RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 11452256 CV EXPL 24-31803
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats [plaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Bosveld,
tegen
1. [gedaagde 1] v.o.f.,
3 [gedaagde 3] ,
2 [gedaagde 2] BV,
vestigingsplaatsen en woonplaats: [plaats]
gedaagden,
vertegenwoordigd door [gedaagde 3] voornoemd
Eiser wordt hierna ‘werknemer’ genoemd. Gedaagden worden ieder afzonderlijk ’ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’ genoemd en tezamen ‘werkgeefster’. De broer van [gedaagde 3] , [naam] , wordt hierna ‘broer’ genoemd. De voormalige zakenpartner van [gedaagde 3] , [zakenpartner] , wordt ‘zakenpartner’ genoemd.
De zaak in het kort
In het tussenvonnis van 25 april 2025 heeft de kantonrechter werkgeefster veroordeeld om aan werknemer € 12.068,84 bruto aan achterstallig loon en € 2.589,67 bruto aan vakantiebijslag te betalen, met 20% wettelijke verhoging. De tegenvordering van werkgeefster is afgewezen, met veroordeling van werkgeefster, hoofdelijk, in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Aan werknemer is verder opgedragen te bewijzen dat hij contante loonbetalingen heeft ontvangen voor werkzaamheden verricht ten behoeve van (opdrachtgevers van) werkgeefster.
In dit eindvonnis oordeelt de kantonrechter dat werknemer is geslaagd in het bewijs en veroordeelt zij werkgeefster, hoofdelijk, om onder meer een aanvulling op het ziekengeld te betalen.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2. De verdere beoordeling
[gedaagde 3] heeft als getuige het volgende verklaard:
Wat kunt u vertellen over wat er door of namens [gedaagde 1] contant is betaald aan [werknemer]?
“Dat was niet door mij maar door mijn partner. Dat was [naam zakenpartner].
Heeft [broer] ook contant geld betaald aan [werknemer]?
“Ik heb het zelf niet aan hem gevraagd. En ook niet gezien. Ik weet het niet.”
Om hoeveel geld ging het?
“Weet ik ook niet.”
Aan de getuige wordt een overzicht getoond (productie 16 bij akte na tussenvonnis). Op de vraag of de getuige die kent reageert zij als volgt:
“Nee. Niet voor deze procedure gezien. Alleen in het dossier gezien.”
Heeft u gehoord van uw zakenpartner hoe hij wist hoeveel hij moest betalen aan werknemer?
“Nee. [werknemer]heeft alleen aan mij een paar keer gevraagd naar vakantie-uren die hij uitbetaald wilde hebben. Ik wist niet hoeveel [zakenpartner] ging betalen. Maar [werknemer] heeft een paar keer gevraagd om zijn vakantie-uren contant te mogen ontvangen. Dat verzoek heb ik aan [zakenpartner] doorgegeven. Ik heb daar wel correspondentie over maar verder geen correspondentie over andere overwerkbetalingen.”
Wat was de rol van uw broer bij [gedaagde 1] ?
“Hulp bieden aan [zakenpartner]. Ze waren vrienden van elkaar. Als [zakenpartner] er niet was kon hij [zakenpartner] hulp bieden. Ze hadden hierover onderling afspraken. [Broer] hielp ook mee als [zakenpartner] er wel was, maar dus ook als [zakenpartner] in het buitenland zat. Ik weet niet of er een onderlinge taakverdeling tussen hen was. Mijn rol bij [gedaagde 1] was om de hele backoffice te organiseren. [Zakenpartner] ging over het personeel en de projecten. Hij deed ook de inkopen. We hadden meerdere personeelsleden.”
Heeft u zelf ook contante betalingen gedaan aan [werknemer]?
“Ik kan me dat niet herinneren. Ik heb daar wel over nagedacht. Als het iets was wat ik contant zou doen zou ik dat wel weten. Ik heb hem in de laatste periode van zijn dienstverband wel contant geld geleend op zijn verzoek. Dat was een geldlening onderling als vrienden. Buiten dat kan ik me niet herinneren dat ik hem voor zijn werk of vakantie-uren contant heb betaald.”
Dus alle financiën gingen buiten u om als het ging om betalingen voor overwerk e.d.?
“Ja. Ik heb het zelf nooit meegemaakt.”
Heeft [werknemer] ook gewerkt voor [bedrijf] ?
