ECLI:NL:RBROT:2026:1652

ECLI:NL:RBROT:2026:1652

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer C/10/698955 / FA RK 25-3440 en C/10/704292 / FA RK 25- 5862
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

echtscheiding, IPR: bruidsgaven - beroep op artikel 10:8 BW - Iraans recht van toepassing - geen matiging, verplichting tot medewerking Iraanse religieuze echtscheiding - geen dwangsom

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/698955 / FA RK 25-3440 en

C/10/704292 / FA RK 25- 5862 (huwelijksvermogen)

Beschikking van 10 februari 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M.M. Cizrelioglu te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S.R. Kwee te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 mei 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlage van de vrouw, ingekomen op 10 juli 2025;

het bericht van de man van 24 juli 2025;

het aanvullende verzoekschrift van de vrouw ingekomen op 12 december 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de advocaat van de vrouw;

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

De vrouw heeft op haar verzoek via een videobelverbinding deelgenomen.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] , Iran, op [huwelijksdatum] 2020.

Beide partijen hadden ten tijde van het huwelijk enkel de Iraanse nationaliteit. De man heeft sinds 29 juni 2022 ook de Nederlandse nationaliteit en de vrouw sinds 18 april 2024. De vrouw verblijft sinds november 2020 in Nederland.

3. De beoordeling

Scheiding

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Brussel II-ter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

De man heeft aanvankelijk gemotiveerd verweer gevoerd en de gestelde duurzame ontwrichting betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij zich neergelegd bij het verzoek van de vrouw en verklaard dat hij ook wil dat het huwelijk door scheiding wordt ontbonden.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als onweersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

Huurrecht woning ( [adres] Rotterdam)

De man verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te Rotterdam aan hem toe te wijzen.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de verzoeken ter zake van het huurrecht van deze woning.

De rechtbank zal op de verzoeken Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

De vrouw verzet zich niet tegen dit verzoek en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

Bruidsgaven

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot het betalen van de bruidsgave van

€ 150.000, - aan de vrouw en de man te veroordelen tot het betalen van de bruidsgave van vierhonderd miljoen van de valuta van de islamitische republiek Iran, wat per 1 mei 2025 uitkomt op € 8.390,86.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt vast te stellen dat op het huwelijksvermogensrecht Nederlands recht van toepassing is. Hij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw, subsidiair deze te matigen als ook zo mogelijk te bepalen dat de man de bedragen in termijnen passend bij zijn draagkracht zal kunnen voldoen.

Toepasselijk recht

De vrouw stelt dat voor het toepasselijk recht op het huwelijksvermogen, gelet op de huwelijksdatum, gekeken moet worden naar Huwelijksvermogensrecht Verordening ((EU) 2016/1103). De vrouw komt tot de conclusie dat Iraans recht van toepassing is op huwelijksvermogen. De vrouw heeft niet gemotiveerd waarom ten aanzien van haar verzoeken die zien op de bruidsgaven deze verordening ook van toepassing zou zijn.

De man heeft ook een beroep gedaan op Huwelijksvermogensrecht Verordening ((EU) 2016/1103). Zijn conclusie is dat Nederlands recht van toepassing is. Ook hij heeft niet toegelicht wat maakt dat de verordening van toepassing zou zijn op de verzoeken ten aanzien van de bruidsgaven.

De rechtbank constateert dat geen van partijen verzoeken heeft gedaan die zien op het huwelijksvermogen. Het lijkt er dus op dat partijen geen onderscheid hebben gemaakt tussen het recht van toepassing op de bruidsgaven en op het huwelijksvermogen.

Dat partijen het eens zijn dat voor toepasselijk recht gekeken moet worden naar huwelijksvermogensrechtverordening betekent niet dat de rechtbank hieraan gebonden is. De rechter dient ambtshalve te beoordelen welk recht van toepassing is. Partijen gaan over de feiten, de rechter gaat over het (toepasselijk) recht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank al aangegeven dat binnen de rechtspraak de heersende leer is, althans lange tijd is geweest, dat de bruidsgave naar Iraans recht wordt gekwalificeerd als een geheel eigen rechtsfiguur (sui generis), omdat het Nederlandse rechtssysteem de bruidsgave niet kent, deze in Iran een voorwaarde is voor de geldigheid van het Iraanse huwelijk en de bruidsgave niet gelijk te stellen is met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. Daarom wordt op de bruidsgave het recht toegepast van het land waar de rechtsfiguur vandaan komt. De vrouw heeft daar tijdens de mondelinge behandeling geen bezwaar tegen geuit. Namens de man is naar voren gebracht dat er veel discussie over is en verwezen naar een uitspraak van het Hof Amsterdam (GHAMS:2025:559). De rechtbank constateert dat in die zaak door het hof, net als door de rechtbank in die zaak, Iraans recht is toegepast op de bruidsgave. De rechtbank begrijpt uit de literatuur dat er in 2025 wel anders over is geoordeeld, wat te maken lijkt te hebben met hoge bruidsgave claims waarvoor rechters een

correctiemechanisme zoeken. Het in de literatuur beschreven nadeel van het aanmerken als sui generis, te weten dat de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave naar Iraans recht én partneralimentatie en een aandeel in het huwelijksvermogen naar Nederlands recht, doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank ziet onvoldoende reden om af te wijken van het lange tijd, en ook nog in 2025 (zie GHDHA:2025: 669 en GHDHA:2025:1020), als vaste lijn in de rechtspraak gehanteerde uitgangspunt dat een bruidsgave naar Iraans recht als rechtsverhouding sui generis wordt aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat deze benadering in deze zaak het meest zuiver is.

Uit Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/256 blijkt dat als een bruidsgave wordt gekwalificeerd als sui generis, volgens de heersende leer deze rechtsfiguur onderworpen is aan het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken, dat doorgaans samenvalt met het recht dat op de huwelijksvoltrekking is toegepast (lex loci celebrationis). In dit geval Iraans recht.

De man heeft een beroep gedaan op artikel 10:8 BW en verzocht op de gevraagde bruidsgaven Nederlands recht van toepassing te verklaren, omdat er sprake is van een nauwere band met Nederland. De vorderingen van de vrouw kunnen niet gezien worden als een huwelijksvermogensrechtelijke verplichting, noch als nakoming van verbintenis uit overeenkomst aldus de man. De man stelt dat aan hem politiek asiel is verleend in Nederland, dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben en sinds het huwelijk gezamenlijk hier verblijven en daarom sprake is van een nauwere band met Nederland. De man verwijst naar een uitspraak van het hof Den Haag (GHDHA:2023:1067). De vrouw heeft naar voren gebracht dat uit een latere uitspraak van het hof Den Haag (GHDHA:2025:1020) blijkt dat artikel 10:8 BW restrictief moet worden uitgelegd en slechts in uitzonderlijke gevallen het aangewezen buitenlandse recht buiten toepassing kan verklaren. In die zaak was de bruidsgave mede afgewezen omdat de vrouw partneralimentatie ontvangt, aldus de vrouw. De vrouw betwist dat er een veel nauwere band met Nederland bestaat op grond waarvan Iraans recht buiten toepassing moet worden gelaten. Partijen hebben afspraken gemaakt onder Iraans recht. Bovendien is zij pas 10 maanden na het huwelijk naar Nederland gekomen en heeft zij pas sinds april 2024 de Nederlandse nationaliteit. Naast betaling van de bruidsgaven vraagt en ontvangt de vrouw niets.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 10:8 BW bepaalt: Het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft bij uitzondering buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.

Uit de conclusie van de A-G van 16 februari 2024 (PHR:2024:174) blijkt: ‘Voor de toepassing van deze exceptie is uitsluitend plaats in die gevallen dat de in boek 10 BW opgenomen conflictregel berust op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Een conflictregel die is opgenomen in een verdrag of in een verordening kan niet opzij worden gezet door de in artikel 10:8 BW opgenomen algemene exceptie. Deze exceptieclausule kan ook niet worden toegepast wanneer partijen een geldige rechtskeuze zijn overeenkomen (lid 2).’ De rechtbank overweegt dat het aanwijzen van Iraans recht mogelijk gebaseerd is op ongeschreven conflictenrecht. De rechtbank laat die vraag verder rusten, mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2024 (HR:2024:1474).

Waar het volgens de rechtbank om gaat is het volgende. Moet het Iraans recht, dat is aangewezen door een conflictregel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijven omdat die nauwe band slechts in geringe bestaat en met Nederlands recht een veel nauwere band bestaat? Zoals hiervoor overwogen is naar het oordeel van de rechtbank juist Iraans recht van toepassing op de bruidsgaven omdat Nederlands recht een vergelijkbare rechtsfiguur niet kent. Hoe dan toepassing van artikel 10:8 BW aan de orde kan zijn, ziet de rechtbank niet.

Als artikel 10:8 BW al van toepassing is, dan heeft de man zijn stelling, dat er voor de toepassing van Nederlands recht op de bruidsgaven sprake is van een nauwere band met Nederland onvoldoende gemotiveerd om bij wijze van uitzondering af te wijken van de hoofdregel. Concreet: de man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat op de bruidsgaven bij wijze van uitzondering Nederlands recht als nauwst betrokken recht toegepast moet worden op grond van de toepaste conflictregel. Beide partijen zijn in Iran geboren, de man in 1992, de vrouw in 1991. De man is sinds 2016 als politiek vluchteling in Nederland, de man was toen ongeveer 24 jaar. Partijen zijn in januari 2020 in Iran getrouwd en de vrouw verblijft sinds november 2020 in Nederland, de vrouw was toen ongeveer 29 jaar. De man heeft sinds juni 2022 de Nederlandse nationaliteit, dus bijna 4 jaar, de vrouw sinds april 2024, dus bijna 2 jaar. De man verblijft dus al (bijna) 10 jaar in Nederland, waarvan 6 jaar getrouwd en waarvan bijna 4 jaar met de Nederlandse nationaliteit. De man heeft ook verklaard dat hij een bijstandsuitkering ontvangt. De man woont in de voormalige echtelijke huurwoning. Tijdens de mondelinge behandeling is hij bijgestaan door een tolk. De vrouw verblijft ruim 5 jaar in Nederland als gehuwde vrouw en zij heeft nog niet eens 2 jaar de Nederlandse nationaliteit. De vrouw werkt en ontvangt mogelijk een aanvullende bijstandsuitkering en verblijft in een vrouwenopvang. Ook zij is bijgestaan door een tolk.

In de uitspraak van het hof Den Haag waar de man naar verwijst zijn partijen in 2010 getrouwd. De vrouw is in 2015, dus na 5 jaar huwelijk, naar Nederland gekomen, gevolgd door de man en de kinderen. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en hadden op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding al geruime tijd hun woonplaats in Nederland. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend en verzocht om Nederlands recht van toepassing te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de vergelijking van beide zaken niet in het oog springend is. In de zaak bij het hof Den Haag ging het huwelijk vooraf aan de emigratie met als mogelijk gevolg een wissel van het nauwst betrokken recht. In de onderhavige zaak ging de emigratie althans vlucht van de man (ruim) vooraf aan het huwelijk en is de emigratie van de vrouw een schijnbaar gevolg van het huwelijk. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat volgens Iraans recht bij een huwelijk een bruidsgave wordt afgesproken als ondersteuning of back up, in haar geval (ook) omdat zij moest emigreren. Uit de door de vrouw aangehaalde uitspraak van het hof Den Haag blijkt dat het hof in die zaak niet is gebleken van een nauwere band met een ander recht en bovendien, dat partijen zelf afspraken hebben gemaakt onder het Iraanse recht zodat terughoudendheid om artikel 10:8 BW toe te passen, gepast is, aldus het hof. Als voor de man in onderhavige zaak al zou gelden dat hij een nauwere band met Nederlands recht ervaart (subjectief) dan is onbegrijpelijk dat hij in Iran is getrouwd en een bruidsgave naar Iraans recht is overeengekomen. De overeenkomst is van recente datum, niet nadat er, spreekwoordelijk, een heel leven overheen is gegaan.

Namens de man is nog gewezen op een uitspraak van het hof Amsterdam (GHAMS:2025:559) maar de rechtbank constateert dat in die zaak ook Iraans recht is toegepast op de bruidsgave. Het hof heeft Nederlands recht toegepast op de vraag of een vorderingsrecht naar Iraans recht bij de Nederlandse rechter geldend kan worden gemaakt. Die vraag ligt in deze zaak echter niet voor.

Ook is namens de man naar voren gebracht dat de man de bruidsgaven als financieel vangnet ziet en als overeenkomst. Naar Nederlands recht is daarop de redelijkheid en billijkheid van toepassing. Om die reden is volgens de man Nederlands recht van toepassing. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Dat op een overeenkomst naar Nederlands recht redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn maakt niet dat Nederlands recht van toepassing is. Het is andersom: als Nederlands recht van toepassing is, dan kan in het kader van het overeenkomstenrecht ook de redelijkheid en billijkheid een rol spelen.

De rechtbank zal Iraans recht toepassen.

Namens de man is zelfstandig verzocht vast te stellen dat op het huwelijks-vermogensrecht Nederlands recht van toepassing. Desgevraagd heeft de advocaat tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat dit verzoek ziet op de bruidsgave en dat de man geen ander belang heeft bij deze vaststelling. Omdat de rechtbank van oordeel is dat Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave, zal het verzoek van de man worden afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is: wat zegt het Iraans recht over de bruidsgave? Op grond van diverse uitspraken en literatuur komt de rechtbank tot het volgende beeld dat ook blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag (RBDHA:2023:2914). In die uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak van het hof in Amsterdam (GHAMS:2020:3087) en een daarin aangehaald IJI rapport. Daaruit blijkt dat “het Iraanse recht een zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave wanneer de vrouw hiermee niet instemt en/of wanneer er niet (buitengerechtelijk) wordt ‘geschikt’. Gaat het om een vordering van boven de 110 Bahar Azadi goudstukken, dan dient er te worden geprocedeerd en kan de draagkracht van de man worden meegewogen in de rechterlijke beslissing over vorderingen met betrekking tot de (uitgestelde) bruidsgave die nog hoger liggen. Een aflossing in termijnen is dan, bijvoorbeeld, mogelijk. De vordering van de vrouw voor het surplus blijft evenwel opeisbaar vanaf het moment dat de man weer voldoende draagkracht of financiële ruime heeft voor het aflossen van de bruidsgave .” Uit een uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 kan evenwel worden afgeleid dat Iraanse rechters de ondergrens niet bij 110 Bahar Azadi leggen.

De vrouw stelt op grond van de huwelijksakte die partijen hebben gesloten recht te hebben op € 150.000,- van de man. Ook heeft de vrouw recht op vierhonderd miljoen van de valuta van de islamitische republiek Iran. Dit komt op de datum van indiening van het verzoek uit op € 8.390,86. De man heeft de bruidsgave nog niet aan de vrouw betaald. Het is een recht van de vrouw, dat nagekomen moet worden.

De man verklaart dat hij het verzoek van de vrouw voor een (de rechtbank begrijpt: een op dat moment nog overeen te komen) bruidsgave heeft geaccepteerd. De man vindt het niet redelijk dat hij aan de rechtsgevolgen wordt gehouden van de huwelijksovereenkomst welke door zijn vader namens hem is gesloten. Hij doet een beroep op artikel 6:248 lid 1 BW. Een bruidsgave is naar haar aard bedoeld om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij niet onverzorgd zal achterblijven na de huwelijkssluiting aldus de man. De man heeft altijd in Nederland gewoond ten tijde van het huwelijk. Hij is ziek door zijn multiple sclerose en dientengevolge niet in staat om te werken en afhankelijk van een bijstandsuitkering. De vrouw woont ook in Nederland sinds haar huwelijk, heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit en maakt aanspraak op een uitkering, zodat beiden afhankelijk (kunnen) zijn van een financieel vangnet. Onder deze omstandigheden is het volgens de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar te achten dat aanspraken van bruidsgaven geldend worden gemaakt. De vrouw heeft gesteld dat zij geen bijstandsuitkering ontvangt maar werkt, maar daarmee niet meer verdient dan zij met een bijstandsuitkering zou verkrijgen. Een bruidsgave is volgens de vrouw niet gelijk te stellen met een onderhoudsverplichting. Zij vraagt en ontvangt buiten nakoming van de huwelijksovereenkomst niets van de man. Volgens de man kan de vrouw hier te lande veel meer verdienen dan in Iran.Zoals hiervoor overwogen is Iraans recht van toepassing zodat de rechtbank niet toekomt aan dit beroep op artikel 6:248 lid 1 BW. Daar zou de rechtbank alleen aan toekomen als de rechtbank zou oordelen dat Nederlands recht van toepassing is en de bruidsgaven een overeenkomst zijn.

De man verzoekt afwijzing omdat zijn vader heeft getekend ter zake van de bruidsgaven, waardoor zijn wil niet dan wel niet voldoende vast staat. De vrouw heeft in dit kader naar voren gebracht dat de man zelf een ‘volmacht tot alles’ heeft verleend waarin de man uitdrukkelijk toestemming verleent aan zijn vader voor het ondertekenen van huwelijksdocumenten en andere rechtshandelingen te verrichten namens de man. De wil van de man staat dus wel voldoende vast aldus de vrouw.

De man onderbouwt zijn stelling verder door aan te geven dat zijn vader namens hem met een volmacht de bruidsgave heeft afgesproken. Wat er precies is afgesproken was de man niet bekend. Volgens de vrouw heeft de man de afspraak niet gezien maar wel gehoord ten tijde van de huwelijkssluiting. De man heeft dat betwist. Zijn vader heeft alles geregeld, hij was in Nederland, er was geen internetverbinding mogelijk op het moment van de huwelijkssluiting. Bovendien kent zijn vader het verschil niet tussen € 15,- en € 1.500,-. Volgens de vrouw heeft de man zelf zijn ‘jawoord’ aan de imam gegeven, anders was het huwelijk niet tot stand gekomen. De man blijft bij zijn betwisting. De vrouw wijst op de volmacht die de man aan zijn vader heeft gegeven, dat zijn vader de bruidsschat (bruidsgave) tot elk bedrag mag bepalen. Als de man weet dat zijn vader het verschil tussen € 15,- en € 1.500,- niet weet, dan neemt hij daarmee een risico waar hij zich achteraf niet op kan beroepen aldus de vrouw. Er was blijkbaar sprake van contractspartijen die niet gelijkwaardig waren. Dat komt voor risico van de man. De vrouw stelt dat de man akkoord is gegaan. De rechtbank overweegt als volgt. Het verweer van de man lijkt gebaseerd op Nederlands recht. De man heeft niet gesteld dat zijn verweer bij toepassing van Iraans recht (het standpunt van de vrouw in haar inleidend verzoekschrift) reden kan zijn voor afwijzing. De rechtbank is daar niet van gebleken. Het had op de weg van de man gelegen om te onderbouwen dat naar Iraans recht een beroep op een wilsgebrek kan worden gedaan en hoe dit door Iraanse rechters wordt ingevuld en wordt beoordeeld. De man heeft daar voldoende tijd voor gehad. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om daarover een advies te vragen. Als een dergelijke verweer kans van slagen zou hebben, ligt het voor de hand dat dit uit de rechtspraak en literatuur in Nederland over bruidsgaven naar Iraans recht zou blijken. De rechtbank is daar niet van gebleken.

Matiging

Subsidiair heeft de man verzocht de bruidsgaven te matigen tot een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren als ook zo mogelijk te bepalen dat de man in termijnen passend bij zijn draagkracht zal kunnen voldoen. De man heeft gesteld daarbij belang te hebben omdat hij onvoldoende draagkracht of bezittingen heeft om de bruidsgaven te voldoen. De man heeft daartoe gesteld dat hij geen bezittingen heeft. De vrouw weet dat ook nu hun families buren waren in Iran aldus de man. Als de man nog in Iran had geleefd dan was hem een betalingsregeling gegund. De man kan maximaal € 50,- per maand voldoen. De bruidsgave is dusdanig hoog dat de man dit niet kan betalen en levert voor hem een onoverkomelijke schuld op. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de man onder andere grond bezit in Iran, welke hij op naam van zijn moeder heeft laten registreren. Dat komt in het kader van de betaling van een bruidsgave veel voor, dat vermogen op naam van familie wordt gesteld aldus de vrouw. De man betwist dat hij en zijn moeder bezittingen hebben in Iran. De vrouw heeft verklaard dat het gaat om grond of onroerend goed, dat hij vanuit Nederland geld naar Iran heeft gestuurd zodat zijn familie het in Iran kon kopen omdat de man zelf niet kon reizen. Het gaat om land of onroerend goed in wijk waar de familie van de man verblijft. De man heeft hiertegenover enkel gesteld dat hij zijn familie kan vragen bewijs te leveren dat er niets op zijn naam staat of op naam van zijn moeder. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het Iraans recht zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave. Het had op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat daar in zijn geval wel ruimte voor is, nader te onderbouwen. De man had daartoe in ieder geval meer moeten doen dan op zijn huidige financiële situatie wijzen. Uit de literatuur (FJR 2025/22) blijkt dat ook de omstandigheden waaronder de bruidsgave werd overeengekomen relevant zouden kunnen zijn en de omstandigheden waaronder nakoming wordt gevraagd. Daarover heeft de man niets gesteld anders dan dat hij niet op de hoogte zou zijn van de afspraken. Voor de rechtbank is onder andere onbekend hoe de financiële omstandigheden van partijen waren ten tijde van de overeenkomst: had de man toen ook al een bijstandsuitkering? En wat waren de financiële omstandigheden van de vrouw?

Als het gaat om het betalen in termijnen: uit de Iraanse rechtspraak blijkt dat dit kan vanaf een bepaald equivalent aan gouden munten maar de man heeft nagelaten hoe die ondergrens zich verhoudt tot de door partijen overeengekomen bedragen. Dat de man in Nederland nauwelijks draagkracht heeft, ligt voor de hand omdat de man een bijstandsuitkering ontvangt. Het bedrag van € 50,- per maand komt overeen met de minimale kinderalimentatie die een bijstandsgerechtigde niet verzorgende ouder maandelijks kan dragen. Dat zou betekenen dat de aflossing in 3.168 maanden plaatsvindt oftewel 264 jaar. En dus feitelijk dat de overeengekomen bruidsgaven niet volledig worden voldaan. Daarvoor is een betalingsregeling niet bedoeld. Dat de man daadwerkelijk geen bezittingen heeft in Iran is door de man onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van de man gelegen om aan te tonen dat hij geen bezittingen in Iran heeft en ook niet heeft gehad. Als de man wel bezittingen in het buitenland heeft gehad, had het op de weg van de man gelegen om te onderbouwen hoe hij die bezittingen is kwijtgeraakt en op welke wijze. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor een betalingsregeling. De man is de bruidsgaven verschuldigd. Omdat de man in Nederland een bijstandsuitkering ontvangt zal executie op een natuurlijke wijze tot een betalingsregeling leiden.

Iraanse religieuze echtscheiding

De vrouw verzoekt te bepalen dat dat de man verplicht is om binnen veertien dagen nadat de scheiding tussen partijen is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen

van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan

het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met de geestelijke, en het

inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder

verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dan of dagdeel dat de man weigert

aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 500.000,-.

De rechtbank gaat ervan uit dat de rechtbank rechtsmacht toekomt en dat Nederlands recht van toepassing is.

Op grond van artikel 1:68 lid 2 BW is een partij bij een religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis gehouden tot het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van die verbintenis indien een andere partij daarom verzoekt, tenzij dit gelet op zwaarwegende belangen in redelijkheid niet kan worden gevergd.

De vrouw stelt dat nadat partijen naar Nederlands recht gescheiden zijn, het van belang is dat de scheiding ook rechtskracht krijgt bij de Iraanse autoriteiten. Daarvoor is een religieuze scheiding naar Iraans recht nodig. Hiervoor is medewerking nodig van zowel de man als de vrouw. De vrouw heeft grote zorgen met betrekking tot de medewerking die van de man wordt verwacht hiervoor. De man wil niet scheiden van de vrouw en heeft haar een langere tijd gestalkt. De man verbleef daarvoor in december 2025 in detentie en de vrouw verblijft al langere tijd in een vrouwenopvang. De vrouw acht de kans erg groot dat de man niet zijn medewerking zal verlenen aan het regelen van de religieuze scheiding naar Iraans recht. Dit zou betekenen dat de vrouw gevangen zal blijven in het huwelijk. De vrouw wil voorkomen dat zij na de echtscheidingsprocedure, een aparte onrechtmatige daad procedure moet voeren om alsnog een bevel tot medewerking te verkrijgen voor het teniet doen gaan van de religieuze verbintenis. Er is geen blijk van zwaarwegende belangen op grond waarvan van de man zijn medewerking niet kan worden gevergd. Het verzoek van de vrouw valt onder een voorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 onder g Rv.

De man zegt geen bezwaar te hebben tegen de Iraanse echtscheiding. Hij durft niet naar de Iraanse ambassade en ook de termijn is te kort. Maar, het kan via de ambassade via zijn vader, aldus de man.

De vrouw geeft aan dat zij niet verzocht heeft om aanwezig te zijn bij de ambassade. De man moet aanwezig zijn bij een geestelijke en meewerken aan de Iraanse scheiding.

De man heeft wel bezwaar tegen de dwangsom. Het verzoek om een dwangsom is prematuur omdat nog niet is gebleken van tegenwerking. De man wil ook scheiden. De vrouw merkt op dat er, in verband met de stalking, een grote kans is dat de man niet meewerkt. Maar als hij meewerkt, hoeft hij zich ook geen zorgen te maken over de dwangsom. De man maakt ook bezwaar tegen de dwangsom omdat hij juist wel naar de ambassade moet. Het verzoek is volgens de man prematuur omdat het wordt verzocht voordat de echtscheiding is uitgesproken. De vrouw betwist dat. Het is belangrijk dat er een beslissing wordt genomen. De vrouw heeft het verzoek pas ingediend toen zij zeker wist dat het nodig was.

De rechtbank overweegt dat de man in beginsel gehouden is om medewerking te verlenen. Het bezwaar van de man dat hij naar de ambassade zou moeten, daarvan is niet gebleken. Volgens de vrouw hoeft de man niet naar de ambassade en de man heeft zelf gesteld dat dit via zijn vader zou kunnen. Het verzoek is niet prematuur. De rechtbank concludeert op basis van de uitspraak van het hof Arnhem Leeuwarden van 14 januari 2025 (GHARL:2025:136) dat in de echtscheidingsprocedure als nevenverzoek verzocht kan worden mee te werken aan de ontbinding van een religieus huwelijk. Uit de noot (JPF 2025/44) blijkt dat om de ontbindingsprocedure te doorlopen een echtscheidingsbeschikking van een Nederlandse rechter noodzakelijk is. De door de vrouw verzochte termijn vangt aan na inschrijving van de echtscheiding en ziet op de medewerking van de man aan een afspraak met een geestelijke en de inschrijving bij de ambassade. De man heeft niet onderbouwd waarom deze termijn te kort zou zijn. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te man te verplichten mee te werken toewijzen zoals verzocht.

De rechtbank zal geen dwangsom opleggen. De man heeft uiteindelijk alsnog ingestemd met de echtscheiding in Nederland en hij zegt mee te willen werken aan een religieuze echtscheiding. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank nu geen reden voor een financiële prikkel. Mocht de man alsnog niet meewerken, dan dient de man er rekening mee te houden dat als de vrouw nakoming vordert, een rechter in kort geding alsnog een dwangsom of ander dwangmiddel kan toepassen als de vrouw dat vordert.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/698955 / FA RK 25-3440:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] 2020 te [plaats] , Iran;

bepaalt dat de man met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidings-beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] te Rotterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/704292 / FA RK 25- 5862:

veroordeelt de man tot het betalen van de bruidsgave van € 150.000,- aan de vrouw;

veroordeelt de man tot het betalen aan de vrouw van de bruidsgave van vierhonderd miljoen van de valuta van de islamitische republiek Iran, wat per 1 mei 2025 uitkomt op € 8.390,86;

bepaalt dat de man verplicht is om binnen veertien dagen nadat de scheiding tussen partijen is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met de geestelijke, en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 10 februari 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?