RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Raadkamernummer : 25/033535
Parketnummer : 10/750024-10
Hofnummer : 22/005621-16
Datum : 9 februari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 5 april 2022 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van
€ 554.850,-. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden op 20 december 2022.
De veroordeelde heeft tot 21 oktober 2025 (de datum van indiening van het verzoekschrift) een bedrag van € 63,29 betaald.
Procedure
Het verzoek van de veroordeelde is op 21 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 het verzoek op de openbare terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde en de officier van justitie mr. N. van der Meij in raadkamer gehoord.
Verzoek
Het verzoek strekt tot kwijtschelding van de betalingsverplichting aan de staat die de veroordeelde is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de veroordeelde is aangevoerd dat hij niet in staat is om aan deze verplichting te voldoen, aangezien hij geen inkomen en geen bezittingen of vermogen heeft. Hij bevindt zich in een situatie van psychische nood, is de grip op de realiteit kwijt en heeft geen uitzicht op financiële verbetering op korte of langere termijn, zo stelt de veroordeelde.
Ter zitting heeft de veroordeelde aangevoerd dat zijn bijstandsuitkering van de gemeente Roermond is gestopt. Hij staat inmiddels ingeschreven in de gemeente Gouda en is bezig om hier opnieuw een uitkering aan te vragen. De veroordeelde heeft op dit moment geen inkomen en is tijdelijk ingetrokken bij een kennis. Hij probeert zijn leven op te bouwen, maar door de ontnemingsmaatregel heeft hij geen toekomstperspectief. De veroordeelde betwist dat hij vermogen in Marokko heeft, zoals het CJIB heeft aangevoerd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt – onder verwijzing naar de reactie van het CJIB – dat het verzoek tot kwijtschelding van de betalingsverplichting vanwege onvoldoende draagkracht moet worden afgewezen. De veroordeelde heeft nog vrijwel niets afgelost op de toegewezen ontnemingsvordering. De psychische klachten van de veroordeelde waren ten tijde van de strafzaak ook al bekend en hij is inmiddels bezig met de aanvraag van een bijstandsuitkering in de gemeente Gouda. Daarmee bestaat op dit moment geen reden voor kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding (dan wel vermindering) van de opgelegde betalingsverplichting, op de veroordeelde de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij hem geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde het verzoek op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Uit dat wat in raadkamer aan de orde is gekomen is gebleken dat de veroordeelde zich inmiddels heeft ingeschreven in de gemeente Gouda en dat hij bezig is met het regelen van een bijstandsuitkering via deze gemeente. De rechtbank gaat er vanuit dat de veroordeelde met een toekomstige bijstandsuitkering een betalingsregeling kan treffen met het CJIB. Daarmee concludeert de rechtbank dat niet is gebleken dat de veroordeelde in de toekomst niet over financiële middelen zal beschikken om zijn schuld te kunnen voldoen, en dat er op dit moment geen sprake is van betalingsonmacht. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
mrs. H.J. de Kraker en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.