ECLI:NL:RBROT:2026:1651

ECLI:NL:RBROT:2026:1651

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer C/10/687384 / FA RK 24-7555 en C/10/691626 FA RK 24-9542
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding, belangenafweging inzake hoofdverblijf minderjarigen en huurrecht woning, ipr huwelijksgemeenschap, syrisch recht van toepassing.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/687384 / FA RK 24-7555 en

C/10/691626 FA RK 24-9542 (verdeling)

Beschikking van 12 februari 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B.H. van der Zwan te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 10 oktober 2024;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 24 december 2024;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 18 februari 2025;

de berichten van de vrouw van 17 januari 2025 (met bijlage), 29 januari 2025 en 6 december 2025 (met bijlagen);

het bericht van de man van 27 januari 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Aleppo, Syrië, op [huwelijksdatum] 2000.

Het minderjarige kind van partijen is:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] , Syrië.

Partijen hebben nog een meerderjarig kind: [naam kind] , geboren op [geboortedatum 2] 2004.

Partijen hebben Syrische nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

Partijen verzoeken over en weer de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Omdat partijen beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de

Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder i. van Brussel II-ter bevoegd te oordelen

over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ontbreken ouderschapsplan

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Partijen hebben voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt partijen dan ook in hun verzoeken tot echtscheiding.

De rechtbank is van oordeel dat voor de beslissing op de verzochte echtscheiding in rechte is komen vast te staan dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Het door ieder van partijen gedane verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

Verblijfplaats

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn, onder gelijktijdige vaststelling van een zorgregeling (conform het door overgelegde concept ouderschapsplan)

waarbij de minderjarige één weekend in de twee weken van vrijdag na school tot zondag

19:00 uur omgang met de man heeft alsmede de helft van de schoolvakanties en de

feestdagen in onderling overleg;

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling.

Gebleken is dat partijen als gezin in Syrië en Turkije hebben samengeleefd tot de man in juni 2021 alleen naar Nederland is vertrokken om zich daar uiteindelijk in april 2024 te herenigen met de vrouw en de kinderen. Kort daarna is de man de procedure tot echtscheiding gestart. Uit het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de minderjarige bij de vrouw is gelegen. De minderjarige heeft altijd bij de vrouw gewoond. De vrouw vormt aldus de stabiele factor in het leven van de minderjarige. Het verzoek van de man ten aanzien van het hoofdverblijf is met name ingegeven vanuit het feit dat hij absoluut niet de echtelijke woning uit wil vertrekken en zich daar grote zorgen over maakt. Niet gebleken is dat de vrouw niet goed voor de minderjarige zou zorgen of niet in staat zou zijn de opvoeding van de minderjarige aan te kunnen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het - zoals ook de raad adviseert - het meest in het belang van de minderjarige dat de bestaande situatie wordt voortgezet. Het verzoek van de vrouw wordt daarom toegewezen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man.

Huurrecht woning

De man en - naar de rechtbank begrijpt - de vrouw verzoeken ieder het huurrecht van de woning aan hem respectievelijk haar toe te wijzen.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Aangezien beide partijen het huurrecht van de woning verzoeken en zij ieder de voor hen zwaarwegende argumenten naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank hierna aan de hand van een belangenafweging beoordelen aan wie het huurrecht zal worden toegekend.

De rechtbank overweegt dat partijen op dit moment nog samen met de minderjarige en hun meerderjarige zoon in de woning verblijven. Zij hebben geen van beiden zicht op een andere, zelfstandige woning. In de huidige woningmarkt zal het voor beide partijen erg lastig zijn om die te vinden, ook omdat de man noch de vrouw lijkt te beschikken over voldoende budget voor een woning in de vrije huursector. Partijen hebben dan ook ieder een zwaarwegend belang bij het huurrecht van de woning.

De rechtbank acht het belang van de vrouw bij het huurrecht groter dan het belang dat de man daarbij heeft. Hoezeer de rechtbank ook invoelt dat de man een grote emotionele binding heeft met de woning omdat hij veel heeft moeten doorstaan voor hij uiteindelijk de woning kreeg toegewezen, kent de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de minderjarige zijn hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben. Het is voor de minderjarige belangrijk in de vertrouwde omgeving te kunnen blijven wonen. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor de vrouw om met de kinderen tijdelijk elders onderdak te vinden, zeer beperkt, te meer omdat zij in Nederland geen familie heeft. Het belang van de man om gezondheidsredenen is niet dusdanig onderbouwd dat dat toekenning van het huurrecht rechtvaardigt. Daarbij komt dat de man de woning voorlopig niet hoeft te verlaten gezien de afspraak tussen partijen opgenomen onder 3.17..

