ECLI:NL:RBROT:2026:1719

ECLI:NL:RBROT:2026:1719

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer C/10/682619 / FA RK 24-5289
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Einde alimentatie art. 1:160 BW. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2025:9395. De vrouw is niet geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. Rb. geeft verklaring voor recht en bepaalt een terugbetalingsverplichting. Verzoek om daadwerkelijke proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/682619 / FA RK 24-5289

Beschikking van 26 januari 2026 over de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende op een geheim adres,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een geheim adres,

advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van 21 juli 2025;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 september 2025;

het bericht met bijlage van de man van 28 november 2025;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 4 december 2025.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Daarbij zijn verschenen:

de man met zijn advocaat en

de vrouw met haar advocaat.

2. De verdere beoordeling

Voorliggende verzoeken

De man handhaaft zijn verzoek dat inhoudt:

primair:

een verklaring voor recht dat de vrouw met ingang van 5 augustus 2021 althans met ingang van een in goede justitie te bepalen andere datum, samenleeft met een ander als ware zij gehuwd;

de vrouw te veroordelen de man € 25.425,41,- terug te betalen (de partneralimentatie die hij sinds 5 augustus 2021 aan de vrouw heeft betaald) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021;

subsidiair:

de partneralimentatie op nihil te bepalen met ingang van 5 augustus 2021 althans met ingang van een in goede justitie te bepalen andere datum;

de vrouw te veroordelen om aan de man terug te betalen alle partneralimentatie die hij sinds 5 augustus 2021 teveel heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021;

primair als subsidiair:

de vrouw te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 31.531,42, te vermeerderen met een bedrag ‘pro memorie’, voor nog te verwachten werkzaamheden.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze af te wijzen.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak over de alimentatieverplichting van de man aan de vrouw. De man stelt dat de vrouw met [naam] zou samenwonen als ware zij gehuwd. Op grond van artikel 1:160 BW eindigt in zo’n geval de alimentatieverplichting. Voor een succesvol beroep hierop is vereist dat tussen de vrouw en haar partner een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. In de tussenbeschikking van 21 juli 2025 heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van samenwonen en dat de vrouw en [naam] een gemeenschappelijke huishouding vormen. Verder heeft de rechtbank voorshands bewezenverklaard dat de vrouw en [naam] een duurzame affectieve relatie hebben én dat sprake is van wederzijds verzorgen. Op deze onderdelen is de vrouw in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat zij daarover in die beschikking heeft overwogen en zal hierna beoordelen of de vrouw geslaagd is in het leveren van tegenbewijs.

Naar vaste rechtspraak is voor het slagen van het gevraagde tegenbewijs voldoende dat ontzenuwd wordt wat voorshands is bewezen. Anders gezegd: het is aan de vrouw om tegenbewijs te leveren dat ertoe leidt dat er zodanige twijfel is dat de op het vermoeden berustende vaststellingen onhoudbaar worden. Indien het tegenbewijs wordt geleverd, herleeft het bewijsrisico bij de andere partij.

Affectieve relatie

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen het oordeel dat voorshands bewezen is dat tussen de vrouw en [naam] sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard. Dat oordeel is op het volgende gebaseerd.

Het door vrouw aangeleverde tegenbewijs bestaat onder meer uit een samenlevingscontract. Dit samenlevingscontract tussen de vrouw en [naam] van 13 december 2024 wijst echter juist op het bestaan van een affectieve relatie. Dat deze alleen is opgesteld ten behoeve van de gezamenlijke woning is gemotiveerd betwist door de man. Grote delen van het samenlevingscontract, waaronder de considerans, zijn door de vrouw weggelakt. De rechtbank heeft hierdoor geen inzicht in de strekking van de overeenkomst. De vrouw heeft hierover desgevraagd geen openheid van zaken gegeven, terwijl zij hiertoe wel gehouden is op grond van artikel 21 Rv. De omstandigheid dat de overeenkomst een ontbindingsclausule bevat, doet ook geen twijfel ontstaan over het voorlopige oordeel. Dat is immers niet ongebruikelijk bij een samenlevingsovereenkomst tussen personen met een affectieve relatie. Uit de overgelegde testamenten van de vrouw en [naam] blijkt weliswaar dat de vrouw en [naam] alleen de eigen kinderen als erfgenaam hebben aangemerkt, maar ook in de testamenten zijn stukken tekst weggelakt waardoor de verdere strekking onduidelijk is gebleven. De vrouw verklaart aanvankelijk dat er geen koppeling is tussen haar en [naam] in hun – gelijktijdig opgestelde – testamenten. Vervolgens geeft de vrouw desgevraagd aan dat in de weggelakte onderdelen van de testamenten de mogelijkheid is opgenomen dat onder voorwaarden de ander in de woning kan blijven wonen als de vrouw of [naam] overlijdt. Ook hierbij wijst de rechtbank op de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv. De rechtbank constateert dat de vrouw op cruciale punten onvoldoende openheid van zaken geeft. Dat de vrouw en [naam] elkaar niet hebben aangemerkt als partner bij de pensioenverstrekker is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande en in samenhang bezien eveneens onvoldoende om het vermoeden te ontzenuwen dat sprake is van een affectieve relatie.

De door de vrouw overgelegde getuigenverklaring van [naam] onderschrijft de verklaring van de vrouw dat er geen sprake is van een affectieve relatie, maar zorgt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de vereiste twijfel. De verklaring is veelal een bevestiging van de stellingen van de vrouw op grond waarvan de rechtbank de affectieve relatie voorshands bewezen heeft verklaard. Uit de verklaring van [naam] volgt immers het samenwonen, dat zij in hetzelfde bed hebben geslapen, regelmatig samen op vakantie zijn geweest en samen een huis hebben gekocht. De verklaring van de zoon van partijen en de ouders van [naam] zijn enkel een bevestiging van de verklaring van [naam]. Voor zover de ouders van [naam] daarnaast betogen dat de vrouw niet actief is betrokken in hun familieleven en bij familie activiteiten, overweegt de rechtbank dat hiermee al rekening is gehouden bij de voorshands bewezenverklaring.

Wederzijdse verzorging

De vrouw heeft ook tegenbewijs aangeleverd tegen de voorshands bewezenverklaring van de wederzijdse verzorging. Van deze verzorging is onder meer sprake als partners bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ook op dit punt onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

De vrouw en [naam] zijn samen eigenaar van een woning en hebben een gezamenlijke rekening waarop zij, naar de vrouw stelt, beiden maandelijks € 1.450,- overmaken voor de woonlasten en € 200,- voor de boodschappen. Daarvan worden de gezamenlijke boodschappen betaald, ook voor de kinderen van de vrouw en het kind van [naam]. Dat hiervan niet alle kosten – zoals alle kosten voor de kinderen – worden betaald maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarom geen sprake is van wederzijdse verzorging zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. De vrouw heeft desgevraagd ook geen openheid gegeven over hoe zij met haar inkomen van € 1.950,- netto per maand (die naar de vrouw stelt nu slechts tijdelijk hoger is door overwerk) haar helft van de hypotheeklast van € 1.450,- per maand kan voldoen. Dat verder ieder uitsluitend de eigen kosten draagt en alle overige kosten worden gesplit, kan de rechtbank ook niet opmaken uit de overgelegde bankafschriften. De vrouw overlegt alleen bankafschriften van november 2020 tot september 2021, terwijl het verzoek ziet op de periode vanaf 5 augustus 2021. Dat er een financiële noodzaak zou zijn geweest voor het samenwonen maakt ook niet dat er geen sprake is van wederzijdse verzorging. Het gaat er immers om hoe de vrouw en [naam] hun samenleving feitelijk vormgeven.

Verder geeft het huurcontract dat ziet op de oude woning van [naam] geen inzicht in het bedrag dat de vrouw aan huur betaalde én of er daadwerkelijk huur betaald is. Dit levert voor de rechtbank dan ook geen tegenbewijs op. Dat de vrouw en [naam] eigen verzekeringen hebben en ieder de eigen kinderen heeft meeverzekerd, maken in het licht van het voorgaande en in onderlinge samenhang bezien ook niet dat er geen sprake is van wederzijdse verzorging.

De overige stellingen van de vrouw zien op onderdelen die de rechtbank al bewezen heeft geacht. Daarin is de vrouw niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, zodat de rechtbank die stellingen buiten beschouwing zal laten.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat de vrouw niet is geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de vrouw en [naam] samenleven als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW. De man verzoekt hierover een verklaring voor recht, met als ingangsdatum 5 augustus 2021.

Met betrekking tot de ingangsdatum overweegt de rechtbank dat in geval van beëindiging van de alimentatieverplichting op de voet van artikel 1:160 BW de aanspraak eindigt met ingang van de datum dat sprake was van samenwoning. De rechter heeft niet de vrijheid om een andere beëindigingsdatum vast te stellen dan die datum. In het verlengde daarvan behoeft de beslissing tot terugbetaling ook niet te voldoen aan de motiveringseisen zoals die in de rechtspraak zijn geformuleerd in het kader van wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, r.o. 3.6).

Tussen partijen is de datum van 5 augustus 2021 als zodanig niet in geschil. Dit brengt mee dat het primaire verzoek om voor recht te verklaren dat de vrouw met ingang van 5 augustus 2021 samenleeft met een ander als ware zij gehuwd, wordt toegewezen.

De man heeft primair verzocht de vrouw te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 25.425,41, zijnde de partneralimentatie die hij sinds 5 augustus 2021 aan de vrouw heeft betaald. Omdat de alimentatieverplichting van de man eindigt per 5 augustus 2021, is alle door de man vanaf die datum aan de vrouw betaalde partneralimentatie onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit onverminderd een terugbetalingsverplichting voort. Daarom is de vrouw gehouden de vanaf 5 augustus 2021 tot heden ontvangen partneralimentatie aan de man terug te betalen. Omdat niet in geschil in dat de vrouw tot op heden € 25.425,41 aan partneralimentatie heeft ontvangen, zal de rechtbank het verzoek van de man in zoverre toewijzen. Daarbij zal de verzochte en onweersproken terugbetalingstermijn van 14 dagen na betekening van deze beschikking gelden.

De man heeft verzocht om wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021. De wettelijke rente is echter pas verschuldigd vanaf het moment dat de geldsom opeisbaar is en dat is pas nadat deze bij (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking is vastgesteld. De rechtbank wijst het verzoek van de man met betrekking tot de rente in zoverre af en zal bepalen dat deze verschuldigd is met inachtneming van de hierna te bepalen termijn, zodat de vrouw nog een redelijke termijn heeft om te betalen.

De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van het subsidiaire verzoek van de man.

Proceskosten

De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 31.531,42, te vermeerderen met een bedrag ‘pro memorie’, voor nog te verwachten werkzaamheden.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij wijst erop dat het uitgangspunt in familierechtprocedures is dat proceskosten worden gecompenseerd, oftewel dat partijen hun eigen kosten dragen.

Het is juist dat het uitgangspunt in familiezaken is om proceskosten te compenseren. De gedachte hierachter is dat partijen als ex-partners nog vaker contact zullen hebben, waardoor een proceskostenveroordeling verstorend zou werken. Bovendien zijn in familiezaken de standpunten van partijen en de daaruit voortvloeiende geschillen vaak niet zwart-wit. De rechter in familierechtelijke aangelegenheden zou zijn taak miskennen, indien hij uitsluitend toegankelijk zou zijn voor een zakelijke en juridische argumentatie.

De rechtbank ziet echter aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. De vrouw is de in het ongelijk gestelde partij. Door niet aan de man te melden dat zij vanaf 5 augustus 2021 samenwoonde als ware gehuwd, heeft zij onterecht partneralimentatie ontvangen. De rechtbank weegt daarbij mee dat de vrouw meerdere malen heeft nagelaten om openheid van zaken te geven over de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Dat partijen nog samen verder moeten als ouders, maakt het voorgaande niet anders. Zij zijn weliswaar verbonden met elkaar doordat zij ouders zijn van hun twee kinderen, maar die zijn inmiddels meerderjarig terwijl het geschil ook niet over hen gaat.

De rechtbank zal de vrouw daarom als de in het ongelijk gestelde partij op grond van artikel 289 Rv in de proceskosten veroordelen. Hierbij zal de rechtbank aansluiten bij het liquidatietarief en niet – zoals de man verzoekt – bij de werkelijke kosten. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter (zie HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934, r.o. 3.3.). Van zulke buitengewone omstandigheden is niet gebleken.

De rechtbank zal het liquidatietarief III hanteren en uitgaan van vier punten(€ 786,- per punt), te vermeerderen met het griffierecht:

salaris advocaat € 3.144,-

griffierecht: € 331,-

Totaal: € 3.475,-

De rechtbank stelt de termijn voor terugbetaling vast op 14 dagen na betekening van deze beschikking na de beschikking.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De man verzoekt de beslissingen voor zover uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal haar beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met uitzondering van de verklaring voor recht. Die verklaring leent zich in principe naar haar aard niet voor uitvoerbaarheid bij voorraad, omdat dit doorgaans een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd (vgl. HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5360, r.o. 3.1).

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de alimentatieverplichting van de man ten aanzien van de vrouw met ingang van 5 augustus 2021 is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW;

bepaalt dat de vrouw gehouden is om de onderhoudsbijdragen die zij van de man over de periode vanaf 5 augustus 2021 heeft ontvangen van in totaal € 25.425,41, aan de man terug te betalen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man van € 3.475,-, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de onder 3.1. gegeven verklaring voor recht;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Stolk, op 26 januari 2026.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M. Moerman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?