“Wij hebben als onderaannemer als [gedaagde 1] projecten gedaan voor [bedrijf] en [werknemer] heeft daar
ook aan meegewerkt. Maar dat was in dienst van [gedaagde 1] en niet rechtstreeks voor [bedrijf] .”
Was er een administratie van de zwarte betalingen?
“Dat heeft [zakenpartner] zelf altijd gedaan. Ik heb de administratie van zwarte loonbetalingen nooit gekregen. Ik heb er zelf denk ik niet om gevraagd. Ik informeerde bij [zakenpartner] naar de uren van de oproepkrachten die via de bank moesten worden betaald. Hij deed de betalingen. Achteraf moest ik dat aan de salarisadministratie doorgeven. Dat was alleen voor de oproepkrachten en niet voor [werknemer].”
U heeft in uw verklaring geschreven dat [werknemer] willens en wetens ervoor heeft gekozen om zwart uitbetaald te worden zodat hij de toeslagen kon houden. Hoe wist u dat?
“Hij zei dat altijd tegen mij als we samen waren in onze vriendenkring. Hij had het daar altijd over. Toen zijn vriendin werk vond moest hij zijn toeslagen terugbetalen. Ik had zijn vriendin een maand tijdelijk in dienst genomen zodat ze daarna een uitkering kon aanvragen.”
U zegt dat hij willens en wetens gekozen heeft voor zwarte betalingen. Waarvoor waren die betalingen?
“Overuren. Wat hij extra heeft gewerkt. Of wat ze intern hebben afgesproken maar ik weet niet wat dat was. Tegen mij werd alleen gezegd door [zakenpartner] voor hoeveel uur en welk loon ik een arbeidsovereenkomst moest opstellen en dat gaf ik dan door aan de salarisadministratie. Dat ging om de vaste uren.”
Productie 18 wordt aan de getuige voorgehouden en is ten behoeve van het getuigenverhoor van nummering voorzien en aan het proces-verbaal gehecht.
Pagina 3: kunt u zich deze appwisseling herinneren waarin [werknemer] vraagt:
‘Hi [voornaam [gedaagde 3] ]. Can i come to the shop for money?’ (1 augustus 2021).
“Ik kan me niet herinneren, het lukt mij niet om het me te herinneren.”
Ontkent u dat u dit bedrag contant heeft uitbetaald?
“Ik zeg niet dat ik het ontken, maar ik zeg dat ik het me niet kan herinneren en dan kan ik dus ook niet antwoorden met ja of nee.”
Broer heeft als getuige het volgende verklaard:
Wat was uw rol bij [gedaagde 1] ?
“ [bedrijf] was de verkopende tak en [gedaagde 1] was de installerende tak van de zonnepanelen. Ik was 99% van mijn tijd bezig met [bedrijf] . [Voornaam [gedaagde 3] ] en [zakenpartner] hielden zich met name bezig met [gedaagde 1] . Soms moest ik voor [zakenpartner] betalingen verrichten of bepaalde dingen regelen, producten controleren en services oplossen van zonnepanelen. [Zakenpartner] was regelmatig in het buitenland. U vraagt mij of dat lukte in die ene procent. We hadden hetzelfde magazijn.”
Om wat voor betalingen ging het?
“Soms had [zakenpartner] met [werknemer] betalingen afgesproken en die gaf ik dan aan hem, voor extra werk ofzo. Het ging om contante betalingen. U vraagt mij hoe vaak dat voorkwam. Soms twee keer per maand, soms een keer per maand en soms een keer per twee maanden. U vraagt mij om wat voor bedragen het ging. Dat weet ik niet meer. U vraagt mij waar het geld vandaan kwam wat ik moest betalen. Ik kreeg het van [zakenpartner], hij gaf het geld aan mij. Ik gaf het dan aan [werknemer].”
Kunt u zich niets herinneren over de hoogte van de bedragen?
“Het varieerde. De ene keer was het een paar honderd euro, ook wel 800 of 900 euro. Ik weet het niet meer precies. Waarom is [zakenpartner] hier eigenlijk niet als getuige? Ik hoor u zeggen dat ik dat aan [voornaam werkgeefster] moet vragen.”
U verklaarde net dat de betalingen bestemd waren voor extra werk of zo. Wat bedoelde u daar precies mee?
“Het ging om extra werk, waar zou het anders voor zijn? Soms had hij geld nodig als lening, een voorschot, het was iedere keer wat anders. Op een gegeven moment vroeg ik er ook niet meer naar. Het was iets tussen hen beiden zeg maar.”
