Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-249452-25
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Datum zitting: 14 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. S.C. van Klaveren
Officier van justitie: mr. F.J. van der Putte
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het vervoeren van een hoeveelheid van 1999 gram cocaïne met een ander. Het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen wordt verworpen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met een ander 1999 gram aan cocaïne heeft afgeleverd, vervoerd danwel aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1999 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het feit waarvan verdachte wordt beschuldigd wordt bewezenverklaard.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging wordt bij de beoordeling van het bewijs besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 22 juli 2025 in Capelle aan den IJssel met een ander 1999 gram cocaïne heeft vervoerd.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik een van een ander persoon ontvangen pakket cocaïne op 22 juli 2025 naar Capelle aan den IJssel heb vervoerd in een verborgen ruimte onder de passagiersstoel in een personenauto met kenteken [kenteken].
2. Proces-verbaal van bevindingen van de politieOp 22 juli 2025 zagen wij het voertuig met kenteken [kenteken] naar een parkeerplaats te Capelle aan den IJssel rijden. In het voertuig zat als bestuurder [verdachte]. Wij zagen dat in de verborgen ruimte onder de bijrijdersstoel een witte tas zat. Ik zag dat hierin twee pakketten met witte substantie zaten, welke ik herkende als de witte substantie van harddrugs. Van het wegen is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt onder [proces-verbaalnummer 1].
3. Proces-verbaal van de politie
Goednummer: [nummer 1]
Beschrijving voorwerp: Plastic sealbag met daarin een witte substantie, vermoedelijk
cocaïne.
Goednummer: [nummer 2]
Beschrijving voorwerp: Plastic sealbag met daarin een witte substantie, vermoedelijk
cocaïne.
4. Proces-verbaal van bevindingen van de politieKorte omschrijving: een dubbele vacuumzak met daarin wit poeder en brokjesUniek voorwerp: [nummer 3]BVH-goednummer: [nummer 1]Netto gewicht: 999 gramKorte omschrijving: een dubbele vacuumzak met daarin wit poeder en brokjes
Uniek voorwerp: [nummer 4]
BVH-goednummer: [nummer 2]Netto gewicht: 1000 gram
5. Deskundigenverslag
Onderzoeksmateriaal: [nummer 4]
Omschrijving: poeder en brokvorming, wit, uit 1000 gram
Conclusie: bevat cocaïne
6. DeskundigenverslagOnderzoeksmateriaal: [nummer 3]
Omschrijving: poeder en brokvormig, wit, uit 999 gram
Conclusie: bevat cocaïne
Verweer en nadere bewijsmotivering
Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het voertuig is voor de eerste keer op 28 april 2025 op basis van artikel 160 van de Wegenverkeerswet (WVW) gecontroleerd op grond van de informatie die is verkregen uit het ANPR-systeem. Volgens de raadsman levert dit misbruik van die controlebevoegdheid op omdat deze wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze gegeven was. Er was dus sprake van een onrechtmatige controle en om die reden sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het proces-verbaal van 28 april 2025 en de bevindingen die toen zijn gedaan, vormden de basis voor de controles op 23 juni 2025 en 22 juli 2025. Gelet op het vormverzuim moet het proces-verbaal van de controle op 28 april 2025 – en ook al het daaruit voortvloeiende bewijs – worden uitgesloten van het bewijs en moet verdachte worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de verbalisanten bevoegd waren om het voertuig te controleren op grond van de informatie die zij verkregen uit het ANPR-systeem. Het voertuig was in het ANPR-systeem geplaatst met als doel om dit voertuig te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit. De rechtbank stelt verder vast dat de verbalisanten controlebevoegdheden toekomen op grond van artikel 160 WVW. Dit betekent dat de uitgevoerde controle in het voertuig waarin verdachte reed op 28 april 2025 rechtmatig was. Tijdens deze controle zagen verbalisanten in de kofferbak van het voertuig indicatoren welke mogelijk duiden op het aanwezig hebben van een verborgen ruimte. Dat leverde naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden op van een strafbaar feit, zodat het voertuig vervolgens verder doorzocht mocht worden op basis van artikel 96b Sv. Daarna werd ook daadwerkelijk een verborgen ruimte in het voertuig aangetroffen. De informatie uit het ANPR-systeem en de bevindingen van 28 april 2025 vormden vervolgens de basis voor 23 juni 2025, waarbij verborgen ruimtes werden aangetroffen onder de stoelen voorin het voertuig. Dit alles vormde vervolgens de basis voor de controle op 22 juli 2025. Nu de controle op 28 april 2025 rechtmatig was en ook datzelfde geldt voor de daaropvolgende controles, is van een vormverzuim geen sprake. Het verweer wordt verworpen.
Volledige bewezenverklaring
De volledige bewezenverklaring luidt dat:
hij op 22 juli 2025 te Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd 1999 gram cocaïne.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De eis van de officier van justitie is te hoog. Bepleit is om bij een bewezenverklaring de verdachte een veel lagere straf op te leggen, namelijk een forse taakstraf en een forse voorwaardelijke straf. De verdachte is een first offender, relatief jong en volgt een opleiding.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in een verborgen ruimte in een auto bijna 2 kilo cocaïne vervoerd. Een dergelijke hoeveelheid vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. De verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door het vervoeren en het op die manier in de markt brengen van drugs wordt het gebruik daarvan bevorderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft hier indirect aan bijgedragen en dat alleen maar omdat hij naar eigen zeggen snel veel geld wilde verdienen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf, maar ook niet tot een lagere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte werkt gemiddeld twee dagen per week op oproepbasis voor een evenementenbureau. Hij volgt een facilitaire opleiding bij het ROC en heeft binnenkort examens. Verdachte heeft schulden die hij samen met zijn moeder probeert af te betalen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Bij het vervoeren van een hoeveelheid harddrugs van tussen de 1500 en 2000 gram is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte wel aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Verdachte is nog relatief jong en volgt een opleiding. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5. Wettelijke voorschriften
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b,14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat twee (2) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. van Esch, voorzitter,
en mrs. M.J.M. van Beckhoven en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 januari 2026.