Er is geen uittreksel van de Kamer van Koophandel bijgevoegd. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de
benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de
vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
[benadeelde 2]
De rechtbank stelt vast dat de omvang van de schade onvoldoende is onderbouwd. De omvang van de schade blijkt niet uit de stukken en het is onvoldoende gebleken wat de schadeposten als gevolg van de explosies inhouden. De behandeling van deze vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de
benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de
vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
[benadeelde 3]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De explosies hebben een grote impact gehad op het leven van de benadeelde partij, zoals ook blijkt uit hetgeen zijn advocaat ter zitting heeft voorgehouden. De benadeelde partij is erg geschrokken van wat hem als eigenaar van het bedrijfspand is overkomen en is angstig geworden. Hij heeft last van slaapproblemen, veel stress en vraagt zich af waarom de explosies op zijn zaak en hemzelf waren gericht. De rechtbank begroot deze immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 1.000,00, zodat de vordering geheel zal worden toegewezen. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden immateriële schadebedrag
vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de eerste pleegdatum, te weten 31 augustus 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
E.C Pieters en [benadeelde 2] .
In deze procedures worden over de gevorderde schadevergoedingen geen inhoudelijke beslissing genomen.
[benadeelde 3]
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Vordering tenuitvoerlegging (13-233425-21)
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 7 februari 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld voor zover van belang tot een voorwaardelijke taakstaf bestaande uit een werkstraf van 28 uren met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2022 en loopt tot 26 april 2026.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van 7 februari 2022 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht tenuitvoerlegging echter niet opportuun, omdat het vonnis inmiddels bijna vier jaar geleden is gewezen en het van belang is dat zo spoedig mogelijk wordt gestart met behandeling en begeleiding van de verdachte. De vordering tenuitvoerlegging zal daarom worden afgewezen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 318 dagen (driehonderdachttien dagen);
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de Reclassering Nederland te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal melden bij de reclassering. De veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- gedurende zijn reclasseringstoezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Gedurende het toezicht kan de reclassering besluiten deze tijden te verruimen;
- zal meewerken aan Elektronische Monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] , [postcode 2] , [verblijfplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de Elektronische Monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;
- zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start als er plek beschikbaar is voor de veroordeelde. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- zich zal inspannen voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding, in de vorm van (on)betaald werk of een opleiding, en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- zich laat behandelen en begeleiden door E25, de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en meewerkt aan behandeladviezen die uit het Pro Justitia onderzoek komen. De behandeling start zodra er een behandelplaats beschikbaar is voor de veroordeelde. De veroordeelde houdt zich aan de regels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan Reclassering Nederland het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . niet-ontvankelijk in de vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
[benadeelde 3]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.000,00 (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 7 februari 2022 van de kinderrechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 28 uren (13-233425-21).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J. Groot en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
10-083277-24
Feit 1
hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of deurslot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
10/322177-24
Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te 's Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, aan te steken en/of (vervolgens) tegen de gevel van het pand te leggen, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 2] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief, althans een voorwerp, aan te steken en/of (vervolgens) tegen de gevel van het pand te leggen, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 2] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was
welk bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)- met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in een snapchat groep gezeten, waarbij werd gecommuniceerd over de te plegen explosie en/of- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] medegedeeld dat er een explosief moest worden geplaatst en/of aangestoken en/of de opdracht gegeven om een explosief te plaatsen en/of af te steken en/of- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de plaats en/of het adres alwaar het explosief geplaatst moest worden doorgegeven en/of- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een geldbedrag, heeft betaald, althans in het vooruitzicht heeft gesteld en/of- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] instructies over de uitvoering van de explosie en/of het filmen van de explosie heeft gegeven;
Feit 3 hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen de gevel van het pand te leggen en/of een explosief/vuurbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen/in de nabijheid van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 3] aan te steken, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 3] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 31 augustus 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen de gevel van het pand te leggen en/of een explosief/vuurbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen/in de nabijheid van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 3] aan te steken, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 3] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 28 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te Rotterdam en/of Delft en/of 's-Gravenhage in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door- vervoer voor die [medeverdachte 1] te regelen en/of die [medeverdachte 1] te vervoeren en/of- een schuilplek te regelen voor die [medeverdachte 1] en/of- geld over te laten maken aan die [medeverdachte 1] voor vervoer en/of- een explosief/de vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een fles, te leveren
Feit 4 hij op of omstreeks 18 september 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief/vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen de gevel van het pand te leggen en/of een explosief/vuurbrandstofcombinatie, althans een voorwerp, tegen/in de nabijheid van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 3] aan te steken, waardoor een explosie en/of brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- voor het bedrijf en/of de inboedel/huisraad van dat bedrijf gelegen aan de [adres 3] en/of- voor de nabijgelegen bedrijfspand(en) en/of inboedel/huisraad van die nabijgelegen bedrijfspanden- voor rond het bedrijf geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
Feit 5 hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk BBM, type GAP, kaliber 9mm voorhanden heeft gehad;
Feit 6 hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 42,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-chloormethcathinon (4-CMC), zijnde 4-chloormethcathinon (4-CMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
10/003624-25
Feit 7
hij op of omstreeks 5 januari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad-ongeveer 802 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron (4-MMC/4-methylmethcathinon) en/of-ongeveer 0,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde mefedron (4-MMC/4-methylmethcathinon) en/of cocaïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
Feit 8
hij op of omstreeks 5 januari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad-ongeveer 25,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of-ongeveer 42 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.