De kantonrechter laat productie 16 bij akte zien. Kent u deze overzichten?
“Ik weet het niet meer. Ik heb zoveel dingen gezien, ik weet het echt niet”.
In uw verklaring zegt u: ‘[werknemer] heeft op eigen verzoek en in overleg zwart werk verricht en is hiervoor contant en zwart uitbetaald. Dit was een bewuste keuze van zijn kant, en hij heeft hier op geen enkel moment bezwaar tegen gemaakt. Zijn motivatie hiervoor was zijn financiële situatie, waarbij hij kosten wilde besparen.’
“U vraagt mij wat dit betekent. Dit was op eigen verzoek van [werknemer]. Op een gegeven moment moest hij veel belasting betalen of zoiets, hij had een aanslag gekregen. Er is toen een gesprek geweest tussen hem en [zakenpartner], ik was daar bij en daar heeft [werknemer] gevraagd om minder op papier te verdienen. Als u kijkt naar zijn salaris in het begin en later, dan is het minder geworden om deze reden.”
Aan de getuige wordt productie 10 bij dagvaarding voorgehouden, eerste pagina.
Klopt het dat het hier gaat om 274 uur keer 13 euro min een bedrag dat via de bank is betaald (1950 euro) en een bedrag van 350 euro dat al betaald was, en dat het restant van 1262 euro contant moest worden betaald en dat u vervolgens schrijft ‘i can give you tomorrow’?
“Ja dat klopt. Het overzicht dat [werknemer] stuurt, stuurde hij ook aan [zakenpartner] . Volgens mij hielden zowel [werknemer] als [zakenpartner zijn uren bij. [Zakenpartner] was degene die alles regelde. Als [zakenpartner] er niet was moest ik de betalingen doen. Ik deed niks zonder de goedkeuring van [zakenpartner]. U houdt mij voor dat [werknemer] om 18:02 uur schrijft dat hij 1262 euro krijgt en dat ik drie minuten later akkoord geef, maar wie zegt dat ik niet daarvoor al opdracht van [zakenpartner] heb gekregen om dit te betalen. Ik stuur het bericht dat ik van [werknemer] krijg door aan [zakenpartner] en als hij akkoord geeft dan betaal ik het contant.”
Soms kwam [werknemer] ook geld halen in de winkel van uw zussen. Klopt dat?
“Dat weet ik niet. Ik kan me daar niks van herinneren.”
Kunt u kijken naar productie 10, het bericht van 29 december 2021. Klopt het dat u daar aan [werknemer] schrijft ‘can you take it Friday from my sisters?’
“Ja dat schrijf ik daar, ik kan me dat niet herinneren. Misschien zat ik zelf in het buitenland, meestal was ik met oud en nieuw in het buitenland. Ik kan me dit niet herinneren. Hoe moet ik controleren of die whatsappberichten wel kloppen? Ik kan me die berichten niet herinneren. Hoe weet ik dat er niet mee gesjoemeld is? Nu ik de griffier dit hoor voorlezen, verklaar ik dat ik niet weet of al die cijfertjes kloppen. Als ik die berichten nu lees, kan ik wel zeggen dat het klopt maar ik weet het echt niet meer.
Ik kan mij die bedragen allemaal niet herinneren uit mijn hoofd. Ik heb mijn twijfels of de berichten kloppen.”
U zegt dat [zakenpartner] die bedragen betaalde. Hoe kwam dat geld in de praktijk dan bij u terecht?
“[Zakenpartner] gaf dat aan mij.”
Er zaten soms maar een paar minuten tussen het bericht en het moment van uitbetaling? Hoe verklaart u dat?
“Soms wist ik al om welk bedrag het ging. Ik kan me niet herinneren dat er maar een paar minuten tussen het betalingsverzoek en het moment van uitbetaling hebben gezeten. Waarom zou hij mij moeten appen als hij naast mij zat? [Zakenpartner] liet ook envelopjes achter op kantoor met contant geld erin en daar schreef hij de naam op van [werknemer]. De excellijst die ze gemaakt hadden, zat in de envelop en het geld zat erbij. Het was alleen voor [werknemer], maandelijks.”
Wat bedoelt u met ‘het kantoor’?
“Dit gaat om het kantoor in het magazijn op het adres van [gedaagde 1] en [bedrijf] , dit staat helemaal los van de winkel van mijn zusjes. Dat is een meubelzaak, zij hebben hier niks mee te maken.”
