RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713691 / KG ZA 26-62
Vonnis in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
[naam man] ,
wonende in [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A. Kaynak,
tegen
[naam vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S. Kara.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
De zaak in het kort
Tussen partijen loopt een echtscheidingsprocedure. De rechtbank heeft eerder bepaald dat de vrouw samen met de twee minderjarige kinderen voorlopig in de echtelijke woning mag blijven wonen en dat de man aan de vrouw kinderalimentatie moet betalen. De man zegt dat hij dit en de hypotheeklasten niet meer kan betalen. Hij vordert daarom, vooruitlopend op de uitkomst van de echtscheidingsprocedure, dat de woning wordt verkocht en de vrouw samen met de kinderen de woning dus moet verlaten. In dit vonnis wijst de voorzieningenrechter die vordering af. De tegenvordering van de vrouw, inhoudende dat de man de zorgregeling met de kinderen moet nakomen, wordt wel toegewezen.
1. De procedure
2. De feiten
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 5,
- producties 6 tot en met 12 van de vrouw,
Partijen zijn met elkaar gehuwd. De vrouw heeft in september 2025 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De mondelinge behandeling van het verzoek staat gepland op 18 maart 2026.
Bij beschikking van 31 december 2025 heeft deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening (onder meer) het volgende bepaald of opgenomen:
de vrouw zal bij uitsluiting gerechtigd zijn tot het gebruik van de echtelijke woning,
de twee minderjarige kinderen worden aan de vrouw toevertrouwd en de man zal aan de vrouw € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie betalen,
partijen hebben een voorlopige zorgregeling getroffen, waarbij de man de kinderen iedere maandag uit school tot na het eten bij zich zal hebben en op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur.
De man heeft de echtelijke woning in september 2025 verlaten.
3. Het geschil
De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.
primair:
I. de man op grond van artikel 3:174 BW te machtigen om de woning te gelde te maken door verkoop aan een derde tegen een marktconforme prijs, via een door de man aan te wijzen NVM-makelaar,
II. te bepalen dat de man bevoegd is al datgene te verrichten wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning, waaronder begrepen het verstrekken en ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar, het vaststellen van de vraagprijs in overleg met de makelaar, het accepteren van een marktconform bod, het ondertekenen van de koopovereenkomst en het verlenen van medewerking aan de notariële levering,
III. te bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de verkoop en levering van de woning vereiste toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw,
IV. te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst van de woning, na aflossing van de hypotheek en betaling van de verkoopkosten, door de notaris bij helfte aan partijen zal worden uitgekeerd, althans door de notaris in depot zal worden gehouden totdat partijen daarover in de echtscheidingsprocedure of bij afzonderlijke overeenkomst nadere afspraken hebben gemaakt waarbij de mogelijkheid zal worden gegeven dat in ieder geval een deel van de overwaarde aan partijen uitgekeerd zal worden,
subsidiair:
V. de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waaronder begrepen het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar, het verlenen van toegang tot de woning ten behoeve van bezichtigingen, het meewerken aan het vaststellen van een marktconforme vraagprijs, het ondertekenen van de koopovereenkomst en het verlenen van medewerking aan de notariële levering, op straffe van een dwangsom,
primair en subsidiair:
VI. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
In reconventie vordert de vrouw om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de man te bevelen om de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 31 december 2025 na te komen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
4. De beoordeling
De vordering in conventie: machtiging tot verkoop van de woning
De man stelt het volgende. Sinds de man de woning in september 2025 heeft verlaten, heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats en zwerft hij van adres naar adres. Omdat hij zijn werkzaamheden in de beveiligingsbranche niet meer kan uitoefenen (zijn beveiligingspas en vergunning is ingetrokken vanwege een aangifte van de vrouw), is hij aangewezen op werk op oproepbasis die iedere vorm van structuur of inkomenszekerheid ontbeert. Hij kan de alimentatieverplichting niet voldoen en de betalingsachterstand loopt met de maand op. De vrouw blijft de helft van de hypotheeklasten betalen, terwijl de man geen draagkracht heeft om de andere helft te betalen. Zolang de woning niet wordt verkocht, blijft de man hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek en bouwt hij verder schulden op. De man kan niet meer wachten tot de vrouw een andere woning heeft gevonden. Verkoop is ook in het belang van de vrouw, omdat zij met haar aandeel in de overwaarde van de woning in staat is een andere woning te vinden. De man heeft nu een spoedeisend belang bij de verkoop van de woning. De man beseft dat dit ingrijpend is, ook voor de kinderen, maar hij heeft niet de financiële ruimte om de eindbeschikking in de echtscheidingsprocedure af te wachten.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af en licht dat hierna toe.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 31 december 2025 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van in totaal € 332,- per maand. In de beschikking (r.o. 3.5.30) is overwogen dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening is gehouden met de op de zitting van 17 december 2025 tussen partijen gemaakte afspraak dat de man de helft van de hypotheek van de echtelijke woning van € 350,- per maand zal blijven voldoen.
Indien de man meent dat hij financieel niet meer kan voldoen aan de door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen en de echtscheidingsprocedure niet meer kan afwachten, en dat er daarmee sprake is van een spoedeisend belang, dan is het aan de man om dat te stellen en te onderbouwen.
De man heeft echter nauwelijks inzicht verschaft in zijn financiële situatie. Hij stelt wel dat hij de hypotheeklasten en de kinderalimentatie niet meer kan betalen en dat zijn schulden verder oplopen, maar hij heeft geen financiële documenten in het geding gebracht waaruit zijn totale inkomsten en uitgaven blijken. Wel heeft de man een rekeningoverzicht van uitgaven van zijn creditcard overgelegd en stelt hij daarbij dat hij een creditcard heeft moeten aanschaffen omdat hij niet meer tijdig aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen en daardoor nu een schuld heeft van € 5.023,43 aan creditcard-uitgaven. Ook heeft hij bankafschriften van de gezamenlijke rekening van partijen overgelegd waaruit volgens de man blijkt dat hij bij onder meer familieleden diverse leningen is aangegaan. Deze documenten zijn echter onvoldoende om een compleet beeld te krijgen van zijn financiële situatie. Integendeel, de door de man overgelegde documenten roepen juist vragen op.
Zo stelt de man dat hij vaak moet werken op oproepbasis om rond te komen en dat hij daarom de (hierna te bespreken) zorgregeling niet kan nakomen. De vrouw heeft er echter terecht op gewezen dat het salaris dat hij uit dat werk verdient niet terug is te zien op de overgelegde bankafschriften en ook de creditcarduitgaven van de man zijn niet van de gezamenlijke bankrekening van partijen afgeschreven. Dit doet vermoeden dat de man over een alternatieve inkomstenstroom en een andere betaalrekening beschikt. De vrouw heeft in dit verband een screenshot overgelegd van een volgens haar door de man verzonden Tikkie vanaf rekeningnummer [rekeningnummer] . Zij heeft daarbij het vermoeden uitgesproken dat de man zijn huidige inkomsten op dit rekeningnummer ontvangt. Volgens de man is dit niet zijn bankrekening maar die van een vriend, heeft de man een Tikkie verstuurd omdat deze vriend sigaretten voor hem had gekocht en blijkt nergens uit dat dit rekeningnummer aan de man toebehoort. Nog daargelaten dat het meer voor de hand lag dat deze vriend dan een Tikkie aan de man zou hebben verstuurd (en niet andersom), neemt dit verweer van de man de gerezen twijfel over zijn daadwerkelijke inkomsten niet weg.
Ook het uitgavenpatroon van de man roept vragen op. Zo heeft de vrouw een screenshot van de mailbox van de man overgelegd waaruit blijkt dat hij een vliegticket van € 1.010,06 (exclusief bijkomende kosten) naar de Verenigde Staten heeft geboekt en verder heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de man in juli 2025 en in december 2025 op vakantie is geweest in Turkije. De man heeft tijdens de zitting verklaard dat de vlucht naar de Verenigde Staten niet door is gegaan omdat hij vanwege een vakantie van de vrouw op de kinderen moest passen, maar dat neemt niet weg dat de man kennelijk financieel wel in staat was om zich een prijzig vliegticket naar de Verenigde Staten en twee vakanties in Turkije te veroorloven. Verder blijkt uit het creditcardoverzicht dat de man op 18 december, 19 december en 22 december 2025 kasopnames heeft gedaan van respectievelijk € 750 en twee maal € 1.000 heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit het creditcardoverzicht en uit de afschriften van de gezamenlijke bankrekening van partijen dat de man in de afgelopen maanden regelmatig luxe-uitgaven heeft gedaan (zoals Gamestate De Kuip, snackbar, Holland Barrett, Mediamarkt, Sport- en Partycentrum De Kegel, regelmatige parkeer- en tankkosten). Dit alles strookt niet met de stelling van de man dat hij zijn betalingsverplichtingen niet kan nakomen vanwege een gebrek aan financiële middelen. De luxe-uitgaven van de man lijken het bestaan van een alternatieve inkomstenstroom alleen maar te bevestigen.
