Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10/122046-25
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
raadsman mr. O.J. Much, advocaat in Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 1 oktober 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding(maak een keuze). De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S. Bosmans heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering feit 1
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft bekend dat hij met een vuurwapen op zak de tram is uitgestapt bij het Hofplein. Er is echter geen bewijs dat de verdachte gericht op een of meer personen heeft geschoten. De verklaringen van de getuigen zijn onduidelijk en bovendien tegenstrijdig. Zo verklaarde de derde melder dat er mogelijk in de lucht is geschoten. Daarnaast is het onduidelijk of er met scherp is geschoten. Dit is cruciaal voor de beoordeling van voorwaardelijk opzet. Er is volstrekt niets te zeggen over de aanmerkelijke kans op de dood van wie dan ook. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
De rechtbank stelt het volgende vast. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 19 april 2025 een vuurwapen overhandigd heeft gekregen. Op camerabeelden van de Diergaardesingel in Rotterdam is ook te zien dat [medeverdachte] op 19 april 2025 omstreeks 19:31 uur iets overhandigt aan de verdachte. Als de verdachte doorrent, kennelijk achter de groep mannen aan die eerder op de camerabeelden te zien is, is te zien dat hij op dat moment een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp in zijn rechterhand heeft.
De rechtbank stelt ook vast dat om omstreeks 19:37 uur meerdere personen, waaronder de verdachte, vanuit de fietsenstalling van het Centraal Station richting de tramhaltes lopen. Vier personen (waaronder de verdachte) stappen in tram 7. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte reageert op iets dat hij buiten ziet waardoor hij en de drie andere personen om 19.40 uur uitstappen bij tramhalte Hofplein. Daarna rennen zij voorbij de tram richting drie personen die aan de overkant staan. Tijdens het rennen heeft de verdachte een vuurwapen in zijn handen waarmee hij met gestrekte arm schiet. Dat de verdachte een gestrekte arm heeft is te zien op de camerabeelden. Daarnaast wordt dit onderschreven door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die beschrijven dat de verdachte zijn arm omhoog bracht en naar voren schoot. [getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat hij twee jongens zag wegrennen, achtervolgd door een aantal jongens, van wie er één met een vuurwapen in de richting van de vluchtende jongens schoot. Hij hoorde ook een knal. Ook [getuige 2] hoorde op het moment van schieten een knalletje en zag daarnaast wat rook uit de voorzijde van het wapen komen. Dat een mogelijke derde getuige aan de meldkamer heeft verklaard dat er in de lucht is geschoten, geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , nu anders dan de bij de mogelijke derde getuige, deze steun vinden in de camerabeelden.
De verdachte is later op de avond aangehouden. Op ongeveer 15 meter van de plaats waar hij is staande gehouden, is in een tas - die overeenkomt met de tas die de verdachte op de camerabeelden draagt - een vuurwapen aangetroffen met twee verschoten patronen erin.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 19 april 2025 met een vuurwapen gericht heeft geschoten in de richting van onbekend gebleven personen.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood
De verdachte rende samen met anderen achter een aantal jongens aan en schoot tijdens deze achtervolging met gestrekte arm in een hoek van 90 graden. De verdachte richtte op de vluchtende personen waar hij achteraan rende, maar er liepen ook de nodige omstanders. Deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van een van deze personen, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Voorbedachte raad
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord, dan wel een poging tot doodslag. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat de verdachte van dat bestanddeel zal worden vrijgesproken.
Medeplegen
Het is onduidelijk gebleven of de personen met wie de verdachte was, wisten dat de verdachte een vuurwapen overhandigd heeft gekregen en met dit vuurwapen wilde schieten op personen. Er kan niet bewezen worden dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Daarom zal hij worden vrijgesproken van het medeplegen.
Conclusie
Het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot doodslag) is wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Feit 2 is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden
verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte dit feit heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2(vul de feitaanduidingen in) ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
feit 1
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een vuurwapen op, althans in de richting van die perso(o)n(en) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber.22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
feit 1:
poging tot doodslag;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte
uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de
omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke
omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een vuurwapen gericht te schieten op personen op het Hofplein in Rotterdam. De schietpartij vond plaats rond 19:40 uur. Het Hofplein is een plek waar veel tram- en autoverkeer samenkomt en waar mensen lopen en fietsen. De verdachte mag van geluk spreken dat niemand gewond is geraakt. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij, te meer nu de schietpartij bij daglicht, midden in de stad en op een drukke plek plaatsvond.
