RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723123 / KG ZA 26-723
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
GEMEENTE SCHIEDAM,
zetelend te Schiedam,
eisende partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. B. Maat,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.J.M. Jaasma.
1. De zaak in het kort
[gedaagde] heeft (bij wijze van protest) een standplaats voor een woonwagen bezet, omdat zij van mening is dat deze standplaats aan haar moet worden toegewezen door de Gemeente. De Gemeente is het niet met haar eens en vordert dat [gedaagde] de standplaats moet ontruimen, zodat de Gemeente volgens haar beleid de standplaats kan toekennen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juli 2026 met producties 1 tot en met 12;
- de overgelegde producties 13 en 14 van de Gemeente;
- de akte overlegging producties van [gedaagde] met producties 1 tot en met 5;- de mondelinge behandeling van 23 september 2026;- de pleitaantekeningen van de Gemeente;- de pleitnota van [gedaagde] .
3. De feiten
De Gemeente is eigenaar van een perceel grond met daarop vijftien permanente en twee tijdelijke woonwagenstandplaatsen aan de [straatnaam ] te [locatie].
De gemeenteraad van de Gemeente heeft op 1 februari 2005 het 'Beleidsplan Woonwagenzaken Gemeente Schiedam 2004 en verder' vastgesteld. Dit beleid heeft onder meer betrekking op de toewijzing van standplaatsen. In het beleidsplan staat:
“ (…) Zodra een standplaats wordt opgezegd, wordt de vrijkomende standplaats aangeboden op de gemeentepagina. Alle woningzoekenden kunnen hierop inschrijven. Bij meerdere inschrijving wordt de volgorde bepaald door de leeftijd. Dat wil zeggen dat de oudste het eerst in aanmerking komt.
Omdat hierdoor woonwagenstandplaatsen voor de Schiedamse woonwagenbewoners een schaars goed blijft, is het gerechtvaardigd de leegkomende standplaatsen in eerste instantie te bestemmen voor de natuurlijke aanwas van de huidige bewoners. Om tegemoet te komen aan de problematiek van de Schiedamse startende woonwagenbewoners wordt daarom indien een standplaats via het aanbodmodel wordt aangeboden de onderstaande volgorde bepaling aangehouden:
1. als eerste komen de inwonende kinderen boven de 18 jaar, die wonen op de woonwagenlocatie waar de standplaats vrijkomt, in aanmerking op volgorde van leeftijd;
2. daarna komen de inwonende kinderen boven de 18 jaar van de andere Schiedamse woonwagenlocatie aan de beurt op volgorde van leeftijd;
3. vervolgens komen de overige woningzoekenden aan de beurt op volgorde van leeftijd.”
Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van B&W van de Gemeente het volgende aanvullend beleid vastgesteld, op basis van een adviesnota van 22 augustus 2005:
“In aanvulling op het “Beleidsplan Woonwagenzaken 2004 en verder” te bepalen dat: bij het toewijzing van standplaatsen voor woonwagens alleen voorrang gegeven wordt aan inwonende kinderen boven de 18 jaar die nog niet over zelfstandig woonruimte beschikken of hebben beschikt.”
In de adviesnota staat onder andere:
“De voorrangsregel voor inwonende kinderen van de huidige woonwagenbewoners is in het beleidsplan opgenomen om tegemoet te komen aan de startersproblematiek van de inwonende meerderjarige kinderen. De intentie hiervan was dat zij zelfstandig konden gaan wonen. Het is niet de bedoeling dat kinderen van woonwagenbewoners die reeds over zelfstandige woonruimte kunnen beschikken eveneens onder de voorrangsregel vallen. Volgens het beleidsplan geldt de voorrangsregels voor inwonende kinderen boven de 18 jaar. Er wordt geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van kinderen die reeds over zelfstandige woonruimte beschikken of hebben beschikt.
Daarom wordt voorgesteld om als aanvulling op het beleidsplan te bepalen dat de
voorrangsregel uitsluitend van toepassing is voor inwonende kinderen boven de 18
jaar, die nog nooit zelfstandig hebben gewoond.”
[gedaagde] was woonachtig op de [straatnaam ] tussen 1999 en 2024. Vanaf 8 mei 2024 tot en met 25 juni 2025 stond zij op andere adressen ingeschreven bij zelfstandige woonruimte. Sinds 26 juni 2026 staat zij ingeschreven op [straatnaam ] [nummer 1] , de standplaats van haar ouders.
Op 10 juni 2026 heeft [gedaagde] op de standplaats [straatnaam ] [nummer 2] een caravan geplaatst. In het raam van de caravan is een papier geplaatst met (onder meer) de tekst “Ik kom op voor mijn rechten Ik demonstreer voor een woonwagenstandplaats”.
