RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode 1] [woonplaats],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 20 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 september 2026.
Ter zitting van 18 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 12 oktober 2026. Op 7 oktober 2026 heeft de rechtbank aanvullende stukken van verzoekster ontvangen. Op basis daarvan heeft de rechtbank de uitspraak bepaald op 21 oktober 2026 en partijen verzocht uiterlijk 19 oktober 2026 nadere inlichtingen te geven. Schuldhulpverlening heeft op 14 oktober 2026 nadere informatie verstrekt aan de rechtbank. Nu voor de rechtbank niet duidelijk was of [verweerster] door schuldhulpverlening was geïnformeerd, heeft de griffier diverse malen contact gehad met schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening heeft op 20 oktober 2026 een bericht aan de rechtbank toegezonden, waaruit blijkt dat er diverse malen contact is geweest met verweerster. Van verweerster zelf heeft de rechtbank niets vernomen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft zich in verband met haar financiële problemen gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoekster was werkzaam als zelfstandige. Door het uitblijven van opdrachten is haar inkomen sterk verminderd. Verzoekster heeft verkeerde prioriteiten gesteld en is het overzicht verloren. Verzoekster werkt nu in loondienst en heeft voldoende inkomen om alle vaste lasten, waaronder de huur, te voldoen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster ondanks de gemaakte afspraken met schuldhulpverlening de huur van de maanden augustus en september 2026 niet heeft voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat gezien de situatie, beschermingsbewind dringend nodig is. Schuldhulpverlening heeft de rechtbank stukken toegezonden waaruit blijkt dat het beschermingsbewind op 19 oktober 2026 is uitgesproken. In het bericht van 14 oktober 2026 heeft schuldhulpverlening verklaard dat verzoekster inmiddels twee betalingen heeft gedaan, te weten de huur over de maand september 2026 en de huur over de maand oktober 2026, die, zo laat schuldhulpverlening weten - te laat is voldaan.
3. Het verweer
Verweerster maakt zich zorgen om de situatie van verzoekster. De achterstand is opgelopen sinds 2021. Verweerster heeft tot vijf keer toe geprobeerd verzoekster te overtuigen dat zij zich diende te melden bij de schuldhulpverlening. Dat is nu op het laatste moment wel gebeurd. Echter, de huur van de maand augustus 2026 is niet betaald en de laatste huurbetaling dateert van 2 januari 2026. Beschermingsbewind is volgens verweerster op dit moment de beste oplossing. Verweerster stelt voor de behandeling van het verzoek aan te houden om verweerster de tijd te geven om beschermingsbewind te regelen. Als het beschermingsbewind is geregeld, zal verweerster geen verweer voeren tegen het verzoek.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 23 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 26 augustus 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Daarnaast heeft verzoekster twee minderjarige kinderen (15 en 9 jaar) die door een ontruiming ernstig zullen worden benadeeld.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verhandelde ter zitting en de daarna ontvangen van verzoekster ontvangen stukken is gebleken dat verzoekster de huurtermijnen van september en oktober 2026 (weliswaar te laat) heeft betaald. Gebleken is ook dat verzoekster voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. Zij ontvangt op dit moment inkomen uit arbeid op basis van een nul-urencontract en uit de bij het verzoekschrift aangeleverde loonstroken blijkt dat verzoekster nagenoeg fulltime werkt. Beschermingsbewind is uitgesproken op 19 oktober 2026. De betaling van de lopende huurtermijnen is door het beschermingsbewind gewaarborgd. Bovendien heeft verzoekster inwonende minderjarige kinderen die door de ontruiming van de woning worden geraakt. De rechtbank acht een ontruiming van de woning van verzoekster niet in het belang van de inwonende minderjarige kinderen van verzoekster. Onbekend is of verzoekster op dit moment alternatieven heeft om haar minderjarige kinderen een dak boven het hoofd te bieden. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] ([postcode 2]) te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 21 augustus 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.