ECLI:NL:RBROT:2026:1540

ECLI:NL:RBROT:2026:1540

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer 10-208463-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Uitlevering aan Turkije ter strafvervolging toelaatbaar. Voorbehouden aan de Minister is de beoordeling van de naleving specialiteitsbeginsel bij vervolgingsuitlevering (art. 14 EUV), mede in het licht van art. 11 UW, en van de dreigende inbreuk op fundamentele rechten als bedoeld in art. 3 EVRM De rechtbank brengt in haar advies aan de Minister in overweging om de garantie met betrekking tot het specialiteitsbeginsel nader te bezien en zonodig onderzoek te doen naar de waarborging daarvan, mede in het licht van het verbod op uitlevering met betrekking tot politieke delicten (artikel 3 EUV), gelet op overgelegde stukken. Voorts geeft de rechtbank aan de Minister in overweging om, alvorens het verzoek tot uitlevering in te willigen, van de Turkse autoriteiten garanties te verlangen met betrekking tot de naleving van artikel 6 EVRM en de nodige waarborgen in het kader van artikel 3 EVRM te bevorderen. Ten slotte vraagt de rechtbank aandacht van de Minister voor de lopende asielprocedure in Nederland van de opgeëiste persoon.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

UTL-nummer: UTL-1-2024039277

Parketnummer: 10-208463-25

Datum uitspraak: 27 januari 2026

Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

van Turkse nationaliteit,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,

feitelijke verblijfplaats op het adres: [adres] te ([postcode]) [plaatsnaam],

thans gedetineerd in [detentieadres],

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1. Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij verzoek van 8 januari 2025 met zaaknummer 2024/158 van de voorzitter van de 23e Meervoudige Strafkamer van de Rechtbank Bakirköy, toegezonden bij brief van 9 mei 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 14 juli 2025 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 17 juli 2025 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 13 januari 2026 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

2. Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten omschreven in het voornoemde uitleveringsverzoek en het daarbij gevoegde originele nationale arrestatiebevel van 19 juli 2024, dat is uitgevaardigd door genoemde rechtbank in Turkije.

Het betreft de volgende strafbare feiten:

Van een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

3. Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is, genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

5. Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

Namens de opgeëiste persoon is ontoelaatbaarheid van de uitlevering bepleit wegens ongenoegzaamheid van de stukken. Uit de bevindingen van een Turkse advocaat die het onderliggende Turkse strafdossier van de opgeëiste persoon ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zou hebben ingezien, blijkt immers dat het strafdossier is gebaseerd op aannames en indirecte aanwijzingen en dat de stukken uit Turkije waarop het uitleveringsverzoek berust, daarom onjuist en misleidend zijn. Namens de opgeëiste persoon is verzocht om daarom de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek vormt het zogeheten vertrouwensbeginsel (in de meeste gevallen) het uitgangspunt. Dit vertrouwensbeginsel houdt – onder meer – in dat Nederland, en dus ook de Nederlandse rechter, in beginsel erop vertrouwt dat de informatie die de verzoekende staat verstrekt in het kader van het uitleveringsverzoek juist is. Het is in de uitleveringsprocedure daarom niet aan de rechter om te toetsen of die verdenking gegrond is.

Uit het onderhavige uitleveringsverzoek blijkt verder dat de stukken tot staving van het uitleveringsverzoek voldoen aan de in artikel 12, tweede lid, van het EUV neergelegde vereisten. In het kader van het gevoerde verweer merkt de rechtbank op dat voldoende is gebleken op basis waarvan en voor welke strafbare feiten de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht.

De rechtbank concludeert dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en verwerpt gelet hierop het verweer van de raadsman.

6. Inhoudelijke beoordeling en bespreking verweer

Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.

Ook naar Nederlands recht zijn deze feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:

moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht;

poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Standpunt opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Uit de bevindingen van een Turkse advocaat, die het onderliggende Turkse strafdossier van de opgeëiste persoon ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zou hebben ingezien, blijkt immers dat het strafdossier is gebaseerd op aannames en indirecte aanwijzingen, dat concrete, objectieve en

overtuigende bewijzen voor zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten ontbreken en dat de stukken uit Turkije waarop het uitleveringsverzoek berust, daarom onjuist en misleidend zijn. Namens de opgeëiste persoon is verzocht om daarom de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Beoordeling