De verdachte heeft bovendien het vuurwapen voorhanden gehad waarmee hij heeft geschoten. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte de keuze heeft gemaakt om zich met een geladen vuurwapen op straat te begeven. Het ongeoorloofd bezit van wapens leidt niet zelden tot het gebruik daarvan, zoals ook nu is gebleken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht en die voor zover van belang het volgende inhouden.
Psycholoog [naam 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 8 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte lijdt aan een ‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’ en een ‘andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Daarnaast is er een leer- of onderwijsprobleem en ouder-kind relatieprobleem. In het algemeen wordt gezien de aard van de problematiek zeer aannemelijk geacht dat de verdachte voldoende in staat is tot het maken van afgewogen keuzes en zijn gedrag indien nodig bij te sturen.
Op basis van de gestructureerde risicoanalyse wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag ingeschat als matig tot hoog. Er is weinig concreet zich verkregen op de ten laste gelegde feiten. De verdachte geeft hierover weinig tot geen openheid en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag.
Een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie wordt het best passend geacht. Hierbij kan verplichte begeleiding door de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde worden opgelegd, waarbij tevens gedacht kan worden aan het mee moeten werken aan poliklinische behandeling zoals wordt geboden door de Waag evenals het meewerken aan begeleiding door een jongerencoach. Er dient in het gehele traject nadrukkelijk aandacht te zijn voor eventuele overvraging, gezien het disharmonisch profiel en achterblijven van bepaalde specifieke capaciteiten.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 september 2026. Hieruit blijkt dat het algemeen recidiverisico uitkomt op heel hoog en het dynamisch risicoprofiel komt uit op hoog. Er worden verschillende beschermende en risicofactoren gezien die van invloed zijn op de kans op herhaling. Wat betreft de risicofactoren wordt gezien dat de verdachte veel heeft meegemaakt in zijn leven en dat dit van invloed kan zijn op zijn gedrag. Het is positief dat er veel hulpverlening betrokken is bij de verdachte. Hij heeft wekelijks een afspraak met zijn coach van NEXT ST3P en veel gesprekken met de jeugdreclassering. Ook is MDFT betrokken en is er recent een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen. Ook zal de verdachte starten bij de Waag voor een delictanalyse en hulp voor zijn emotieregulatie. Gezien wordt dat de verdachte sinds de betrokkenheid van de jeugdreclassering positiever gedrag laat zien. Voor de verdachte is het dan ook van belang dat deze hulpverlening wordt voortgezet.
De Raad voor de Kinderbescherming vindt het gezien de ernst van het feit passend als de verdachte een geheel voorwaardelijke detentie opgelegd krijgt, zodat er voor de verdachte een stevige stok achter de deur is en hij de positieve ontwikkeling die hij al heeft laten zien verder voort kan zetten. Om de huidig betrokken hulpverlening te coördineren en te monitoren is het daarnaast wenselijk dat de jeugdreclassering betrokken blijft. Ook is het belangrijk dat de verdachte afstand doet van zijn antisociale vrienden die zich vaak ophouden op de West-Kruiskade in Rotterdam. Om die reden adviseert de Raad als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Jeugdbescherming West te Gouda, zich niet zal begeven in de West-Kruiskade te Rotterdam, meewerkt aan hulpverlening door NEXT ST3P en meewerkt aan begeleiding en behandeling van de Waag, een positieve dagbesteding houdt en zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten.
Deskundige [naam 2], werkzaam als jeugdreclasseerder bij Jeugdbescherming west, heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de rapportage van de Raad en het daarin opgenomen strafadvies.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Ondanks deze doelstellingen van het jeugdstrafrecht kan gezien de ernst van de feiten niet
anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank sluit
daarbij aan bij de eis van de officier van justitie en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en legt een jeugddetentie op van 168 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet is een terugkeer naar de jeugdgevangenis op dit moment niet in het belang van zijn
ontwikkeling. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank de
bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 45, 77a 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 168 (honderdachtenzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
o [persoon 1], geboren op [geboortedatum 2] 2009;
o [persoon 2], geboren op [geboortedatum 3] 2009;
o [persoon 3], geboren op [geboortedatum 4] 2010 en
o [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 5] 2009;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugd/reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugd/reclassering zo vaak en zolang als de jeugd/reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde Jeugdbescherming west te Gouda tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en P.A. Ellenbroek, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en)
opzettelijk en
met voorbedachten rade
van het leven te beroven
met een vuurwapen op, althans in de richting van die perso(o)n(en) heeft
geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1
ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen
in de vorm van een revolver
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )