RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Raadkamernummer : 25/013934
Datum : 9 februari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
voor deze zaak domicilie kiezende te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , [adres] ten kantore van haar raadslieden mrs. J.N. de Boer en S.H. Çelik,
hierna te noemen: de klaagster.
Procedure
Het klaagschrift is op 23 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 16 oktober 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en heeft het onderzoek vervolgens aangehouden teneinde de gedelegeerd Europees aanklager (hierna ook: de aanklager) in de gelegenheid te stellen om stukken aan te leveren.
Op 19 november 2025 heeft de aanklager aanvullende stukken verstrekt.
Op 7 januari 2026 heeft de verdediging in aanvulling op het klaagschrift een nader standpunt ingediend.
Op 21 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer hervat. De rechtbank heeft de klaagster, bijgestaan door haar raadslieden, en de aanklager mr. P.P.A.M. Notenboom op zitting gehoord.
Feiten
Naar aanleiding van een besluit van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: het EOM) is de aanklager een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen (onder andere) de klaagster op verdenking van het vervalsen en/of valselijk opmaken van geschriften (arbeidsovereenkomsten en/ of detacheringsoverzichten en/of declaraties en/of facturen) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en/of het gebruikmaken van deze geschriften c.q. behulpzaam zijn bij het valselijk opmaken van deze bescheiden. Ook is de verdenking gerezen dat de klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van EU middelen, die met een bepaald doel door of vanwege een volkenrechtelijke organisatie zijn verstrekt, voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt.
Er is beslag gelegd op diverse rekeningen en onroerende goederen van de klaagster in Duitsland en Italië.
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94a Sv krachtens de door de rechter-commissaris op 7 mei 2024 verleende schriftelijke machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv.
Standpunt klaagster
Het beklag strekt primair tot opheffing van het beslag. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het beslagdossier (nog steeds) incompleet is en heeft in dit verband verwezen naar een beslissing van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2025. De rechtbank besloot hier vanwege het ontbreken van een beslagdossier tot gegrondverklaring van het beklag en gelastte de teruggave van de inbeslaggenomen goederen (ECLI:NL:RBGEL:2025:7865).
Klaagster wordt door het beslag op haar vermogen ernstig in haar dagelijks functioneren belemmerd. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat op basis van de verdenkingen zoals geverbaliseerd in het proces-verbaal van 16 september 2025 een verplichting tot betaling van een geldboete of een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd. De aan de verdenking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden rechtvaardigen geen redelijk vermoeden van schuld. Gelet op de hoogte van het geschatte financieel nadeel, staat de hoogte van het beslag bovendien niet in verhouding tot een eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel. De beslaglegging is derhalve disproportioneel.
Subsidiair wordt daarom verzocht het beslag te beperken tot een proportioneel bedrag, dan wel om het beslag gedeeltelijk op te heffen zodat in ieder geval geld vrijkomt om de verdedigingskosten te kunnen voldoen. Bij het voeren van de verdediging moet voortdurend rekening worden gehouden met de financiële situatie van de klaagster. Dit gaat ten koste van de vrijheid en effectiviteit van de verdediging en belemmert het recht op een effectieve verdediging als bedoeld in artikel 6 EVRM. De verdedigingskosten en andere incidentele uitgaven zou de klaagster onder normale omstandigheden betalen uit beleggingsinkomsten en financiële buffers die zij de afgelopen 30 jaar heeft opgebouwd. Door de beslagleggingen heeft de klaagster echter geen toegang tot die reserves en is zij voor grotere betalingen of online boekingen afhankelijk van derden.
Ter zitting is namens de klaagster toegelicht dat zij door beslaglegging op de rekeningen in Italië geen toegang meer heeft tot het bancaire systeem. Zij verzoekt de aanklager om de toegang tot de rekeningen in Italië weer mogelijk te maken. Tevens is beslag gelegd op landbouwgronden in Duitsland die eigendom zijn van de familie van klaagster. Het EOM in Duitsland is voornemens die gronden te liquideren. De klaagster verzoekt het EOM opdracht te geven om de voorgenomen liquidatie te staken zolang het onderzoek nog loopt.
