Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 28 januari 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 27 augustus 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Zowel Debicare als Menzis hebben voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 14 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan één preferente en zes concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 25.376,37 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 22 april 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar PW-uitkering. Verzoekster heeft geen ontheffing van de sollicitatieplicht en ter zitting heeft zij verklaard dat zij vanaf november 2025 een parttime baan op oproepbasis heeft gevonden. Ze werkt ongeveer 6 uur per week. Verzoekster heeft tevens verklaard dat zij op dit moment niet op zoek is naar meer werk vanwege de zorg voor haar kinderen. Verzoekster voldoet wel aan de inspanningsplicht zoals die vanuit de werkcoach is opgelegd, zij volgt namelijk op de vrijdagochtend Nederlandse taalles.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Debicare en Menzis stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van respectievelijk € 3.839,20 en € 1.651,01 op verzoekster, welke 15,1% en 6,5% van de totale schuldenlast belopen.
3. Het verweer
Debicare heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het verzoek dwangakkoord afgewezen moet worden. Zij beroept zich met name op de nakoming van de opvangovereenkomst en benadrukt dat verzoekster kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en de ontvangen toeslagen niet heeft aangewend om de factuur van de kinderopvang te betalen. Daarnaast meldt Debicare nog dat het kwijtschelden van een vordering een onevenredige impact heeft op een kleine onderneming en dat zij hiermee niet de continuïteit van de opvang kan waarborgen. Ter zitting heeft Debicare hier nog aan toegevoegd dat 96% van de factuur betaald kan worden met de kinderopvangtoeslag, als het alleen om het eigen deel ging had Debicare er wellicht nog anders naar kunnen kijken.
Menzis heeft in haar verweerschrift van 8 januari 2026 gemeld dat zij geconstateerd heeft dat verzoekster zich in een problematische schuldensituatie bevindt. Uit de VTLB-berekening volgt dat verzoekster geen afloscapaciteit of vermogen heeft, waardoor schuldhulpverlening een voorstel heeft gestuurd zonder uitdeling aan de schuldeisers. Menzis is bereid hieraan mee te werken, met de voorwaarde dat de doorlooptijd van 18 maanden wordt aangehouden voordat de vorderingen worden afgeboekt. Menzis hecht aan kwalitatieve begeleiding binnen schuldregelingen om zo ook te voorkomen dat verzoekster op korte termijn opnieuw in de financiële problemen komt. Daarnaast merkt Menzis nog op dat er geen sprake is van een financieel voordeel voor Menzis om in te stemmen met dit aanbod. Immers, uit een WSNP-traject komt mogelijk ook geen uitdeling voort, maar dan is wel sprake van een traject met betere waarborgen voor de nakoming van de verplichtingen.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Debicare en Menzis bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Debicare en Menzis in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.
Het aanbod betreft een schuldregeling waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt om hun vordering in het geheel kwijt te schelden. Ter zitting is gebleken dat verzoekster vanaf november 2025 ongeveer 6 uur per week werkzaam is, wat een positieve ontwikkeling is. Volgens schuldhulpverlening verandert dit het aanbod echter niet, omdat nog altijd geen sprake zou zijn van afloscapaciteit. Dit is niet nader onderbouwd. Bovendien is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoekster heeft geen medische stukken of een ontheffing overgelegd, waaruit blijkt dat zij (deels) arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is.
In de vtlb-berekening is bovendien een correctie opgenomen voor een te laag ontvangen kind gebonden budget (hierna: KGB). Echter, in de berekening van het VTLB is uitgegaan van twee inwonende minderjarige kinderen, terwijl ter zitting is gebleken dat slechts één van haar kinderen inwonend is. Het ontvangen KGB komt overeen met de daadwerkelijke situatie. Indien de correctie niet wordt toegepast, zou sprake kunnen zijn van een hogere afloscapaciteit.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Debicare en Menzis als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Debicare en Menzis te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.