ECLI:NL:RBROT:2026:15266

ECLI:NL:RBROT:2026:15266

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL:TZ:2617552:R-RK – NL:TZ:2617554:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium verzoek toegewezen voor zes maanden. Voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Verzoekers hebben zich gewend tot schuldhulpverlening voor hun schuldenproblematiek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [rekestnummers]

uitspraakdatum: 26 oktober 2026

[verzoeker]

en

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekers.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 1 oktober 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 oktober 2026.

Ter zitting van 19 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 22 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers over te gaan.

Verzoeker is werkzaam als zelfstandige in de bouw. Verzoekster ontvangt een PGB-vergoeding in verband met de zorg voor haar zus. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 862,61 te voldoen. De huur over de maand oktober 2026 is voldaan. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat verzoeker op 27 oktober 2026 een afspraak heeft met Zuidweg en Partners voor hulp bij hun schuldenproblematiek. Verzoekers zijn zich er van bewust dat zij de huur tijdig, voor de 1e van de maand, dienen te voldoen.

3. Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de betalingsachterstand begin 2025 is ontstaan. In juli 2025 zijn verzoekers aangemeld. Verzoekers hebben toen aangegeven dat zij geen hulp nodig hadden. Verweerster heeft diverse malen geprobeerd afspraken met verzoekers te maken. Omdat de huur over de maanden augustus en september 2026 niet is betaald, is de ontruiming opnieuw aangezegd. De huur over de maand oktober 2026 is wel voldaan. De huurachterstand bedraagt op dit moment € 6.710,21. Verweerster wil verzoekers nog een kans geven om aan hun schulden te werken, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 22 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van

20 oktober 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij met hun vier minderjarige kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 22 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker is werkzaam als zelfstandige en verzoekster ontvangt een PGB-vergoeding. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 862,61 per maand te kunnen voldoen. De huur over de maand oktober 2026 is voldaan. Verzoekers hebben zich inmiddels gewend tot Zuidweg en Partners om te werken aan hun schuldenproblematiek. Op 27 oktober 2026 hebben verzoekers een eerste afspraak. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 22 januari 2026 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster op tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf

5 oktober 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Aukema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand