Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 71/044108-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum 1] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] in [plaatsnaam],
raadsman mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Houten.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 23 januari 2026 en 27 februari 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. G. Sannes heeft gevorderd:
- de verdachte werkt mee aan de inhoudelijke controle van zijn gegevensdragers, indien
en zolang de reclassering dit nodig vindt, ook wanneer dit inhoudt dat het digitale
onderzoek door een externe deskundige (waaronder een ambtenaar van de politie) kan
worden verricht, waarbij het aantal controles wordt gemaximeerd op 6 keer per jaar;
- de verdachte werkt mee aan gesprekken over geloofsbeleving/ideologie (theologische
begeleiding) met een door de reclassering aan te wijzen deskundige, zolang de
reclassering dit noodzakelijk acht;
- een uitbreiding van het geadviseerde contactverbod naar 19 personen;
4. Waardering van het bewijs
Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feit 3
Het onder 3 ten laste gelegde opruien tot een terroristisch misdrijf is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd. Dit feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewijswaardering ten aanzien van de feiten 1 en 2
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden geconcludeerd dat de verdachte zich vereenzelvigt met het gewelddadig jihadistische gedachtegoed, de wens heeft hijrah te verrichten dan wel als martelaar te sterven in het land van de ongelovigen. Hij heeft in een gesprek met een medeverdachte gefantaseerd over het plegen van een terroristische aanslag in Nederland en beiden zijn zover gegaan dat ze geprobeerd hebben vuurwapens te verkrijgen. Dat sprake zou zijn van een grap wordt door het bewijs weersproken. De pleegperiode dient te worden beperkt tot 16 februari 2025 tot en met 9 maart 2025. Voor wat betreft feit 2 is aangevoerd dat de verdachte heeft behoord tot de Islamitische Staat (IS) en gehoor heeft gegeven aan de oproep van IS tot het voeren van de elektronische Jihad. De verdachte heeft de eed van trouw gezworen en daarnaast blijk gegeven achter IS en de door IS gevoerde strijd te staan. Ook heeft hij bereidheid getoond mee te doen aan die strijd en hij heeft over een langere periode zeer veel IS-propaganda verspreid.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
De verdachte erkent dat hij de onder feit 1 genoemde feitelijke handelingen heeft verricht, maar betwist dat deze handelingen geïnterpreteerd moeten worden als voorbereidingshandelingen voor het plegen van aanslagen. Het vergaren van kennis en informatie, het eigen maken van radicaal extremistisch gedachtegoed en het delen van digitale bestanden met jihadistisch materiaal zijn niet zonder meer handelingen met het oog op het plegen van een aanslag. Ook de door de verdachte gevoerde gesprekken waren, gelet op de aard en inhoud van die gesprekken, onvoldoende concreet om tot een bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat het een kortere tenlastegelegde periode betreft.
Voor wat betreft de deelname aan een terroristische organisatie (feit 2) heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte weliswaar materiaal met jihadistische inhoud heeft opgezocht, verder heeft verspreid en soms ook heeft bewerkt, maar uit het dossier blijkt niet dat hij banden had met mensen gelieerd aan IS of van contact met dergelijke personen die volgens de autoriteiten als erkende IS-leden aangemerkt zijn. De verdachte heeft nimmer een serieuze poging ondernomen of voorbereidingen getroffen om uit te reizen, zich niet aangemeld of een andere handeling verricht die ondubbelzinnig zijn toetreding tot de organisatie van IS bevestigt. Dat hij – blijkens het ambtsbericht van de AIVD – mogelijk een eed van trouw heeft afgelegd, maakt dit niet anders, temeer nu het filmpje waarop dit mogelijk te zien is geen onderdeel uitmaakt van het dossier.
Beoordeling
Ten aanzien van feit 1
Primair: voorbereidingshandelingen terroristisch misdrijf
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is om tot een bewezenverklaring te komen van de in artikel 96, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven, voldoende dat het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht. Een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is daarbij niet vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de voor toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96, tweede lid, Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk terroristisch misdrijf de ander aan artikel 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Aan de verdachte is het medeplegen van een aantal gedragingen ten laste gelegd die volgens de officier van justitie strekken tot het opzettelijk met het terroristisch oogmerk voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of teweegbrengen van een ontploffing.
Uit het onderzoek naar de (digitale) gegevensdragers van de verdachte alsook zijn eigen verklaring is gebleken dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS eigen heeft gemaakt. Hij heeft bekend de eed van trouw aan IS te hebben afgelegd. Dat het hierbij zou gaan om een grap, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het dossier noch het verhandelde ter zitting biedt hiervoor enig aanknopingspunt. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat de verdachte op social media met anderen heeft gesproken over het mogelijk plegen van een aanslag, dat hij heeft gesproken over het verkrijgen van (vuur)wapens en ook uitvraag daarnaar heeft gedaan of laten doen. Ook is op zijn laptop een afscheidsbrief aan zijn moeder aangetroffen.
De verdachte heeft weliswaar bekend dat hij deze handelingen heeft verricht, maar heeft voorts ontkend dat hij die handelingen heeft gepleegd met het oog op het begaan van een terroristisch misdrijf.
Hoewel deze omstandigheden bij elkaar genomen leiden tot een gerechtvaardigde verdenking van het primair ten laste gelegde, is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring onvoldoende bewijs voorhanden is.
Uit het digitale onderzoek, waaronder de inhoud van de strijdliederen, de preken en de video’s blijkt weliswaar een grote interesse in het extremistisch jihadistische gedachtegoed en de gewelddadige praktijken van IS, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte een voldoende vergevorderd concreet plan had om zelf deel te nemen aan het plegen van een terroristisch misdrijf en evenmin welk misdrijf dat dan zou zijn. Deze omstandigheden – ook in onderling verband en samenhang bezien – kunnen de rechtbank niet tot de vaststelling brengen dat de verdachte voorbereidings- of bevorderingshandelingen heeft gepleegd met een terroristisch oogmerk.
De rechtbank betrekt in dit verband ook de omstandigheid dat bij de aanhouding van de verdachte en bij de doorzoeking van zijn woning geen (onderdelen van) wapens, munitie of ander materiaal is aangetroffen, waaruit mogelijk (de voorbereiding van) een terroristisch misdrijf zou kunnen worden afgeleid. Weliswaar heeft de verdachte online navraag gedaan naar het verkrijgen van vuurwapens, maar tot het daadwerkelijk aanschaffen daarvan is hij niet overgegaan.
De rechtbank komt alles afwegend niet tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Dit ligt evenwel anders voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.
Subsidiair: deelnemen aan training voor terrorisme
Voor een bewezenverklaring van artikel 134a Sr moet voldoende verband bestaan tussen de verweten gedragingen met enige vorm van training voor terrorisme. Strafbaar is het op enigerlei wijze meewerken (als trainer) en het deelnemen (als getrainde) aan trainingen voor terrorisme. Onder training voor terrorisme moet worden verstaan het verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Hierbij is vereist dat de verdachte het oogmerk heeft om die kennis of vaardigheden voor een terroristisch misdrijf aan te wenden. Voor het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden voor een terroristisch misdrijf volstaat voorwaardelijk opzet. Onder de reikwijdte van de strafbaarstelling valt ook de eenling die zich via het internet op de hoogte stelt van kennis en informatie ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf of het vergemakkelijken ervan.
Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Weliswaar is deze vorm van opzet niet vereist voor het volgen van een terroristische training, maar degene die de training volgt, moet wel de bedoeling hebben die kennis of vaardigheden te verwerven ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan.
Het opzet kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte, waarbij, naast de aard en het karakter van de training de mogelijke fascinatie voor terroristisch geweld of eventuele radicalisering een rol kan spelen.
Het eigen maken en kennis nemen van het jihadistische gedachtegoed van IS – hoewel op zichzelf niet strafbaar – kan van belang zijn voor de inkleuring van het opzet van de verdachte, indien hij de inhoud van een dergelijk extremistisch gedachtegoed goedkeurt. Dat de verdachte zich het extremistisch gedachtegoed van IS eigen heeft gemaakt staat niet ter discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte zich ook vereenzelvigt met het radicaal jihadistisch gedachtegoed van IS. De rechtbank is op grond van het dossier en de eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daaruit blijkt immers dat hij zich niet alleen intensief en over een langere periode heeft verdiept in IS-propaganda en retoriek, maar ook dat er daarbij een radicaliseringsproces bij de verdachte heeft plaatsgevonden.