Standpunt van de gedelegeerd Europees aanklager
De aanklager heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat de klaagster – kort gezegd – wordt verdacht van het overtreden van de artikelen 225 lid 1 en/of lid 2 en 323a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Vermoedelijk is hiermee een op geld waardeerbaar voordeel verkregen dat op dit moment wordt geschat op 1,3 miljoen euro, maar vermoedelijk meer. Het strafrechtelijk financieel onderzoek is nog gaande. De hoogte van het beslag staat dan ook weldegelijk in verhouding tot een op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster een verplichting tot betaling van een geldboete of een ontnemingsmaatregel zal opleggen.
Ter zitting heeft de aanklager benadrukt dat het beslag op de rekeningen in Italië en Duitsland slechts ziet op het saldo ten tijde van de beslagleggingen. Zo bedroeg het saldo van de Italiaanse bankrekening ten tijde van de beslaglegging € 7.454,72; op bedragen die daarna op de rekeningen zijn binnenkomen rust geen beslag. De aanklager heeft ter zitting aangegeven dat hij contact zal opnemen met zijn Italiaanse collega’s en zich wil inzetten om de klaagster opnieuw toegang te verschaffen tot deze rekeningen. Ook heeft de aanklager toegezegd een poging te willen doen om te bemiddelen met betrekking tot de liquidatie van de landbouwgronden in Duitsland.
Beoordeling
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave worden gelast.
Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat het beslagdossier ten behoeve van deze raadkamerprocedure, na aanhouding van het onderzoek, inmiddels voldoende stukken bevat om het beklag inhoudelijk te kunnen toetsen. In het ontbreken van enkele vertaalde stukken van eerder in het buitenland gevoerde procedures ziet de rechtbank geen reden voor een gegrondverklaring van het beklag.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het beslag rechtmatig is gelegd. Uit het proces-verbaal Aanvraag strafrechtelijk financieel onderzoek (AMB-049-01) van 1 mei 2024 blijkt dat er sprake is van een verdenking van het vervalsen en/of valselijk opmaken van geschriften en subsidiefraude (de artikelen 225 lid 1 en/of lid 2 en 323a Sr). Met de uitgebreide toelichting die de aanklager ter zitting heeft gegeven bij de overgelegde stukken, acht de rechtbank deze verdenking voldoende onderbouwd. Op 7 mei 2024 heeft de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek en het leggen van conservatoir beslag.
Er is sprake van een redelijk vermoeden van schuld van – één of meer – misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
De rechtbank acht het op basis van de voorlopige bevindingen bij het opsporingsonderzoek niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag.
Met betrekking tot het proportionaliteitsverweer overweegt de rechtbank als volgt. Uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat het strafrechtelijk financieel onderzoek nog loopt en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit moment wordt geschat op een bedrag van ten minste € 1.376.094,22. De rechtbank acht, anders dan in het klaagschrift is aangevoerd, het beslag daarmee in verhouding tot een eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel. In de hierbij ter zitting door de verdediging geplaatste kanttekeningen ten aanzien van de rechtsmacht van het EOM ziet de rechtbank in het kader van de onderhavige procedure geen aanleiding tot een ander oordeel.
Namens de klaagster is voorts aangevoerd dat zij ten gevolge van het beslag de verdedigingskosten en andere incidentele kosten niet kan betalen en dat haar recht op een effectieve verdediging hierdoor in het geding is. De rechtbank overweegt dat in artikel 6 (derde lid, sub c) van het EVRM is bepaald dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft zich te laten bijstaan door een raadsman naar eigen keuze of, indien hij of zij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. De stelling dat de klaagster bij voortduring van het beslag niet in staat is om in meerdere landen de kosten van de door haar gewenste raadslieden te betalen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en levert naar het oordeel van de rechtbank op basis van de thans beschikbare informatie geen schending van artikel 6 EVRM op. Op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan op dit moment niet worden vastgesteld dat er voor de klaagster geen andere mogelijkheden meer openstaan om in haar verdediging te voorzien. De rechtbank betrekt in dit oordeel ook de omstandigheid dat de aanklager ter zitting heeft toegezegd in overleg te willen treden met zijn Italiaanse en Duitse collega’s, om ervoor te zorgen dat de klaagster geen onevenredige schade ondervindt van de beslagleggingen en daarbij in staat wordt gesteld om via haar bedrijf voldoende inkomsten te genereren.
Gelet op het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
mrs. H.J. de Kraker en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klaagster beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.