Tot slot heeft de vrouw betwist dat de man, zoals hij stelt, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en van adres naar adres zwerft. Volgens de vrouw woont de man bij zijn nieuwe vriendin in Amsterdam. De advocaat van de man heeft op de zitting verklaard dat de man soms bij vrienden, soms bij zijn vriendin in Amsterdam en soms in zijn auto verblijft. Echter, gelet op de vele alledaagse uitgaven (met name aan boodschappen) die de man bijna dagelijks in of rondom Amsterdam heeft gedaan (zo blijkt uit het creditcardoverzicht en de bankafschriften), heeft het er alle schijn van dat de man bij zijn nieuwe vriendin in Amsterdam is gaan wonen. Weliswaar zegt dit niet alles over de financiën van de man (zij het dat hij mogelijk geen woonlasten hoeft te betalen althans deze kan delen met zijn nieuwe partner), maar het leidt wel tot het, voorlopige, oordeel dat de man in deze procedure geen volledige opening van zaken heeft gegeven over zijn persoonlijke (financiële) situatie.
Gezien het voorgaande heeft de man zijn stelling dat zijn financiële situatie dermate nijpend is dat met betrekking tot de verkoop van de echtelijke woning niet langer gewacht kan worden op de uitkomst van de echtscheidingsprocedure, en hij dus een spoedeisend belang heeft, onvoldoende onderbouwd.
Bovendien wordt het in het belang van de kinderen geacht dat zij in ieder geval in de echtelijke woning kunnen blijven wonen totdat er in de echtscheidingsprocedure een eindbeslissing is gegeven over de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap in het algemeen en de echtelijke woning in het bijzonder. Daar komt nog bij dat met de huidige krapte op de woningmarkt een urgentieverklaring niet meer per definitie verleend wordt bij echtscheidingen en de kans op het vinden van een geschikte woning op korte termijn dus niet bijzonder groot is. Het is aan de rechter in de echtscheidingsprocedure om daar, indien dan nog aan de orde, verdere beslissingen over te nemen.
Gelet op dit alles worden de vorderingen van de man, zowel in de primaire als in de subsidiaire variant, afgewezen.
De vordering in reconventie: nakoming van de zorgregeling
De vrouw stelt dat de man de voorlopige zorgregeling, die hij zelf tijdens de zitting op 17 december 2025 heeft voorgesteld, zonder enig voorafgaand bericht of overleg structureel niet nakomt. De man geeft telkens aan dat hij geen uitvoering kan geven aan de zorgregeling omdat hij moet werken, terwijl het in het belang is van de kinderen dat de zorgregeling wordt nageleefd.
De man heeft betwist dat hij de zorgregeling structureel niet nakomt. Zo heeft hij de kinderen het weekend en de dag vóór de mondelinge behandeling van deze kortgedingprocedure nog bij zich gehad. Echter, de man heeft tijdens de mondelinge behandeling óók verklaard dat hij steeds naar vermogen invulling probeert te geven aan het contact met zijn kinderen, dat dit contact niet altijd exact conform de vastgestelde regeling is verlopen en dat de oorzaak daarvan is gelegen in de omstandigheid dat hij vaak moet werken op oproepbasis. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man daarmee, ondanks zijn formele betwisting, min of meer erkend (of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd betwist) dat hij de zorgregeling met de kinderen niet exact is nagekomen. Verder heeft de man niet weersproken dat hij de huidige voorlopige zorgregeling zelf heeft voorgesteld. De man kan de vrouw dan niet tegenwerpen dat hij vanwege werk de zorgregeling niet kan nakomen.
Gelet hierop en gelet op het belang dat de kinderen erbij hebben om ook tijdens de (nog lopende) echtscheidingsprocedure structureel en consequent contact te blijven hebben met hun vader, is er op dit punt sprake van een spoedeisend belang en wordt de vordering van de vrouw tot nakoming van de voorlopige zorgregeling toegewezen. Aan deze veroordeling wordt een dwangsom verbonden van € 100,- per keer dat de man de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-.
De proceskosten (in conventie en in reconventie)
In zaken als deze, waarin partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Zoals eerder overwogen heeft de man naar voorlopig oordeel in deze procedure geen volledige opening van zaken gegeven over zijn persoonlijke (financiële) situatie. Het komt de voorzieningenrechter voor dat de man zijn persoonlijke situatie (ten aanzien van zijn financiën, maar zeker ook ten aanzien van zijn huidige woon- of verblijfplaats) minder rooskleurig heeft voorgespiegeld dan deze in werkelijkheid is. Gelet hierop en gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om af te wijken van het hierboven vermelde uitgangspunt en de man in conventie te veroordelen in de proceskosten van de vrouw. Deze proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 1.290,00.
In reconventie ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het hierboven vermelde uitgangspunt. Daarom worden de proceskosten in reconventie wel gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie:
wijst de vorderingen af,
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.290,00 van de vrouw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie:
beveelt de man om de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 31 december 2025 na te komen, te weten dat de man de minderjarigen iedere maandag uit school tot na het eten en op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur bij zich zal hebben, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat de man de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-,
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie en in reconventie:
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.2438/2009