Een onschuldbewering zal alleen dan opgaan indien de rechtbank onverwijld — dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf — tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (zie onder meer HR 15 december 1998, ECLI:NL(P)HR:1998:ZD1298). De rechtbank is van oordeel dat de door de opgeëiste persoon gestelde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat hij onverwijld zijn onschuld kan aantonen. Hiervoor is diepgaand onderzoek nodig van de stukken waarop het Uitleveringsverzoek berust. Dit is aan de Turkse feitenrechter.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Vervolging wegens een politiek delict

Standpunt opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de vervolging van de opgeëiste persoon, hoewel het uitleveringsverzoek ziet op commune delicten, is ingegeven door politieke motieven. Uit de door de verdediging vertaalde en overgelegde stukken, blijkt dat thans ook (minimaal) twee strafrechtelijke onderzoeken naar de opgeëiste persoon lopen voor belediging van de president Erdoğan en belediging van de Turkse natie/republiek. Turkije heeft in het uitleveringsverzoek niet vermeld dat de opgeëiste persoon tevens wordt vervolgd voor deze politieke zaken, terwijl de arrestatiebevelen in die zaken al langere tijd aan de orde waren. Dit zijn feiten waarvoor Nederland niet zal kunnen uitleveren, hetgeen met zich brengt dat er een risico is dat het specialiteitsbeginsel mogelijk niet wordt gewaarborgd als hij voor de verzochte commune feiten wordt uitgeleverd. Namens de opgeëiste persoon is verzocht om daarom de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Beoordeling

Op grond van artikel 11 van de Uitleveringswet (verder te noemen: UW) vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. De feiten waarvoor de uitlevering is verzocht betreffen commune feiten, die ook in Nederland strafbaar zijn, en geen politieke delicten. In dit kader is van belang dat de Turkse autoriteiten in het uitleveringsverzoek de garantie hebben gegeven dat zij zich na uitlevering van de opgeëiste persoon bij de vervolging zullen beperken tot de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan. De beoordeling of de naleving van het specialiteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EUV met deze garantie is gewaarborgd, is voorbehouden aan de Minister en kan niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering. Gelet op wat is aangevoerd, ziet de rechtbank wel aanleiding de Minister te adviseren de door de Turkse autoriteiten gegeven garantie met betrekking tot het specialiteitsbeginsel mede tegen deze achtergrond nader te bezien en zo nodig nader onderzoek te doen naar de waarborging van het specialiteitsbeginsel (zoals neergelegd in artikel 14 EUV).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) en het verbod op folteringen en onmenselijke behandeling (artikel 3 EVRM); asielprocedure.

Standpunt opgeëiste persoon

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon na uitlevering geen eerlijk proces (zoals neergelegd in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder te noemen: EVRM) te wachten staat in Turkije in het algemeen en in het bijzonder omdat de opgeëiste persoon HDP-sympathisant is, hij een Koerdische en Alevitische achtergrond heeft en politieke activiteiten heeft verricht, waardoor er nu in Turkije diverse politiek ingestoken beledigingszaken tegen hem lopen.

De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op diverse openbare bronnen en het Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van februari 2025, waaruit blijkt dat de rechtsstaat in Turkije onder druk staat en dat politieke invloed op de rechterlijke macht zich op verschillende manieren manifesteert. Er bestaan duidelijke zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het recht op een eerlijk proces in Turkije, in het bijzonder voor etnische en religieuze minderheden en politieke tegenstanders van de Turkse regering, waartoe de opgeëiste persoon behoort. Daarnaast heeft de raadsman ter onderbouwing gewezen op vertaalde en overgelegde stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in meerdere strafzaken wordt vervolgd voor politieke delicten. Ook zijn (politieke) activiteiten van de opgeëiste persoon als bestuurslid van een Alevistische vereniging geregistreerd bij het Bureau Opsporingsonderzoek inzake Terreur en Georganiseerde Misdaad. Gelet op deze omstandigheden heeft de opgeëiste persoon asiel aangevraagd in Nederland, waarvan de procedure thans nog loopt.

Mede gelet hierop heeft de raadsman tevens aangevoerd dat de opgeëiste persoon als politiek geprofileerde opposant van de Turkse regering bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Hij vreest voor zijn leven en stelt dat hij bij terugkeer ernstig zal worden mishandeld. Ook wijst de raadsman op openbare bronnen ten aanzien van de zorgelijke omstandigheden in Turkse gevangenissen en waarin melding wordt gemaakt van mensenrechtenschendingen.

