RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 11452256 CV EXPL 24-31803
datum uitspraak: 23 oktober 2026
Herstelvonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats [plaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Bosveld,
tegen
1. [gedaagde 1] v.o.f.,
3 [gedaagde 3] ,
2 [gedaagde 2] BV,
vestigingsplaatsen en woonplaats: [plaats]
gedaagden,
vertegenwoordigd door [gedaagde 3] voornoemd
Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden tezamen ‘werkgeefster’ genoemd.
1. Het verzoek van [eiser]
[eiser] heeft in een brief van 19 augustus 2026 gevraagd om het vonnis van 10 juli 2026 aan te passen. Hij voert aan dat het vonnis een kennelijke fout bevat omdat in punt 3.6 van het vonnis staat dat de proceskosten voor rekening van werkgeefster komen, terwijl in het dictum van dat vonnis geen proceskostenveroordeling is opgenomen.
Bij zijn brief heeft hij het originele vonnis teruggestuurd.
Werkgeefster is gevraagd om op dit verzoek te reageren, maar heeft dat niet gedaan.
2. De beoordeling
De kantonrechter zal het vonnis herstellen, omdat sprake is van een kennelijke fout (artikel 31 Rv).
Het verzoek van [eiser] is terecht. Uit het vonnis blijkt duidelijk dat werkgeefster zal worden veroordeeld in de proceskosten, maar verzuimd is dit onder het dictum te vermelden. In r.o. 3.6 staat ook om welke bedragen dit gaat (€ 87,- griffierecht en € 2.598,- salaris gemachtigde en € 144,- nakosten).
3. De beslissing
De kantonrechter:
bepaalt dat in het vonnis van 10 juli 2026 deze tekst wordt toegevoegd in het dictum na randnummer 4.2:
“4.3 veroordeelt werkgeefster in de proceskosten van in totaal € 2.829,-;
en dat de oorspronkelijke randnummers 4.3 en 4.4 worden hernummerd tot 4.4 en 4.5.
geeft de griffier de opdracht om op het originele vonnis van 10 juli 2026 te vermelden dat het vonnis met dit herstelvonnis is aangepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
37878