RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/727692 / KG ZA 26-1080
Vonnis in kort geding van 2 november 2026
in de zaak van
[eiseres] , IN HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. J. de Koning te Lisse,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 oktober 2026 met 8 producties;
- de zittingstekst van de curator;- de mondelinge behandeling op 19 oktober 2026;- de pleitaantekeningen van [gedaagde] .
2. De feiten
[gedaagde] is 78 jaar oud. Zij heeft gewerkt als wijkverpleegkundige.
Sinds 2019 hebben [gedaagde] en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) een affectieve lat-relatie. [persoon A] is 82 jaar. Zij verblijven afwisselend in de woning van [persoon A] in [locatie 1] en in de woning van [gedaagde] in [woonplaats] .
[persoon A] heeft diabetes en gebruikt daarvoor medicijnen.
In juli 2024 heeft een specialist ouderengeneeskunde de diagnose dementie vastgesteld bij [persoon A] .
Bij beschikking van 13 februari 2026 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag [persoon A] onder curatele gesteld en eisende partij als curator benoemd.
[persoon A] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Die procedure loopt nog.
Op 21 april 2026 is [persoon A] gedwongen opgenomen in zorginstelling [zorginstelling 1] in [locatie 2] op basis van een beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de gemeente [locatie 1] zoals bedoeld in artikel 29 lid 1 Wet zorg en dwang (Wzd). Deze inbewaringstelling is voortgezet tot en met 9 juni 2026 op basis van een daartoe verleende machtiging van de rechtbank Den Haag zoals bedoeld in artikel 37 Wzd.
Op 4 juni 2026 is [persoon A] teruggekeerd naar zijn woning.
Op 6 oktober 2026 heeft de burgemeester van de gemeente [locatie 1] opnieuw ten aanzien van [persoon A] een beschikking tot inbewaringstelling gegeven. Die beschikking kon niet op tijd worden uitgevoerd, doordat [gedaagde] met [persoon A] enige tijd met vakantie is gegaan naar een huisje op de [locatie 3] . Recent heeft de burgemeester een nieuwe beschikking tot inbewaringstelling gegeven. Deze inbewaringstelling is vervolgens verlengd. Op basis daarvan verblijft [persoon A] op dit moment in zorginstelling [zorginstelling 2] in [locatie 4] .
3. Het geschil
De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te verbieden, via sociale media of in persoon, (telefonisch) contact op te nemen met [persoon A] ;
II. [gedaagde] te verbieden zich te begeven naar en/of zich te bevinden in het gebied in een straal van 100 meter rondom de woning gelegen aan het [straatnaam 2] in [locatie 1] ;
III. [gedaagde] te verbieden zich te begeven en/of te bevinden in het gebied in een straal van 100 meter rondom [zorginstelling 2] (aan de [straatnaam 1] in [locatie 4] ) althans het verzorgingstehuis waar [persoon A] zal worden opgenomen;
IV. [gedaagde] te veroordelen om een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of iedere keer dat zij zich niet aan een van de verboden houdt, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;
V. de curator te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijkt aan het vonnis te voldoen.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing dan wel dat de curator niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.
4. De beoordeling
De vorderingen komen neer op een contact- en straatverbod. De curator legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] schade toebrengt aan het welzijn en de veiligheid van [persoon A] , doordat zij [persoon A] de benodigde zorg door zorginstanties onthoudt en hem isoleert van zijn familie. Het is noodzakelijk dat Thuiszorg bij [persoon A] langsgaat om medische zorg te verlenen, maar [gedaagde] weigert zorgverleners toegang te verlenen tot de woning van [persoon A] ; ook familieleden wordt de toegang ontzegd. Het lukt de curator niet om met [gedaagde] daarover tot goede afspraken te komen. Verder laat zij zich tegenover [persoon A] regelmatig negatief uit over de zorginstellingen en de curator en heeft zij [persoon A] aan het toezicht van de curator onttrokken door hem te ontvoeren naar een onbekende bestemming. Dit alles leidt tot onrust en boosheid bij [persoon A] , aldus de curator.
[gedaagde] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de curator geen (spoedeisend) belang heeft bij de ingestelde vorderingen. Nu [persoon A] inmiddels verblijft in een zorginstelling, is het aan de zorginstelling – en niet de curator – in hoeverre en met wie [persoon A] contact heeft. Bovendien had de curator op de voet van artikel 1:454 BW jo. 1:381 lid 4 BW [persoon A] moeten betrekken bij haar beslissing om dit kort geding in te stellen. Dat is niet gebeurd en daarmee ontvalt de grondslag aan de acties van de curator ten aanzien van [gedaagde] . Verder betwist [gedaagde] dat zij [persoon A] weghoudt van de nodige zorg en zijn familie en ook dat zij hem heeft ontvoerd. De curator geeft geen onderbouwing van zijn stellingen op dat punt, aldus [gedaagde] .
(Spoed)eisend belang
Anders dan [gedaagde] meent, is voldoende aannemelijk dat de curator een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. De vorderingen strekken ertoe dat een einde wordt gemaakt aan een – volgens de curator – bestaande onrechtmatige situatie jegens [persoon A] . Dat maakt dat de vorderingen naar hun aard een spoedeisend karakter hebben. Dat [persoon A] op dit moment in een zorginstelling verkeert, buiten de invloedssfeer van [gedaagde] , doet daar niet aan af. De gedwongen opname is kennelijk voortgezet op basis van een daartoe verleende machtiging van de rechtbank, die niet in dit geding is overgelegd. Een dergelijke machtiging heeft op de voet van artikel 39 lid 4 Wzd een geldigheidsduur van ten hoogste zes weken en niet bekend is of de gedwongen opname in de zorginstelling wordt voortgezet na ommekomst van die periode. Er is dus een gerede kans dat [persoon A] binnen afzienbare tijd zal terugkeren naar zijn woning. Dat maakt dat de curator belang heeft bij een beslissing op de gevorderde voorzieningen.
Artikel 1:454 BW
Ook het beroep van [gedaagde] op artikel 1:454 BW slaagt niet. Nog daargelaten dat dit een inspanningsverplichting is, volgt uit artikel 1:453 lid 5 BW dat de curator ook handelingen kan verrichten waartegen de curandus zich verzet indien dat kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de curandus te voorkomen. De enkele omstandigheid dat de curator voor dit kort geding geen overleg heeft gehad met [persoon A] , leidt er niet toe dat de grondslag aan de vorderingen ontvalt of dat de bevoegdheid om deze vorderingen in te stellen ontbreekt.
Contact- en straatverbod
Een contact- en straatverbod is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Een contact- en straatverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Het is daarbij aan de curator om dat gevaar voor herhaling aannemelijk te maken. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd..
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de curator onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de handelwijze van [gedaagde] zodanig onrechtmatig is dat het opleggen van een contact- en/of straatverbod gerechtvaardigd is.
[gedaagde] heeft de verwijten die haar worden gemaakt, betwist en de curator heeft haar stellingen op dat punt niet nader geconcretiseerd of onderbouwd.
Uit de door de curator overgelegde producties blijkt niet dat [persoon A] door toedoen van [gedaagde] onvoldoende zorg ontvangt of in een onveilige situatie verkeert. Een recente medische verklaring daarover ontbreekt. De curator heeft enkel ‘oude’ rapportages van de betrokken specialist ouderengeneeskunde van 10 juni en 24 november 2025 en een bericht van Veilig Thuis van 18 september 2026 (producties 1, 2 respectievelijk 6 van de curator) overgelegd. In die stukken is te lezen dat zowel de specialist als Veilig Thuis, gezien de verslechterde toestand van [persoon A] in verband met zijn dementie, adviseren om externe hulp in te schakelen. Er staat niet dat [gedaagde] daarin een verwijtbare rol speelt, maar veeleer dat de situatie haar boven het hoofd groeit en zij daarom externe begeleiding nodig heeft. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij ook zelf (tevergeefs) bij de gemeente heeft aangeklopt voor hulp. De specialist noemt in haar brief van 24 november 2025 ook dat er sprake is van een complexe familiesituatie met wederzijds wantrouwen tussen [gedaagde] en de kinderen van [persoon A] . Wat de achtergrond of oorzaak daarvan is, is niet toegelicht.
De stelling in de dagvaarding (randnr. 19) dat sprake is geweest van fysiek geweld en het onthouden van medicatie heeft de curator bij aanvang van de mondelinge behandeling teruggenomen. De curator stelt nog summier dat de huisarts, de casemanager en de curator tijdens een multidisciplinair overleg over [persoon A] op 2 juli 2026 hebben geoordeeld dat sprake is van psychische mishandeling en sociale verkleining, maar enige onderbouwing daarvan of nadere toelichting daarop ontbreekt.