De rechtbank zal het huurrecht van de vrouw toekennen, onder afwijzing van het verzoek van de man op dit punt.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat degene die het huurrecht niet toegewezen krijgt de echtelijke woning pas zal hoeven te verlaten indien hij of zij vervangende woonruimte heeft gevonden. In dit geval zal de vrouw het verblijf van de man in de woning toestaan tot het moment dat hij eigen woonruimte heeft gevonden.

Zorgregeling

De man verzoekt een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige vast te stellen voor de situatie dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem is. De man heeft geen concreet verzoek ingediend voor de situatie waarin het hoofdverblijf aan de vrouw wordt toegekend.

De vrouw verzoekt vaststelling van een zorgregeling vanaf het moment dat partijen niet meer gezamenlijk in de woning wonen, waarbij de minderjarige één weekend in de twee weken van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur omgang met de man heeft alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen in onderling overleg.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen dit verzoek.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe. De rechtbank overweegt hierbij dat de belangen van de minderjarige zich niet verzetten tegen de gevraagde zorgregeling.

Onderhoudsbijdrage

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 25,- per maand vast te stellen.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

De man stemt ermee in dat bij de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw een kinderbijdrage van € 25,- wordt bepaald.

Het verzoek wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen, met dien verstande dat als ingangsdatum zal gelden de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Verdeling / afwikkeling huwelijksvermogen

Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).

Gelet op de datum waarop partijen in het huwelijk zijn getreden, moet de vraag naar het toepasselijke recht worden beantwoord aan de hand van het Haags

Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV).

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Syrië gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.

Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat (Syrië) gevestigd.

De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland.

Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland.

Het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking is geen verdragsland en het beschouwt zich als een nationaliteitsland.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b. van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Syrië, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.

De vrouw verzoekt het huwelijksvermogen van partijen te splitsen waarbij de vrouw conform de bijgevoegde lijst de helft van de inboedel van de echtelijke woning ontvangt, ieder der partijen hun eigen bankrekening krijgt toegewezen en de man de schulden welke hij mogelijk gemaakt heeft tijdens het huwelijk voor zijn rekening neemt.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt te bepalen dat de verdeling van de het huwelijksvermogen geschiedt zoals opgenomen in - naar de rechtbank begrijpt - punt 21 tot en met 26 van zijn verweerschrift.

De rechtbank stelt voorop dat het toepasselijke Syrische recht geen gemeenschap van goederen kent. Van een wettelijke gemeenschap van goederen is dan ook geen sprake.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de inboedel door de man is aangeschaft voordat de vrouw naar Nederland kwam. Deze inboedel behoort aan de man alleen toe. Het deel dat later (deels tweedehands) is aangekocht door partijen samen, die enkel beschikten over een uitkering krachtens de Participatiewet, is gezamenlijke inboedel. In beginsel is het uitgangspunt dat deze eenvoudige gemeenschap tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.

Onbekend is wanneer de door partijen benoemde inboedelgoederen zijn aangeschaft, zodat de rechtbank niet kan vaststellen welke spullen van de man zijn en welke van partijen samen. Partijen hebben uiteindelijk over de inboedel verklaard ermee in te stemmen dat de inboedel toekomt aan degene aan wie het huurrecht wordt toegekend, in dit geval de vrouw. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen en merkt daarbij op dat dit zonder verrekening zal plaatsvinden, aangezien hierover niets is verzocht en op basis van de ingebrachte stukken ook niet kan worden vastgesteld.

Tussen partijen is niet in geschil dat ieder de bankrekeningen op zijn of haar naam behoudt, zonder nadere verrekening.

Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat er gemeenschap-pelijke schulden zijn, door de man aangegaan om het immigratietraject van partijen naar Nederland te bekostigen. De vrouw wist ervan maar niet precies hoeveel de lening was. Ter zitting is bij partijen overeenstemming bereikt dat het gaat om een lening van € 2.000,- bij de neef van de man en nog een resterend bedrag aan lening van € 4.500,- bij de zus van de vrouw. Partijen zijn overeengekomen samen en ieder voor de helft deze schulden te dragen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687384 / FA RK 24-7555:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] 2000 te Aleppo, Syrië;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidings-beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ;

stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt: de minderjarige verblijft één weekend in de twee weken van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij de man, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen in onderling overleg;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 25,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/691626 FA RK 24-9542:

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de inboedel hebben getroffen, te weten dat de inboedel van de echtelijke woning toekomt aan de vrouw;

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de bankrekeningen hebben getroffen, te weten dat ieder de rekeningen op zijn of haar naam behoudt, zonder nadere verrekening;

bepaalt dat ieder voor de volgende gemeenschapsschulden voor de helft draagplichtig is:

de schuld aan de neef van de man van € 2.000,-,

de schuld aan de zus van de vrouw van € 4500,-;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 12 februari 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?