ECLI:NL:RBROT:2026:1747

ECLI:NL:RBROT:2026:1747

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 10-198910-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezenverklaring opzetverkrachting. De verdachte heeft, ondanks de dronken toestand van het slachtoffer en haar duidelijke en herhaalde verbale en non-verbale signalen dat zij geen seks wilde hebben met de verdachte, de seks steeds op meerdere momenten doorgezet. Veroordeling tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.198910.25

Datum uitspraak: 16 februari 2026

Datum zitting: 2 februari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 op [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] , [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. H.E. Borgman,

Officier van justitie: mr. N. Aandewiel,

Benadeelde partij: [benadeelde] ,

Advocaat van de benadeelde partij: mr. T.S.G. Joemman.

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een opzetverkrachting. De verdachte heeft ondanks de dronken toestand van het slachtoffer en haar duidelijke en herhaalde verbale en non-verbale signalen dat zij geen seks wilde hebben met de verdachte de seks steeds op meerdere momenten doorgezet. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van opzetverkrachting dan wel schuldverkrachting.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

hij op of omstreeks 21 december 2024 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- zijn penis in haar mond heeft geduwd en/of zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- zijn penis in haar vagina heeft gebracht en/of gehouden

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld voor opzetverkrachting.

Conclusie van de verdediging

De verdachte moet zowel van opzetverkrachting als schuldverkrachting worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer]

Ik doe aangifte tegen een jongen met de bijnaam [naam] . Het is gebeurd in de nacht van zaterdag 21 op zondag 22 december 2024 in Rotterdam. Ik had veel alcohol gedronken. [naam] kwam voor me staan met een ontbloot geslachtsdeel. Hij vroeg aan mij of ik hem wilde pijpen. Ik duwde hem weg. Hij pakte mijn hoofd vast en stopte zijn penis in mijn mond. Ik duwde hem nog een keer weg. Ik liep weg van hem naar de badkamer om mij op te sluiten. Hij trok mij de slaapkamer in. Ik lag op bed en hij deed zijn broek naar beneden. Hij vroeg aan mij of ik hem kwam pijpen. Ik zei “nee”. Hij pakte mijn hand en trok mij uit bed. Ik zei twee keer “nee”. Ik kon niks doen. Hij pakte mijn hoofd vast en deed zijn penis in mijn mond om hem te pijpen. Hij hield mijn hoofd vast. Ik probeerde weer op te staan. Ik liep weg naar de woonkamer en hij liep achter mij aan. Daar duwde hij mij over de sofa en trok mijn broek omlaag. Hij deed zijn penis in mijn vagina. Ik zei tegen hem dat ik het niet wilde. Ik duwde hem weg en deed mijn broek omhoog. Ik liep weer naar de badkamer om mij op te sluiten. Hij trok mij de slaapkamer in en legde mij op bed. Hij trok mijn broek omlaag en ging weer met zijn penis in mijn vagina. Ik probeerde op te staan en zei “nee” tegen hem. Hij penetreerde mij. Ik duwde hem weer weg. Ik liep weer weg richting de badkamer en hij liep weer achter mij aan. Hij boog mij voorover richting de wc-pot. Hij deed mijn broek omlaag en stopte zijn penis in mijn vagina. Ik zei meerdere keren dat ik het niet wilde. Terwijl hij bezig was, huilde ik.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte

Mijn bijnaam is [naam] . Ik was in de nacht van zaterdag 21 op zondag 22 december 2024 in Rotterdam met [slachtoffer] . Ik zag aan het gedrag van [slachtoffer] dat zij erg dronken was. Ik stelde voor dat zij mij zou pijpen. Ze zei eerst “nee” maar daarna heeft ze het toch gedaan. Ze stopte en stond op. Ik stelde voor om naar de slaapkamer te gaan om seks te hebben. Ze wilde niet gaan, maar ze ging toch. Ik heb haar kleding uitgetrokken. Ik lag op bed en stelde voor dat zij op mijn penis kwam zitten en op mij kwam springen. Zij sprong vier keer op mij en toen zei ze “stop”. We gingen naar de woonkamer. Daar heb ik weer seks met haar gehad. [slachtoffer] zei: “stop, stop, stop”. Ik stelde voor om toch verder te gaan en toen gingen we beiden verder. Toen zei ze weer “stop”. Weer stelde ik voor om toch verder te gaan en weer gingen we beiden verder. Ze was wel en niet voldoende in staat om haar wil kenbaar te maken. Ze wilde het wel en ze wilde het niet.

Bewijsmotivering

Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat de wil daartoe bij de ander ontbrak. Voorwaardelijk opzet op het ontbreken van de wil is hiervoor voldoende. Hiervan is sprake indien iemand zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toeneemt. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander in de hiervoor bedoelde zin is in het algemeen sprake als die ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen geeft het seksuele contact niet op prijs te stellen en de initiatiefnemer zet het contact toch voort. Wanneer de ander een dergelijke overduidelijke negatieve opstelling inneemt over het seksuele contact en de initiatiefnemer dit contact vervolgens toch doorzet, dan kan het niet anders dan dat die initiatiefnemer weet dat bij de ander de wil daartoe afwezig is en dit eenvoudigweg negeert.

Hoewel de verklaring van het slachtoffer en de verklaring van de verdachte op punten uiteenlopen, staat in ieder geval vast dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarnaast staat ook vast dat het slachtoffer erg dronken was en ook dat zij meerdere malen zowel verbaal als non-verbaal duidelijk heeft gemaakt dat zij geen seks wilde hebben met de verdachte. Het slachtoffer heeft tijdens de seks meerdere malen “nee” en “stop” gezegd. Daarnaast heeft het slachtoffer tijdens de seks de verdachte meerdere malen weggeduwd, is zij meerdere malen van hem weggelopen en heeft zij meerdere malen tussendoor haar kleding, die de verdachte steeds uittrok, weer aangetrokken. Ook heeft het slachtoffer gehuild tijdens de seks.

Gelet op de dronken toestand van het slachtoffer en haar vele duidelijke signalen dat zij geen seks met hem wilde hebben, had de verdachte voldoende aanwijzingen gekregen dat het slachtoffer geen seks met hem wilde. De verdachte heeft eenvoudigweg de seks doorgezet en de (mogelijk) ontbrekende wil van het slachtoffer genegeerd of minst genomen op de koop toegenomen. De rechtbank acht hiermee bewezen dat de verdachte seks had met het slachtoffer tegen haar wil, terwijl hij wist dat die wil daartoe ontbrak.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op of omstreeks 21 december 2024 te Rotterdam met [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- zijn penis in haar mond heeft geduwd en zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en

- zijn penis in haar vagina heeft gebracht en gehouden

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

opzetverkrachting.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het alcoholverbod en met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het alcoholverbod en eventueel nog een taakstraf. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de duur van een op te leggen taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte en het slachtoffer blijven na een avond met vrienden samen achter in de woning waar het slachtoffer op dat moment verblijft. Zowel de verdachte als het slachtoffer zijn erg dronken. De verdachte stelt voor om seks met elkaar te hebben. Het slachtoffer geeft meerdere malen, zowel verbaal als non-verbaal, aan dat zij geen seks met hem wil hebben. Toch zet de verdachte de seks telkens opnieuw door omdat hijzelf meende dat zij dat toch wilde. De verdachte heeft die avond op verschillende plekken in de woning seks met het slachtoffer. Het slachtoffer zegt steeds “nee” of “stop” tijdens de seks, duwt de verdachte op meerdere momenten weg, kleedt zich weer aan en loopt van hem weg. De verdachte komt echter steeds achter haar aan en pakt haar beet om de seks op een nieuwe plek te vervolgen. De seks stopt pas als de verdachte klaarkomt. De verdachte heeft het slachtoffer ook gefilmd tijdens de seks zonder dat zij dit wist.

De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft de belangen van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een verkrachting nog langdurig last kunnen hebben van de psychische gevolgen daarvan. Dit is ook het geval bij het slachtoffer, die hiervoor professionele psychische hulp heeft gezocht.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte woont samen met zijn vriendin met wie hij binnenkort een kind verwacht. De verdachte heeft een vaste baan. Uit het reclasseringsadvies van 3 november 2025 blijkt dat de verdachte veel alcohol drinkt in het weekend. De rechtbank ziet echter geen aanwijzingen dat de verdachte alcoholverslaafd is. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij de Homerun of een soortgelijke zorgverlener en een alcoholverbod.

Straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank neemt strafverminderend mee dat de verdachte het feit grotendeels heeft bekend en zijn spijt heeft betuigd.

Al met al wordt een gevangenisstraf van vijftien maanden opgelegd. Daarvan zijn vijf maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd met uitzondering van het alcoholverbod. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij € 1.241,25 als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit medische kosten van € 241,25 en een post nader te onderbouwen materiële schade van € 1.000,-. De medische kosten bestaan uit de kosten van een consult bij de huisarts voor een verwijzing naar de psycholoog en de kosten van een SOA-onderzoek.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij van de immateriële schade kan (deels) worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor de hoogte van het bedrag aan immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de materiële schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Primair moet de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen omdat de verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair moet de vordering van de materiële schade worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De medische kosten worden gewoonlijk gedekt door de zorgverzekering en er bestaat geen causaal verband tussen de seks die de benadeelde partij met de verdachte heeft gehad en haar SOA. De vordering van de immateriële schade moet worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering van de medische kosten van € 241,25 wordt toegewezen, omdat het aannemelijk is dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt, en ook het SOA-onderzoek staat in voldoende causaal verband met het bewezenverklaarde feit. De verdediging heeft haar stelling dat de benadeelde partij de medische kosten niet zelf heeft gedragen, niet onderbouwd. Dat verweer wordt daarom verworpen. De post nader te onderbouwen materiële schade van € 1.000,- wordt afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is door de verdachte verkracht. De aard en de ernst van deze normschending brengen mee dat zonder meer aannemelijk is dat de benadeelde partij hiervan relevante nadelige gevolgen ondervindt. Die gevolgen liggen in het licht van de normschending zozeer voor de hand dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partij door de verkrachting op een andere wijze in de persoon is aangetast. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.

De schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de materiële schade van € 241,25 toe vanaf 4 augustus 2025. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de immateriële schade van € 3.000,- toe vanaf 21 december 2024.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien maanden;

bepaalt dat vijf maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 en 2 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van € 3.241,25, bestaande uit € 241,25 als vergoeding van materiële schade en € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente over de materiële schade vanaf

4 augustus 2025 en de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 21 december 2024 tot de dag van volledige betaling;

wijst het resterende deel van de vordering van de materiële schade af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering van de immateriële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte voor het bewezen feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 3.241,25 te betalen, en de wettelijke rente over de materiële schade van € 241,25 vanaf 4 augustus 2025 en de wettelijke rente over de immateriële schade van € 3.000,- vanaf 21 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. H. van den Heuvel en N.A. Nowotny, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J.P. van Essen

Griffier

  • mr. I.C.M.A. Bals

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?