Namens de opgeëiste persoon is verzocht om daarom de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Beoordeling

Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Ook is er sprake van een bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en, zo ja, onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan.

De rechtbank stelt vast dat het verweer ziet op een dreigende (flagrante) schending van de artikelen 6 en 3 EVRM.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) inzake deze bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken is de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon bij inwilliging van het uitleveringsverzoek zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer de artikel 6 EVRM in beginsel voorbehouden aan de Minister, tenzij vast staat dat tegen een vastgestelde dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat zoals bedoeld in artikel 13 EVRM. In dat geval is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

In het kader van het recht op een eerlijk proces overweegt de rechtbank dat het beroep van de raadsman op de algemene zorgwekkende situatie van de rechtstaat in Turkije daarvoor niet voldoende is en dat de stukken waarnaar de raadsman heeft verwezen onvoldoende duidelijk maken waarom voor specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces zal worden geschonden bij de strafvervolging wegens de commune delicten (moord, poging tot moord en voorhanden hebben van een vuurwapen) die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek. Het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toegekend recht is daarom onvoldoende onderbouwd.

In het kader van het verbod op foltering en onmenselijke behandelingen overweegt de rechtbank dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd ten aanzien van het risico dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan Turkije in strijd met artikel 3 EVRM zal worden behandeld, niet kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering door de uitleveringsrechter. De beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in artikel 3 is voorbehouden aan de Minister.

Voor zover de raadsman er in algemene zin op heeft gewezen dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije onder druk staan, is er aanleiding om de zorgen hierover in algemene zin te delen (zie advies in paragraaf 8 hierna). Dit maakt evenwel niet dat moet worden geconcludeerd dat er in het individuele geval van de opgeëiste persoon geen effectief rechtsmiddel is (in het geval zijn fundamentele rechten neergelegd in het EVRM zouden worden geschonden) en kan niet leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het feit dat een persoon onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag valt, voor de uitleveringsrechter eveneens geen grond kan bieden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Gelet op voornoemde bevoegdheidsverdeling behoort het oordeel of een opgeëiste persoon te vrezen heeft voor discriminatoire vervolging (zoals vervolging van religieuze minderheden of in verband met een politieke overtuiging) in de verzoekende staat tot de competentie van de Minister (artikel 10 respectievelijk 11 UW). Bij dat oordeel zal de Minister de (eventuele) vluchtelingenstatus van de opgeëiste persoon kunnen betrekken.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

8. Advies aan de Minister

Standpunt opgeëiste persoon

Voor het geval de rechtbank de uitlevering toelaatbaar zou verklaren, heeft de raadsman verzocht de Minister te adviseren de uitlevering te weigeren, gelet op weigeringsgronden (artikel 10 en 11 UW), het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) en het verbod op foltering en onmenselijke behandeling (artikel 3 EVRM).

Beoordeling

Het is aan de Minister om te beoordelen of na uitlevering mogelijk sprake zal zijn van een dreigende schending van de artikelen 3, 6 of 10 van het EVRM. Van vervolging op grond van artikel 11 UW is geen sprake. Er bestaan niettemin zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije en de naleving van haar verplichtingen op grond van het EVRM en de EUV. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende ten behoeve van haar advies aan de Minister.

Artikel 3 EUV

De rechtbank heeft gelezen dat in het uitleveringsverzoek de garantie wordt gegeven dat de strafbare feiten waarover de opgeëiste persoon zal worden berecht, niet van politieke, militaire of financiële aard zijn. Ook is niet gebleken dat de vervolging van de opgeëiste persoon voor de commune delicten, die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek, is ingegeven door politieke motieven.

De rechtbank zal echter in haar advies aan de Minister aandacht vragen voor de namens de opgeëiste persoon vertaalde en overgelegde stukken. Het gaat om verzoeken van de Turkse officier van justitie (gedateerd 4 januari 2024 respectievelijk 14 december 2023) gericht aan het Turkse Ministerie van Justitie tot het verkrijgen van toestemming tot vervolging van de opgeëiste persoon voor het beledigen van de president Erdoğan (pleegperiode: 1 december 2022 tot en met 3 december 2023) en de Turkse natie/republiek (pleegperiode: in het jaar 2023). Daarnaast gaat het om een (vertaalde) registratie bij het Bureau Opsporingsonderzoek inzake Terreur en Georganiseerde Misdaad (gedateerd 14 februari 2024). Daarin worden activiteiten uiteen gezet van de opgeëiste persoon als bestuurslid van de vereniging die opkomt voor de belangen van aanhangers van het Alevitische geloof, waaronder het bijwonen van bijeenkomsten en demonstraties.