Aan de getuige wordt productie 17 bij de akte voorgehouden.
p. 16 ‘you cab pick up from thr shop’ (28 februari 2022). Kunt u zich dit bericht herinneren?
“Nee.”
p. 30 ‘you can better go to the shop and take from there’ (30 april 2022). Kunt u zich dit herinneren?
“Nee. Het kan zijn dat ik niet in Nederland was en dat [zakenpartner] het geld naar mijn zusjes heeft gebracht want waarom zou ik hem naar de meubelzaak sturen als ik zelf in Nederland ben? U zei net dat uw zussen er niets mee te maken hadden? Ze hadden er niks mee te maken. Ze hebben alleen het envelopje dat [zakenpartner] voor [werknemer] had gebracht, aan hem gegeven. In het magazijn zijn niet zoveel betrouwbare mensen bij wie je geld kan achterlaten.”
Hoeveel mensen werkten er ongeveer bij [gedaagde 1] ?
“Bij [gedaagde 1] 25 tot 30 mensen. Bij [bedrijf] vijftien tot zestien mensen. Dit was in 2023, toen waren we behoorlijk gegroeid. Daarvoor hadden we minder personeel. In 2024 zijn we weer behoorlijk gezakt. Nu ik de griffier mijn verklaring hoor voorlezen, wil ik van ‘envelopjes’ graag enkelvoud maken. Ik wil niet de indruk wekken dat er 10 envelopjes voor [werknemer] lagen, het was er steeds één. Ik kreeg iedere keer een envelopje van [zakenpartner] voor [werknemer]. Dus in een jaar tijd waren dat meerdere envelopjes.”
Werknemer heeft als getuige het volgende verklaard.
Twee getuigen hebben verklaard dat op uw verzoek zwart is uitbetaald. Klopt het dat dit op uw verzoek is gebeurd?
“Nee, dit was niet op mijn verzoek. Tijdens mijn eerste gesprek hebben ze tegen mij gezegd: we gaan een deel via de bank betalen en een deel cash. Met ‘ze’ bedoel ik [voornaam] [gedaagde 3] en [broer]. [Zakenpartner] is pas later in beeld gekomen, ik weet niet meer of dat een aantal dagen, weken of maanden later was. Mijn gesprek begon met [voornaam] [gedaagde 3] , na een paar minuten kwam [broer]erbij. Mijn aanvangssalaris in 2019 was vijf euro per uur en er werd mij gezegd dat ik meer kon verdienen als ik meer zou gaan werken want we hebben veel projecten. Mijn salaris was 1350 euro per maand netto en dat was dus gebaseerd op vijf euro netto per uur. De eerste maand had ik geen schriftelijk contract (oktober 2019), dat kreeg ik pas in november.”
Er werd door de getuige gezegd dat u aanvankelijk meer verdiende op papier en dat dit later minder is geworden, omdat een deel zwart werd betaald, klopt dat?
“Nee, dit klopt niet. In de eerste maanden was mijn salaris 1350 euro netto, daarna werd het
1600 netto en vervolgens 1950 netto.”
Aan de getuige wordt productie 16 bij de akte voorgehouden (exceloverzichten). Wie heeft deze gemaakt?
“Ik. Ik stuurde ze elke maand aan het einde van de maand naar [broer] en [zakenpartner]. Soms stuurde ik ze ook aan [voornaam werkgeefster] als [broer] en [zakenpartner] niet op kantoor waren of in het buitenland. Ik stuurde ze via whatsapp, niet in een groepsapp maar afzonderlijk aan hen. (…).”
Van wie kreeg u contante uitbetalingen?
“Meestal van [broer], soms van de zussen. Ook een paar keer van [zakenpartner], maar hij betaalde meestal via de bank. De bankbetalingen van [gedaagde 1] kwamen via [zakenpartner], ik moest hem iedere maand eraan herinneren dat hij mijn salaris moest betalen. Ik kreeg mijn salaris niet in een envelop maar het werd uitgeteld en aan mij overhandigd, of in het magazijn of in de meubelwinkel. Als in de whatsappberichten ‘shop’ staat, dan gaat het over deze meubelwinkel.”
Hoe wist u waar u moest gaan werken elke dag?
“Elke dag zette [zakenpartner] of [broer] in de teams app waar we moesten gaan werken.(…) . U vraagt mij of ik steeds conform de overzichten van productie 16 betaald ben? Ja, ik ben steeds op basis van die overzichten uitbetaald. Ik vermeldde daarop mijn gewerkte uren, het project, het aantal geplaatste zonnepanelen etc.”