Bij e-mail van 11 juni 2026 heeft de Gemeente [gedaagde] gesommeerd de standplaats te ontruimen. Bij e-mail van 12 juni 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] kenbaar gemaakt dat [gedaagde] van mening is dat zij aan de beurt is voor toewijzing van de standplaats op grond van het beleid van de Gemeente. Bij e-mail van 12 juni 2026 heeft de Gemeente aangegeven dat [gedaagde] niet de eerst volgende kandidaat voor een standplaats is.
4. Het geschil
De Gemeente vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
1. [gedaagde] veroordeelt om de standplaats, bekend als [straatnaam ] [nummer 2] te [locatie], binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis geheel te ontruimen en vrij en ontruimd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom,
2. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
5. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de Gemeente daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Protest van [gedaagde] staat niet in de weg aan ontruiming
[gedaagde] voert aan dat zij demonstreert en dat zij daarom niet ontruimd mag worden van de standplaats. De ontruiming is namelijk in strijd met haar rechten op grond van artikelen 9 Gw, 21 IVBPR en 11 lid 2 EVRM, aldus [gedaagde] .
Anders dan [gedaagde] aanvoert is geen sprake van een demonstratie zoals bedoeld in genoemde artikelen. Aangezien [gedaagde] alleen, dus zonder anderen, protesteert, is sprake van een zogenoemd 'eenmensprotest'. Hierop is de Wet openbare manifestaties niet van toepassing.
Het recht op vrijheid van meningsuiting is een belangrijk grondrecht, maar deze vrijheid is niet absoluut en kan worden ingeperkt. Dat kan alleen indien dat is voorzien bij wet en noodzakelijk is in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen. Het recht op betoging vindt verder een begrenzing in disproportioneel hinderen, dus als de handelingen verricht tijdens het protest zijn aan te merken als onrechtmatig handelen. Het maken van een inbreuk op een eigendomsrecht kan onder omstandigheden als onrechtmatig worden aangemerkt, waarbij bovendien heeft te gelden dat het bezetten van iemands erf onder omstandigheden strafrechtelijk verboden kan zijn. Een begrenzing van het recht op de vrijheid van meningsuiting (en demonstratie) kan bovendien toelaatbaar zijn wanneer daardoor het ongestoorde genot van privé-eigendom in het gedrang is. Het is aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een toelaatbare beperking van dit grondrecht. Daarbij moet worden meegewogen dat in geval van optreden door de overheid, dit niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een zogenoemd 'chilling effect' uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter leidt de ontruiming van de standplaats niet tot een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Daarvoor is het volgende redengevend.
Het belang van [gedaagde] bij het protest – zo begrijpt de voorzieningenrechter mede uit de door [gedaagde] overgelegde producties – is het onder de aandacht brengen van de noodzaak van bescherming van de culturele identiteit van woonwagenbewoners en het probleem van een gebrek aan woonwagenstandplaatsen. In beginsel staat het [gedaagde] vrij om actie op de door haar gewenste wijze te voeren. De enkele omstandigheid dat een eenmensprotest tot enige hinder leidt, maakt een dergelijk protest niet onrechtmatig. Dat is wel het geval wanneer sprake is van disproportioneel hinderen. Daarbij moet het belang van [gedaagde] worden gewogen tegenover de belangen van de Gemeente en derden.
[gedaagde] heeft de intentie – zo begrijpt de voorzieningenrechter – om de standplaats voor onbepaalde tijd bezet te houden, althans tot het moment dat haar een standplaats wordt toegekend op de [straatnaam ] . Dit leidt tot een mogelijk langdurige en voortdurende inbreuk op het eigendomsrecht van de Gemeente. Daarnaast leidt dit ertoe dat de Gemeente geen onbelemmerde uitvoering kan geven aan haar beleid omtrent woonwagenstandplaatsen. Bovendien heeft het bezet houden feitelijk tot gevolg dat derden die op de wachtlijst staan niet in aanmerking kunnen komen voor de woonwagenstandplaats.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert dit een disproportioneel – te vergaand – hinderen op. Het belang van [gedaagde] om haar standpunt kenbaar te maken gaat niet zo ver dat zij de Gemeente (en derden) voor onbepaalde tijd mag belemmeren in het gebruik van de standplaats. Onder die omstandigheden gaat van enkel de ontruiming ook geen 'chilling effect' uit en is dit geen disproportionele maatregel.
Gelet op het voorgaande staat protest van [gedaagde] niet in de weg aan toewijzing van de vordering tot ontruiming van de standplaats.
[gedaagde] moet standplaats ontruimen
[gedaagde] heeft een caravan geplaatst op onbebouwd terrein. Dit brengt met zich dat geen sprake is van bescherming van het huisrecht zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Dat betekent dat de Gemeente het recht heeft om (in kort geding) ontruiming te vorderen, behalve als zij geen spoedeisend belang heeft bij de ontruiming of wanneer zij met die ontruiming misbruik maakt van recht.
De Gemeente heeft voldoende spoedeisend belang bij de ontruiming. Zij heeft toegelicht dat zij de standplaats wil toekennen aan degene die daar een (eerste) aanspraak op heeft op basis van het beleid dat zij heeft geformuleerd, maar dat zij daartoe niet kan overgaan zolang [gedaagde] het terrein bezet houdt.
Verder is gesteld noch gebleken dat de Gemeente met de ontruiming misbruik maakt van recht. [gedaagde] beroept zich wel op de onverbindendheid van het beleid van de Gemeente ten aanzien van de standplaatsen, specifiek ten aanzien van het onderdeel dat de Gemeente in haar beleid voorrang toekent aan personen die inwonend zijn geweest en geen zelfstandige woonruimte hebben of hebben gehad. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de Gemeente nog geen (privaatrechtelijke) beslissing heeft genomen over aan wie de standplaats moet worden toegekend. De voorzieningenrechter kan daarom die beslissing (nog) niet betrekken bij de beoordeling in dit geschil, in het bijzonder met het oog op de vraag of de gemeente (zie artikel 3:14 BW) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende in acht heeft genomen. De voorzieningenrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander resultaat. [gedaagde] voert in dit kader aan dat de gemeente onvoldoende belang heeft bij de ontruiming, omdat [gedaagde] de eerste rechthebbende zou zijn voor de standplaats. Dat blijkt volgens [gedaagde] uit het beleid van de Gemeente en de omstandigheid dat de – volgens [gedaagde] – eerstvolgende persoon op de wachtlijst heeft aangegeven van de standplaats af te zien. Volgens [gedaagde] valt zij onder categorie 1 van de voorrangsregeling uit het beleid van de gemeente, ook al heeft zij tijdelijk elders gewoond. Volgens de Gemeente valt [gedaagde] echter onder categorie 3 en staat zij daarom op plek 36. Ook als [gedaagde] wel onder categorie 1 zou vallen, zou zij niet de op de eerste plek staan, aldus de Gemeente.
Gelet op deze betwisting door de Gemeente heeft [gedaagde] in dit kort geding onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat zij de eerste rechthebbende zou zijn. Het algemene belang van de Gemeente bij ontruiming weegt daarom zwaar. Het door [gedaagde] gestelde individuele belang (zie ook hierna onder 5.13) weegt op dit moment niet zwaarder.
Termijn voor ontruiming
Ter zitting is gebleken dat de Gemeente op dit moment nog geen start heeft gemaakt met het vaststellen van de persoon op de wachtlijst die daadwerkelijk recht zou hebben op de standplaats. Bovendien, zoals ter zitting besproken, bestaat er aanleiding voor de Gemeente nader onderzoek te verrichten in het kader van haar inherente afwijkingsbevoegdheid in de zin van artikel 4:84 Awb, gelet op het verzoek van [gedaagde] aan de Gemeente om bij uitvoering van het beleid – waaronder de vaststelling in welke voorrangscategorie [gedaagde] valt – rekening te houden met haar bijzondere omstandigheden. Deze zien op de achtergrond van het feit dat zij een tijd elders zelfstandige woonruimte heeft gehad – volgens [gedaagde] vanwege een (psychische) noodsituatie – en op de huidige situatie waarin zij mantelzorgster is voor haar oma en daarnaast de zorg voor haar kind heeft, dit alles in een (te kleine) woonruimte van haar ouders.
De Gemeente heeft verder aangegeven dat op korte termijn beleid in werking treedt voor de standplaatsen in de vorm van een huisvestingsverordening, met gevolgen voor de vraag wie op de wachtlijst geplaatst kan worden. Het is aannemelijk dat de Gemeente de inwerkingtreding van dit beleid afwacht alvorens over te gaan tot toewijzing van de standplaats.
Gelet op het voorgaande, waarmee de nodige tijd is gemoeid, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de termijn voor ontruiming te bepalen op 4 maanden na betekening van dit vonnis.
Dwangsom
Anders dan gevorderd, zal er geen dwangsom worden verbonden aan de veroordeling tot ontruiming. Een dwangsom dient als prikkel tot nakoming en die is niet nodig nu de ontruiming bewerkstelligd kan worden via een deurwaarder.
Geen inlichtingen
De voorzieningenrechter acht het onverenigbaar met het belang dat de Gemeente heeft bij de ontruiming om inlichtingen als bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv in te winnen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.837,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen 4 maanden na betekening van dit vonnis de standplaats [straatnaam ] [nummer 2] te [locatie] te ontruimen met alle daarop aanwezige personen en zaken en ontruimd te houden,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.837,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
4049 / 1694