Ten aanzien van de gestelde onrechtmatige onttrekking aan het toezicht van de curator heeft [gedaagde] betwist dat sprake is geweest van ontvoering. Volgens haar werd [persoon A] erg onrustig bij het idee van de opname, zodat zij hem toen korte tijd heeft meegenomen naar een huisje op de [locatie 3] . Wat daar ook van zij, dat was van tijdelijke duur en inmiddels is [persoon A] opgenomen in de zorginstelling.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het geschil van partijen in de kern ziet op de wijze waarop zorg wordt verleend aan [persoon A] . Volgens de curator is het noodzakelijk dat [persoon A] medische zorg ontvangt van Thuiszorg en medische specialisten. Omdat [gedaagde] het verlenen van die zorg tegenhield, zag de curator geen andere keus dan een gedwongen opname van [persoon A] in een zorginstelling.
Daar tegenover staat het standpunt van [gedaagde] dat de wijze waarop Thuiszorg de zorg verleent, te beperkend en belastend is voor haar en [persoon A] . Zo moeten zij zowel ’s ochtends als ’s avonds 2-3 uren thuis blijven omdat Thuiszorg in dat tijdsbestek langs komt voor een paar minuten. [gedaagde] heeft het gevoel dat de maatregelen van de curator ertoe leiden dat de autonomie van [persoon A] stap voor stap wordt weggenomen, wat leidt tot onrust en agressie bij hem.
Dit verschil van mening is onvoldoende voor het opleggen van het gevorderde contact- of straatverbod. [persoon A] heeft nog steeds een affectieve relatie met [gedaagde] . Een contact- of straatverbod zou betekenen dat die relatie gedwongen wordt beëindigd. Niet aannemelijk is dat dat in het belang is van [persoon A] .
De voorzieningenrechter ziet wel grond om een minder vergaande maatregel te treffen. De voorzieningenrechter heeft deze mogelijkheid tijdens de zitting aan partijen voorgehouden. De curator heeft ter zitting verklaard dat [persoon A] mogelijk in zijn eigen woning kan verblijven, zolang hij in zijn woning behoorlijke zorg krijgt verleend van Thuiszorg. De noodzaak van het ontvangen van die zorg is duidelijk. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] verhindert dat Thuiszorg behoorlijke zorg verleent aan [persoon A] . Hoewel [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij Thuiszorg toelaat om zorg te verlenen aan [persoon A] , stelt zij tegelijkertijd dat zij zelf kan beoordelen welke zorg [persoon A] nodig heeft, omdat zij wijkverpleegkundige is geweest. Op die manier staat [gedaagde] er mogelijk onbedoeld aan in de weg dat [persoon A] zo lang mogelijk zorg krijgt in een ambulante setting. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om, indien en zodra de gedwongen opname van [persoon A] is geëindigd en hij terugkeert in zijn woning, gedurende twee jaar na dit vonnis medewerking te verlenen aan de zorg die [persoon A] ontvangt van Thuiszorg. Dat betekent concreet dat [gedaagde] (samen met [persoon A] ) goede werkafspraken moet maken met Thuiszorg over het moment dat Thuiszorg langs komt, dat [gedaagde] moet bevorderen dat [persoon A] op die momenten thuis is, en dat [gedaagde] medewerkers van Thuiszorg moet binnenlaten als zij aanwezig is en die medewerkers bij het woonhuis van [persoon A] aanbellen. [gedaagde] moet ook dulden dat Thuiszorg de voordeur opent met de sleutel die zich bevindt in de sleutelkast aan de muur van de woning van [persoon A] op momenten dat zij daar niet is en [persoon A] wel. [gedaagde] mag die sleutel niet weghalen en mag ook niet de sloten (laten) vervangen.
Aan de veroordeling worden geen dwangsommen verbonden, omdat die veroordeling zich daarvoor niet goed leent.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om, indien en zodra de gedwongen opname van [persoon A] is geëindigd en hij terugkeert in zijn woning, gedurende twee jaar na dit vonnis medewerking te verlenen aan de zorg die [persoon A] ontvangt van Thuiszorg;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2026.
2091 / 3669