Werknemer is geslaagd in het bewijs dat hij zwart is betaald
De kantonrechter leidt uit de getuigenverklaringen van [gedaagde 3] , haar broer en werknemer af, zoals hiervoor weergegeven, in onderling verband en samenhang bezien, en tegen de achtergrond van de Whatsappberichten en de overzichten uit producties 10, 16, 17 en 18, dat er in de periode voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid aan werknemer contante betalingen zijn gedaan voor werkzaamheden die hij verrichtte voor [gedaagde 1] .
Zoals in het vonnis van 25 april 2025 onder 2.14. is overwogen, eist werknemer in dit verband het bruto equivalent van € 33.048,- netto aan aanvulling op het ziekengeld, een bedrag aan vakantiebijslag van € 2.643,84 en verstrekking van loonspecificaties. Een en ander is gebaseerd op de stelling van werknemer dat hij, voordat hij arbeidsongeschikt raakte, aanzienlijk meer uren werkte voor [gedaagde 1] en dat een deel van zijn loon contant aan hem is uitbetaald.
Die stelling is door werkgeefster in zoverre weersproken, dat er volgens haar helemaal geen contante betalingen zijn gedaan. De door werknemer gestelde hoogte van de contante betalingen en de periode waarover die betalingen zouden zijn gedaan en de eis tot verstrekking van loonspecificaties, zijn door werkgeefster verder niet weersproken. Daarom gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van werknemer op dit punt.
Gelet op wat de getuigen hierover hebben verklaard, heeft de kantonrechter geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de door werknemer overgelegde overzichten van het loon. Als het al zo is dat er bepaalde bedragen op expliciet verzoek van werknemer ‘zwart’ aan hem zijn betaald, zoals werkgeefster stelt, dan ontslaat dit werkgeefster nog niet van de verplichting om in geval van arbeidsongeschiktheid van werknemer rekening te houden met de hoogte van dit loon bij het bepalen van de hoogte van haar loondoorbetalingsverplichting. Overigens heeft werknemer betwist dat het loon op zijn verzoek zwart is uitbetaald, maar voor de uitkomst maakt dit dus niet uit. Dit betekent dat werkgeefster hoofdelijk aan werknemer moet betalen het bruto equivalent van € 33.048,- netto aan aanvulling op zijn ziekengeld. Hiernaast is werkgeefster € 2.643,84 netto aan vakantiebijslag verschuldigd. Werknemer heeft over dit deel van zijn vordering niet ‘het bruto equivalent’ gevorderd. Ter voorkoming van misverstanden merkt de kantonrechter op dat werkgeefster ook over deze betaling belasting en premies moet afdragen.
De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging over het achterstallige loon en de vakantiebijslag tot 20% te beperken, gelet op de financiële en gezondheidssituatie van [gedaagde 3] , die haar onderneming inmiddels volledig heeft gestaakt.
Werkgeefster moet loonspecificaties verstrekken op straffe van een dwangsom
Werkgeefster moet op grond van artikel 7:626 lid 1 BW aan werknemer de loonspecificaties verstrekken van de betalingen van het overwerk in de periode van juli 2021 tot en met juni 2022. Dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of dagdeel dat zij dat nalaat, met een maximum van € 2.000,-. Deze bedragen acht de kantonrechter in overeenstemming met de aard en de omvang van de na te komen verplichting.
Werkgeefster moet de proceskosten dragen
De proceskosten komen voor rekening van werkgeefster, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten vast op € 87,- aan griffierecht en op € 2.598,- (3 punten à € 866,-) aan salaris voor de gemachtigde. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat werknemer met een toevoeging procedeert.
Voor kosten die werknemer maakt na deze uitspraak moet werkgeefster een bedrag betalen van € 144,-. Dat is in totaal € 2.829,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat werknemer dat eist en werkgeefster daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat deze meteen ten uitvoer mogen worden gelegd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt werkgeefster, hoofdelijk, aan werknemer te betalen:
het bruto equivalent van € 33.048,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% over het brutobedrag;
een bedrag van € 2.643,84 netto aan vakantiebijslag over het onder 3.1 genoemde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% over dat bedrag;
veroordeelt werkgeefster, hoofdelijk, aan werknemer te verstrekken de loonspecificaties van de betalingen voor overwerk in de periode van juli 2021 tot en met juni 2022, op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of deel daarvan dat werkgeefster in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000,-;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
73878