ECLI:NL:RBROT:2026:15265

ECLI:NL:RBROT:2026:15265

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL:TZ:2617511:R-RK - NL:TZ:2617512:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Doorverwijzing naar schuldhulpverlenende instantie heeft inmiddels plaatsgevonden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 22 oktober 2026

[verzoekster] ,

wonende te [straatnaam],

[postcode] [woonplaats],

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 1 oktober 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In de oproepingsbrief van deze rechtbank van 1 oktober 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 oktober 2026.

Ter zitting van 19 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:

[bedrijf A] heeft namens de stichting [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting op 15 oktober 2026 aan de rechtbank laten weten dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen. Verweerster heeft verder meegedeeld zich aan het oordeel van de rechtbank te refereren.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij werkzaam is als zelfstandige. Zij heeft een inkomen van circa € 2.000,-- bruto per maand. Daarnaast ontvangt zij maandelijks een bedrag van circa € 400,-- aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de maandelijkse huurtermijnen van € 842,51 per maand te voldoen. De huur over de maand voor de maand oktober 2026 is voldaan op 7 oktober 2026. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huur over de maand oktober 2026 te laat is voldaan, omdat zij afhankelijk is van de betalingen van haar opdrachtgevers. Verzoekster is zich er van bewust dat zij de huur tijdig, dus voor de 1e van de maand, dient te voldoen. Verzoekster heeft meegedeeld dat zij inmiddels een afspraak heeft gehad met het Regionaal Bureau Zelfstandigen (hierna: RBZ). RBZ heeft verzoekster voor hulp bij haar schulden doorverwezen naar Zuidweg en Partners. Verzoekster heeft verklaard dat zij nog geen afspraak heeft gehad. Zuidweg en Partners heeft verzoekster wel telefonisch is toegezegd dat zij verzoekster hulp zullen bieden met haar schuldenproblematiek.

3. Het verweer

Verweerster heeft bij e-mailbericht van 15 oktober 2026 laten weten dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 18 augustus 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 26 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar twee minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 juli 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomsten als zelfstandige van circa € 2.000,-- per maand. Daarnaast ontvangt zij maandelijks een bedrag van € 400,-- per maand aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 842,51 per maand te voldoen. De huur over de maand oktober 2026 is, weliswaar te laat, op 7 oktober 2026 voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard zich er van bewust te zijn dat de lopende huurtermijnen tijdig, dus voor de 1e van de maand moeten zijn voldaan. Voor haar schuldenproblematiek is verzoekster inmiddels doorverwezen naar Zuidweg en Partners. Zuidweg en Partners heeft verzoekster toegezegd haar met haar schuldenproblematiek te zullen helpen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 16 juli 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te ([postcode]) [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf

22 oktober 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Aukema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand