Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 23 oktober 2026
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 24 april 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[bedrijf B] heeft voorafgaand aan de zitting, op 7 oktober 2026, een verweerschrift toegezonden.
Uit het dossier blijkt dat [bedrijf A] reeds bij e-mailbericht van 20 april 2026 aan schuldhulpverlening heeft laten weten in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoekschrift wordt ten aanzien van [bedrijf A] als ingetrokken beschouwd.
Ter zitting van 9 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
Schuldhulpverlening heeft op 16 oktober 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee preferente schuldeisers met twee vorderingen en vijftien concurrente schuldeisers met 23 vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 54.622,22 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 27 januari 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers wordt verzocht de betreffende vorderingen kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft ernstige psychische gezondheidsklachten, waardoor zij niet in staat is om te werken. Verzoekster was door de uitkerende instantie ontheven van haar sollicitatieverplichting. Deze ontheffing is inmiddels met zes maanden verlengd. Verzoekster stond geruime tijd op de wachtlijst voor een opname in een kliniek in verband met haar gezondheidsklachten. Inmiddels is er een plek voor haar beschikbaar en zij zal, zodra de nazorg ook goed is geregeld, op korte termijn worden opgenomen.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder aangegeven dat alsnog een bedrag
€ 1.000,-- kan worden ingelegd ten behoeve van de schuldeisers en dat het akkoord in die zin wordt aangepast naar een saneringskrediet met een inleg van € 1.000,- ter verdeling onder de schuldeisers tegen finale kwijting. Verzoekster heeft ter zitting bevestigd daarmee in te stemmen. De beschermingsbewindvoerder heeft dit bedrag het afgelopen jaar op de beheerrekening van verzoekster kunnen sparen. Er is geen toename van de afloscapaciteit te verwachten.
Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [bedrijf B] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 895,-- op verzoekster, die 1,6 % van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
[bedrijf B] stelt zich in haar verweerschrift op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Er is niet alleen sprake van een huurachterstand voor een bedrag van € 850,-- voor de maand juni 2025, maar bij beëindiging van de huur is bovendien gebleken dat de gehuurde kamer niet correct en niet in behoorlijke staat is achtergelaten. Hierdoor heeft [bedrijf B] aanvullende kosten moeten maken voor een bedrag van € 890,-- om het gehuurde in oorspronkelijke staat te herstellen. [bedrijf B] acht het onder deze omstandigheden niet redelijk dat deze financiële gevolgen zonder meer volledig worden neergelegd bij de verhuurder door de betreffende schuld kwijt te schelden.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [bedrijf B] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [bedrijf B] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [bedrijf B] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [bedrijf B] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 1,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zestien van de zeventien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
Daarnaar gevraagd heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat [bedrijf B] bij haar een bedrag van € 895,-- heeft opgegeven als openstaand saldo en dat dit als vordering is meegenomen in de schuldregeling.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. De rechtbank acht het, op basis van het verhandelde ter zitting en de (aanvullend toegezonden) stukken, aannemelijk dat verzoekster wegens ernstige gezondheidsproblemen op dit moment niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten en dit ook niet binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan doen. Verzoekster is door de uitkerende instantie ontheven van haar sollicitatieverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende periode geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is het vermogen waarover verzoekster beschikt, namelijk € 1.000,--, alsnog ingelegd ten behoeve van de schuldeisers. Voor het overige is er geen sprake van vermogensbestanddelen. Verzoekster staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van [bedrijf B].
Het verzoek om [bedrijf B] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[bedrijf B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [bedrijf B] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [bedrijf B] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.