Aan de verdachte zijn, in het kader van de strafbaarstelling van artikel 134a Sr, dezelfde gedragingen tenlastegelegd, als de eerder besproken gedragingen zoals deze onder feit 1 primair zijn ten laste gelegd. Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte bekend dat hij die handelingen heeft verricht. De verdachte heeft meermaals verklaard dat zijn uitlatingen en handelingen niet serieus en slechts als grap waren bedoeld. Dat ziet de rechtbank anders. In deze zaak kan gelet op de veelheid aan gedragingen en uitlatingen niet meer worden gezegd dat dit als misplaatst “grappig” kan worden beschouwd. De grens van het strafbare is hier duidelijk overschreden.
De handelingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als handelingen gericht op het verwerven van kennis of vaardigheden ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf. Hierbij springt voornamelijk in het oog dat de verdachte op social media heeft gesproken over het plegen van een aanslag en daarbij uitvraag heeft gedaan voor het verkrijgen van (vuur)wapens. Dit in combinatie met het eigen gemaakte gedachtegoed van IS, het afleggen van de eed van trouw aan IS en het schrijven van een afscheidsbrief aan zijn moeder waarin het martelaarschap wordt verheerlijkt, maken naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte het opzet op het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft gehad.
Ten aanzien van feit 2 (deelneming aan een terroristische organisatie)
Volgens vaste jurisprudentie wordt IS gezien als een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Van deelneming aan een dergelijke organisatie kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich gedurende een periode van ruim een half jaar heeft bezig gehouden met extremisme en jihadisme en dat hij aan het radicaliseren was.
Uit het digitale onderzoek van zijn gegevensdragers zijn veel afbeeldingen en video’s aangetroffen gerelateerd aan terrorisme en jihadisme. Ook heeft hij verschillende social media accounts gehad, waarop hij propaganda van IS postte, deelde en verspreidde. Dit betrof zeer gewelddadige en extremistische content. De accounts van de verdachte hadden (zeer) veel volgers. Ook voerde de verdachte via zijn social media accounts gesprekken met andere sympathisanten, waarin ook werd gesproken over het plegen van aanslagen en het verkrijgen van (vuur)wapens (zoals hiervoor onder feit 1 besproken).
Het handelen van de verdachte past naadloos in de mediastrategie van IS. Daarbij wordt vooropgesteld dat IS niet alleen een fysieke strijd op het slagveld voert maar ook een ideologische oorlog via (sociale) media. In verschillende officiële oproepen van IS wordt media-activisme zelfs gelijkgesteld aan de strijd op het slagveld.
De verdachte heeft op de terechtzitting erkend dat hij dergelijke content op zijn gegevensdragers had en ook verspreidde. Hij wist wat hij deed.
Door gedurende een langere periode via verschillende accounts propaganda van IS te verspreiden, heeft de verdachte aan de oproep van IS om deel te nemen aan de elektronische jihad op een zodanige manier en in een zodanige mate gevolg en vorm gegeven, dat hij niet slechts als sympathisant van IS is aan te merken, maar is gaan behoren tot het samenwerkingsverband van IS. Hij heeft met het verspreiden van de IS-ideologie ook een bijdrage geleverd aan de terroristische oogmerken van IS. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS.
Conclusie
Bewezen is het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1. Subsidiair:
hij in de periode van 1 januari 4 oktober 2024 tot en met 22 april 2025 te De Rijp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich en/of een ander, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft getracht te verschaffen, tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding en/of ter vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83 dan wel artikel 83b Wetboek van strafrecht dan wel zich kennis of
vaardigheden daartoe heeft verworven en/of een ander heeft bijgebracht, door
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties als Islamitische Staat (IS) eigen te maken, en/of
B. de eed van trouw te zweren aan IS(IS) en/of
C. via TikTok contact te hebben met een of meer anderen, te weten met onder meer ‘[naam 1]’, over het verkrijgen van (vuur)wapens en/of het plegen van een of meer aanslag(en) in Nederland, en/of vervolgens meermalen op Telegram uitvraag heeft gedaan naar een (vuur)wapen; en
D. in één of meer geschrift(en) een afscheidsbrief te schrijven, waarin hij afscheid neemt van zijn moeder en het martelaarschap wordt verheerlijkt, en/of
E. in de groepschat ‘Nee’ op Snapchat aan één of meer anderen voor te stellen om een aanslag te plegen;
2.
hij in of omstreeks de periode 1 januari 4 oktober 2024 tot en met 22 april 2025 te De Rijp en/of Rotterdam en/of ‘s-Gravenhage en/of Tilburg en/of Nieuw Vennep, althans in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of
E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de
Wet Wapens en Munitie);
3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks periode 1 januari 13 september 2024 tot en met 22 april 2025 te De Rijp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en) en/of alleen, (telkens)
A
in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding, tot een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, en/of enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid
door:
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(‘s) via TikTok en/of Instagram waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig jihadisme en/of het martelaarschap wordt verheerlijk, te weten:
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een fragment uit een toespraak van [naam 2] waarin wordt opgeroepen voort te gaan in de strijd op het pad van Allah en waarin de het sterven als martelaar in de jihad wordt verheerlijkt (Video 1, p. 372-373) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een gesproken tekst waarin een overlevering wordt voorgelezen over de beloning met het Paradijs voor moslims die omkomen in de strijd tegen de vijand. Op de achtergrond speelt eveneens een
nashid die de beloning van martelaren in het Paradijs bezingt (Video 5, p. 374) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het Instagramaccount abu6dosh), met als inhoud beelden van strijders in voertuigen en met vuurwapens, IS-vlaggen en een nashid over de opkomst en het doel van IS, waarin de gewapende strijd en de standvastigheid van de strijders die bereid zijn hun leven te geven voor de overwinning en voor God wordt bezongen (Vid 1 Instagram, p. 375)
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 2]), met als inhoud (onder meer) een nashid met lofzang op de martelaren en de oproep om ten strijde te trekken in de jihad, om te serven op het pad van Allah of om de overwinning te bereiken, en om de vijanden te terroriseren ([bestand], onder 14 genoemd, p.
377 en 378)
B
een geschrift en/of afbeelding, waarin tot een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf en/of tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, heeft verspreid, of om verspreid te worden in voorraad heeft gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat in het/de geschrift(en) en/of de afbeelding(en) zodanige opruiing voorkomt,
door:
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(’s) waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig jihadisme en/of het martelaarschap wordt verheerlijk via TikTok en/of Instagram, te weten:
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een fragment uit een toespraak van [naam 2] waarin wordt opgeroepen voort te gaan in de strijd op het pad van Allah en waarin de het sterven als martelaar in de jihad wordt verheerlijkt (Video 1, p. 372-373 van het dossier) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een gesproken tekst waarin een overlevering wordt voorgelezen over de beloning met het Paradijs voor moslims die omkomen in de strijd tegen de vijand. Op de achtergrond speelt eveneens een nashid die de beloning van martelaren in het Paradijs bezingt (Video 5, p. 374) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het Instagramaccount abu6dosh), met als inhoud beelden van strijders in voertuigen en met vuurwapens, IS-vlaggen en een nashid over de opkomst en het doel van IS, waarin de gewapende strijd en de standvastigheid van de strijders die bereid zijn hun leven te geven voor de overwinning en voor God wordt bezongen (Vid 1 Instagram, p. 375)
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video (geplaatst op het TikTokaccount [account 2]), met als inhoud (onder meer) een nashid met lofzang op de martelaren en de oproep om ten strijde te trekken in de jihad, om te serven op het pad van Allah of om de overwinning te bereiken, en om de vijanden te terroriseren ([bestand], onder 14 genoemd, p.
