ECLI:NL:RBROT:2026:1558

ECLI:NL:RBROT:2026:1558

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer C/10/712577 / JE RK 25-2705
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/712577 / JE RK 25-2705

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum 3] 2012 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] ,

[minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedatum 4] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 4] ,

[minderjarige 5] ,

geboren op [geboortedatum 5] 2020 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 5] ,

[minderjarige 6] ,

geboren op [geboortedatum 6] 2024 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 6] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, ten tijde van indiening van het verzoek ingeschreven te [woonplaats] , thans uitgeschreven en verblijvende te Syrië,

[naam man] ,

hierna te noemen: de vader, ingeschreven in [woonplaats] ,

advocaat mr. J.C. Herrewijnen, kantoorhoudende te Rotterdam.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 29 december 2025, ontvangen op 30 december 2025;

- het aanvullend raadsrapport van 29 januari 2026, ontvangen op 30 januari 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;

- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, hierna: de [persoon B] .

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben geen mening gegeven. Zij waren ook niet bereikbaar op het door de Raad aan de rechtbank doorgegeven telefoonnummer.

Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Arabisch Syrische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. D. Farhat, tolk in de Arabisch Syrische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 4] , [voornaam minderjarige 5] en [voornaam minderjarige 6] .

[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 4] , [voornaam minderjarige 5] en [voornaam minderjarige 6] verblijven met de moeder in Syrië.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 4] , [voornaam minderjarige 5] en [voornaam minderjarige 6] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het gezin [achternaam] bestaat uit zes kinderen. Vorig jaar heeft een van de kinderen meerdere malen aan de bel getrokken wegens geweld van de vader richting de kinderen. De politie heeft destijds blauwe plekken en krassen gezien bij de kinderen en geconstateerd dat de kinderen de indruk wekken bang te zijn voor de vader. De moeder lijkt de kinderen hierin niet te kunnen beschermen. De moeder bagatelliseert de problematiek van het gezin en de vader ontkent de problematiek volledig. De kinderen verkeren in een onveilige situatie. De vader heeft in 2025 vanwege een verdenking van het plegen van geweld in de huiselijke sfeer in voorlopige hechtenis gezeten en heeft nu als schorsingsvoorwaarde een contactverbod met de moeder en de kinderen. Per 5 januari 2026 zijn de kinderen en de moeder uitgeschreven in Nederland. De moeder zou met de kinderen tijdens de kerstvakantie naar Syrië gaan en weer terugkeren naar Nederland, maar de moeder is daar nog steeds met de kinderen. De moeder geeft bij de Raad aan niet terug naar Nederland te komen. Veilig Thuis heeft een melding ontvangen waaruit lijkt te volgen dat de kinderen tegen hun wil in Syrië verblijven. De Raad is van mening dat Syrië op dit moment een zeer onveilig land is. Het is onduidelijk óf en wanneer de kinderen terugkomen naar Nederland. Het is voor de Raad wegens het ontbreken van diplomatieke wegen niet mogelijk om te controleren hoe het met de kinderen gaat. De Raad vindt het daarom belangrijk dat in het kader van een ondertoezichtstelling door de GI een vinger aan de pols wordt gehouden. De Raad hoopt dat de GI, zodra er diplomatieke wegen zijn, kan controleren hoe het met de kinderen gaat en of zij mogelijk naar Nederland kunnen worden terug begeleid. Als de kinderen terug zijn in Nederland kan direct hulp worden ingezet.

4. De standpunten

De GI voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de Raad. De GI kan zich vinden in het oorspronkelijke verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen, in de situatie dat de kinderen nog met de moeder in Nederland waren. Gezien de ontwikkelingen van de afgelopen periode, en de feitelijke omstandigheid dat de moeder zich tezamen met de kinderen in Syrië bevindt, kan de GI niet langer staan achter het verzoek van de Raad. De ontwikkelingsbedreiging van de kinderen lijkt met name gelegen in de contacten met de vader. De vader is momenteel niet in beeld bij de kinderen. Aan de andere kant zet de GI vraagtekens bij de mogelijkheid om de ondertoezichtstelling uit te voeren nu de moeder en de kinderen in Syrië verblijven. Het is voor de GI zo goed als onhaalbaar om de ondertoezichtstelling op deze manier uit te voeren. Bovendien gelden in Syrië andere normen en waarden dan in Nederland, wat maakt dat het lastig is om een inschatting van de opvoedsituatie te maken.