De rechtbank zal in haar brief de Minister in overweging geven om de door de Turkse autoriteiten gegeven garantie met betrekking tot het specialiteitsbeginsel, zoals geformuleerd in het uitleveringsverzoek, mede tegen de achtergrond van de voornoemde namens de opgeëiste persoon overgelegde stukken nader te bezien en zo nodig nader onderzoek te doen naar de waarborging van het specialiteitsbeginsel (als bedoeld in artikel 14 EUV) in het licht van het verbod op uitlevering met betrekking tot politieke delicten (artikel 3 EUV).

Artikel 6 EVRM

De rechtbank zal in haar advies aan de Minister ook aandacht vragen voor de in Nederland uit artikel 1 EVRM voortvloeiende verplichtingen en de gegrondverklaring door het EHRM van vele tegen Turkije ingediende klachten over de naleving van artikel 6 EVRM. Ook blijkt uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gedateerd februari 2025, dat Turkije sommige uitspraken van het EHRM naast zich neer heeft gelegd. In het bijzonder zal aandacht worden gevraagd voor het beroep op een dreigende schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank geeft in overweging om van Turkije garanties te verlangen met betrekking tot de naleving van artikel 6 EVRM - met name wat betreft de realisering van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon - alvorens het verzoek tot uitlevering in te willigen.

Artikel 3 EVRM

De rechtbank zal in haar advies aan de Minister tevens aandacht vragen voor de situatie van de opgeëiste persoon, zoals die blijkt uit de door de opgeëiste persoon vertaalde en overgelegde stukken van de Culturele Vereniging Pir Sultan Abdal (PSAKD) in Turkije, die de belangen van de Alevitische gemeenschap behartigen en vanuit dat kader ook politieke activiteiten ondernemen. De opgeëiste persoon is bestuurslid van deze vereniging en heeft als zodanig de aandacht getrokken van de Turkse openbaar ministerie, kennelijk in het kader van terreur en georganiseerde misdaad, zoals blijkt uit de voornoemde registratie bij het Bureau Opsporingsonderzoek inzake Terreur en Georganiseerde Misdaad. In dit kader overweegt de rechtbank dat uit het voornoemd Algemeen ambtsbericht Turkije blijkt dat de detentieomstandigheden in Turkije slecht zijn, mede vanwege overbevolking, en dat meldingen worden gemaakt van mensenrechtenschendingen (mishandeling en foltering) in Turkse detentiecentra. Meldingen hierover van burgers worden behandeld door het Turkse Instituut voor Mensenrechten en Gelijkheid, maar er zijn signalen dat geen meldingen in behandeling werden genomen van onder meer etnische en religieuze minderheden, zoals de Koerden en de Alevieten; groepen waartoe de opgeëiste persoon zegt te behoren.

De rechtbank zal in haar advies aan de Minister daarom in overweging geven om

in overleg met de autoriteiten van de verzoekende Staat te bevorderen dat op dit punt, alvorens de gevraagde uitlevering toe te staan, de nodige waarborgen worden geschapen.

Asielprocedure

Ten slotte merkt de rechtbank op dat naast de onderhavige uitleveringsprocedure de opgeëiste persoon in Nederland asiel heeft aangevraagd op grond van de strafrechtelijke vervolging die het Turkse openbaar ministerie tegen hem heeft ingesteld voor politieke delicten. De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de aanvraag is afgewezen, wegens het ontbreken van originele stukken ter onderbouwing van de asielaanvraag. De opgeëiste persoon heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing en de originele stukken zijn inmiddels gevoegd in het asieldossier. De rechtbank zal in haar advies aan de Minister daarom aandacht vragen voor de asielprocedure van de opgeëiste persoon.

9. Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op

de artikelen 1 en 2 van het EUV,

de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Turkije van [verdachte], geboren

op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek en het daarbij gevoegde arrestatiebevel.

Deze beslissing is genomen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

mrs. F. Wegman en S. Zuidwijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.

De voorzitter is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Bade

Griffier

  • mr. I.C.M.A. Bals

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?