Door en namens de vader wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Volgens de vader zijn veel feiten uit het rapport van de Raad onjuist. Zo klopt het niet dat de vader geen contact mag hebben met de kinderen. Het contactverbod van de vader geldt enkel ten opzichte van de moeder. Ook blijkt dat de kinderen genuanceerder aankijken tegen het geweld van de vader dan dat de Raad doet voorkomen. Het is belangrijk om niet zomaar informatie voor waar aan te nemen. De vader is bereid om aan alle vormen van hulpverlening mee te werken. Hulpverlening van Fivoor, dat aan de vader is opgelegd als schorsingsvoorwaarde, is echter nooit van de grond gekomen. De moeder en de kinderen zijn tegen de zin van de vader in, vertrokken naar Syrië. De vader heeft desgevraagd geen aangifte gedaan van onttrekking aan het gezag. De vader wil graag contact met zijn gezin. De vader zou het liefst zien dat de kinderen weer terugkomen naar Nederland en hier opgroeien, maar zonder bemoeienis van instanties. Volgens de vader is een feitelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling op dit moment niet mogelijk. Gelet op de huidige situatie en gelet op het standpunt van de GI, is er geen grond voor de ondertoezichtstelling. Momenteel is er geen acute vrees voor de veiligheid van de kinderen bij de moeder.

5. De beoordeling

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting overweegt de kinderrechter het volgende.

De zorgen over de opvoedsituatie zoals die in het raadsrapport van 27 december 2025 naar voren komen, zijn in essentie terug te voeren op de opvoedvaardigheden van de vader en de rol die hij binnen het gezin inneemt. Volgens de Raad is sprake van structurele onveiligheid en onvoorspelbaarheid, waarbij de kinderen mogelijk getuige en/of slachtoffer zijn van huiselijk geweld vanuit de vader richting de kinderen. De vader zou fysiek en verbaal geweld gebruiken in de opvoeding van de kinderen. De vader ontkent elke vorm van geweld richting zijn kinderen. De moeder zou de zorgen bagatelliseren en zich in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de vader bevinden. De vader heeft vorig jaar in voorlopige hechtenis gezeten omdat hij wordt verdacht van het plegen van huiselijk geweld. De strafzaak is nog niet behandeld. De vader is momenteel geschorst en dient zich in dat kader te onthouden van contact met in elk geval de moeder.

De moeder is momenteel met de kinderen in Syrië. De moeder zou daar met de kinderen op familiebezoek gaan en na de kerstvakantie terugkomen, maar dat heeft zij niet gedaan. Het is onbekend of en wanneer de moeder en de kinderen uit Syrië zullen terugkeren. De moeder en de kinderen zijn inmiddels uitgeschreven in Nederland, hetgeen doet vermoeden dat zij niet op korte termijn zullen terugkeren.

De Raad maakt zich er zorgen over dat de moeder met de kinderen in Syrië is, omdat Syrië een zeer onveilig land zou zijn en de Raad naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis het sterke vermoeden heeft dat de kinderen tegen hun wil daar verblijven. Ter zitting is besproken of bij de Raad meer bekend is over de melding en of daar nader onderzoek naar is gedaan, maar dat bleek (nog) niet het geval. De raadsonderzoeker heeft wel [voornaam minderjarige 1] , de oudste dochter van het gezin, telefonisch gesproken op 23 januari jl. Zij heeft toen aangegeven dat zij het naar haar zin heeft in Syrië, dat ze bij opa en oma in huis wonen en dat alle kinderen daar naar school gaan.

Alle omstandigheden in ogenschouw genomen is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen, dient te worden afgewezen. De grootste zorgen zijn er als de vader bij de moeder en de kinderen is. Dat is nu niet het geval. De kinderen zijn bij de moeder. Daarmee is de grootste bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen voor nu, en naar het zich laat aanzien voorlopig, naar de achtergrond geraakt. De Raad heeft ter zitting toegelicht een ondertoezichtstelling desondanks nog wel noodzakelijk te achten, zodat de GI kan bezien of een terug geleiding van de kinderen naar Nederland mogelijk is en om een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter is van oordeel dat er over de situatie van de kinderen in Syrië te weinig duidelijkheid is om te kunnen concluderen dat met het verblijf aldaar de gronden voor een ondertoezichtstelling zijn gegeven. Daar komt bij dat de GI heeft aangegeven geen uitvoering te kunnen geven aan een ondertoezichtstelling op de wijze zoals de Raad voor ogen heeft. Het is zorgelijk dat de Raad nu niet kan controleren hoe het met de kinderen gaat, omdat Syrië niet is aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag en Nederland op dit moment met Syrië geen diplomatieke betrekking onderhoudt. Dat is echter een leemte die niet door de inzet van de jeugdbescherming in het kader van een ondertoezichtstelling kan worden opgevuld. Hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling kan nodig zijn op het moment dat de moeder met de kinderen weer terugkeert in Nederland. De Raad kan in dat geval opnieuw een ondertoezichtstelling verzoeken.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast zou een ondertoezichtstelling in deze situatie niet doelmatig zijn. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 4] , [voornaam minderjarige 5] en [voornaam minderjarige 6] afwijzen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de Raad af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.N. Laurensse als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?