377 en 378) en/of
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. Subsidiair,
medeplegen van zich of een ander opzettelijk, gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen en kennis verwerven en een ander kennis bijbrengen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;
2. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;
3. de eendaadse samenloop van
in het openbaar, bij afbeelding, tot enig strafbaar feit opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd
en
een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De toentertijd 15/16-jarige verdachte heeft zich gedurende lange periode schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een terroristische organisatie (Islamitische Staat). Ook heeft de verdachte kennis opgedaan en aan anderen kennis verspreid voor het plegen van een terroristisch misdrijf. Hij heeft zich het extremistische gedachtegoed van IS eigen gemaakt, de eed van trouw gezworen, op internet gesproken over het plegen van een aanslag, uitvraag gedaan of laten doen voor het verkrijgen van (vuur)wapens en in dat verband ook een afscheidsbrief aan zijn moeder geschreven. De verdachte heeft verschillende social media-accounts gehad waarop over een lange periode veelvuldig propaganda van IS en gewelddadig, extremistisch en opruiend materiaal werd gedeeld en verspreid. De verdachte had een groot bereik en werd door de medeverdachten gezien als een ‘grote dawlah media influencer’. De verdachte heeft hiermee telkens weer aan de terroristische oogmerken van IS bijgedragen.
Ook heeft de verdachte zich op de sociale mediaplatforms TikTok en Instagram schuldig gemaakt aan opruiing tot terroristisch geweld door video’s te plaatsen en te bewerken waarin wordt opgeroepen tot inzet voor een gewelddadige jihadistische strijd. Deze video’s werden gedeeld binnen groepen waarop veelvuldig extremistisch gedachtegoed werd gedeeld.
Dit betreffen zeer ernstige strafbare feiten, met een groot gevaarzettend karakter. Terrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven. Het raakt rechtstreeks de openbare orde en de veiligheid en stabiliteit van een samenleving en haar burgers.
De verdachte heeft een actieve rol gespeeld in de verspreiding van het gewelddadig jihadistisch gedachtegoed met alle eventuele gevolgen van dien.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 23 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 januari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De Raad adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden. De (bijzondere) voorwaarden houden in: een meldplicht, een locatiegebod (met elektronische monitoring), een locatieverbod (met elektronische monitoring), het meewerken aan en een actieve inspanning verrichten voor het verkrijgen en behouden van een structurele en zinvolle dagbesteding (waaronder begeleiding van een coach vanuit Zware Jongens en de Zorgsportschool), een ambulante behandeling gericht op het afnemen van risico’s van radicalisering (bijvoorbeeld Pro Zorg van De Waag), een social media verbod met controle, het meewerken aan gesprekken over geloofsbeleving / ideologie en een contactverbod met de medeverdachten. Daarnaast adviseert de Raad aan de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, om een duidelijk signaal af te geven dat wat hij heeft gedaan niet acceptabel is.
Er zijn grote zorgen over het gedachtegoed van de verdachte en zijn houding. De Raad ziet een groot risico op de kans op herhaling. De combinatie van de zorgelijke thuissituatie en het eigen gemaakte gedachtegoed met extremistisch denkkader, waarnaar gehandeld wordt, baart de Raad zorgen. Gezien het hoge risico op gewelddadig extremisme is de Raad van mening dat toezicht en begeleiding door de TER-unit van Reclassering Nederland passend is om de verdachte buiten de justitiële jeugdinrichting een eerlijke en reële kans te geven om niet te vervallen in delictgedrag. Daarbij acht de Raad de kans op een uitreis naar strijdgebied aanwezig. De TER-unit heeft de kennis, expertise en ervaring om in te spelen op het risicobeeld, waarbij in combinatie met het kinderbeschermingskader ook vanuit het opvoedingssysteem kan worden samengewerkt en aan de gestelde doelen kan worden gewerkt.
Het Terrorisme, Extremisme en Radicaliseringsteam (TER-team) van Reclassering Nederland (hierna te noemen: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De reclassering concludeert dat de verdachte zich nog geen ander denkkader eigen heeft gemaakt dan wel heeft kunnen maken en/of willen maken. Zijn huidige denkbeelden vallen nog steeds binnen een jihadistisch salafistisch denkkader. Hij redeneert aan de hand van extremistische concepten. Daarbij staat hij maar zeer beperkt tot niet open voor andersdenkenden. De verdachte meent dat hij niet is gehersenspoeld door IS(IS). Gezien de aard van het delict en de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan, zal uitgebreid aandacht moeten zijn en blijven voor de geloofsbeleving van de verdachte. Begeleiding is noodzakelijk omdat de verdachte heeft laten zien een beïnvloedende en leidende rol te kunnen aannemen, waardoor mogelijk misinformatie terecht kan komen bij andere beïnvloedbare jongeren. Verder kan gedacht worden aan een contactverbod met de medeverdachten en dient er zicht te zijn en te blijven op het (online) netwerk van de verdachte.
Deze adviezen zijn ter zitting toegelicht door de betreffende deskundigen.
De GZ-psycholoog [naam 3] en forensisch milieuonderzoeker [naam 4] (NIFP) hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 november 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
De verdachte wordt weliswaar in zijn persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd, maar bij de verdachte is geen sprake van een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap, ook niet ten tijde van het ten laste gelegde, waardoor hij ten tijde van het ten laste gelegde werd beïnvloed. Er zijn geen aanwijzingen voor een verminderde toerekenbaarheid. Gelet hierop wordt geadviseerd om de verdachte het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen. De kans op gewelddadig recidive wordt in algemene zin laag geschat. De verdachte kent geen gewelddadig verleden, toont geen problemen in de agressieregulatie op school, thuis of in zijn vrije tijd. Hij beschikt over voldoende basisvaardigheden om zijn dagelijks functioneren naar behoren vorm te geven. Op basis van taxatie-instrumenten en de klinische indruk wordt het recidiverisico op gewelddadig extremisme van de verdachte op matig tot hoog geschat zonder interventies. De ouders lijken weinig invloed uit te hebben kunnen oefenen op zijn radicaliseringsproces en hebben dit ook onvoldoende in de gaten gehad. Het is goed voorstelbaar dat de verdachte zonder interventies, mede gezien zijn houding ten opzichte van de medeverdachten en zijn geradicaliseerd netwerk alsook zijn salafistische geloofsovertuiging, recidiveert. Sturing en toezicht is nodig voor vermindering van het recidiverisico. Gedacht wordt aan toezicht vanuit de jeugdreclassering, toezicht op de gegevensdragers van de verdachte en behandeling gericht op het stimuleren van de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, het verbeteren van zijn gewetensontwikkeling en het bevorderen van pro-sociale gedragskeuzes. Tot slot is het wenselijk dat de verdachte in gesprek gaat over zijn ideologie, hierin wordt begeleid en dat er zicht blijft op zijn overtuigingen. Deze interventies kunnen middels bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf worden vormgegeven.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusies van de deskundigen van het NIFP worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake van een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap, waardoor hij werd beïnvloed. Er zijn daarom geen aanwijzingen voor een verminderde toerekenbaarheid.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank neemt hierbij een aantal omstandigheden in overweging. Uit de rapportages komt naar voren dat er grote zorgen zijn over het gedachtegoed van de verdachte en zijn houding. De verdachte is geradicaliseerd en heeft met zijn handelen en denkbeelden anderen beïnvloed en meegetrokken. Hij heeft hierbij een leidende en sturende rol gehad. Zonder behandeling en begeleiding is het gevaar op herhaling groot, temeer nu de verdachte (vooralsnog) niet open lijkt te staan voor andere invloeden. Ter terechtzitting is dit heel duidelijk gebleken.
De rechtbank acht het daarom van groot belang dat de verdachte wordt begeleid en behandeld, waarbij ook uitgebreid aandacht moet zijn voor de geloofsbeleving. Deze begeleiding en behandeling kan plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank geeft ook rekening gehouden met het feit dat verdachte tijdens een korte periode van de ten laste gelegde pleegperiode 15 jaar was.
De rechtbank zal daarom een (groot) deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar en met de voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd en de kanttekeningen die daarbij door de officier van justitie zijn geplaatst. In aanvulling hierop merkt de rechtbank op dat het contactverbod met [naam 5] niet zal worden opgelegd. De verdachte heeft immers zelf geen contact met haar gehad. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen geen ruimte om aan de verdachte ook nog een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de ernst van de feiten en de inhoud van voornoemde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, te weten een jeugddetentie voor de duur van 431 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de algemene en hierna te noemen bijzondere voorwaarden en de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.
8. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
De in beslag genomen goederen, te weten een iPhone 13, een Dell Chromebook, een HP Chromebook, twee notitieboeken en het speelgoedwapen, zullen worden verbeurd verklaard, nu de bewezen feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en de voorwerpen tot het begaan van de bewezen misdrijven zijn bestemd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 131, 132, 134a en 140a van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 431 (vierhonderdeenendertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 150 (honderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door Reclassering Nederland te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op de volgende internationale luchthavens: Schiphol, Rotterdam The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht, zolang de reclassering dit nodig acht. Tevens wordt de veroordeelde verboden Nederland te verlaten en/of zich bij het grensgebied van Nederland te begeven. De verdachte dient op 2 kilometer afstand van de landsgrenzen te blijven; waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden, voor de maximale duur van zes maanden of zoveel korter als de reclassering nodig acht;
- gedurende de proeftijd aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres], [postcode] in [plaatsnaam], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De reclassering stelt in overleg met de verdachte de precieze tijdstippen vast. Bij de start van het locatiegebod hoeft de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van twaalf uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat twee uur. In de weekenden heeft de verdachte een aaneengesloten blok van vier uur per dag vrij te besteden. De reclassering kan de bloktijden wijzigen; waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden, voor de maximale duur van zes maanden of zoveel korter als de reclassering nodig acht;
- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan en een actieve inspanning verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van een structurele en zinvolle dagbesteding, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen en afspraken die hem in het kader van die dagbesteding zullen worden gegeven. In ieder geval dient de verdachte mee te werken aan begeleiding van een coach vanuit Zware Jongens en aan dagbesteding in de vorm van de Zorgsportschool;
- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan forensische behandeling gericht op het afnemen van risico’s van radicalisering, zoals de PROZORG-behandeling van De Waag of een soortgelijke ambulante instelling voor forensische zorg, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar worden gegeven;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – gebruik zal (laten) maken van sociale media platforms zoals (maar niet uitsluitend) Telegram, TikTok, Snapchat en Instagram en andere platforms, waar hij een grotere groep mensen kan bereiken met zijn woorden dan wel uitlatingen, met uitzondering van WhatsApp, zolang de reclassering dit nodig acht. Het wordt de veroordeelde verboden om software te gebruiken om het verbod van sociale media platforms te omzeilen, zoals Tor. VPN 12P of Freenet. De veroordeelde vermijdt dat hij in aanraking komt met jihadistisch, extremistisch, en/of radicaal materiaal en vermijdt dat er jihadistisch, extremistisch, en/of radicaal materiaal op zijn digitale gegevensdragers komt en verder wordt verspreid. De veroordeelde onthoudt zich op welke wijze dan ook van het bezoeken van een digitale omgeving waarin jihadistisch, extremistisch, en/of radicaal materiaal kan worden verkregen, en het bezoeken van/deelnemen aan een digitale omgeving waarin over jihadistisch, extremistisch, en/of anderszins radicaal gedachtegoed wordt gecommuniceerd, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd ter naleving van de bovengenoemde verboden zijn medewerking zal verlenen aan (onaangekondigde) controles van zijn digitale gegevensdragers, indien en zolang de reclassering deze verboden nodig vindt, ook wanneer dit inhoudt dat het digitale onderzoek door een externe deskundige (bijvoorbeeld een ambtenaar van de politie) wordt verricht, waarbij het aantal controles wordt gemaximeerd op 6 keer per jaar. De veroordeelde verstrekt toegang tot zijn gegevensdragers;
- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken over geloofsbeleving/ideologie met een door de reclassering aan te wijzen (theologisch) deskundige, zolang de reclassering dit nodig vindt. De (theologisch) deskundige bepaalt de gespreksonderwerpen en het traject en beoordeelt of er daadwerkelijk sprake is van een constructieve medewerking;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 (subsidiair), 2 en 3:
1. STK Telefoontoestel (omschrijving: Iphone 13)
Beslagcode DR177.001.001.001;
2. 1 STK LAPTOP (omschrijving: Deil Chromebook)
Beslagcode: DR177.001.002.001;
3. 1 STK Laptop (omschrijving: HP Chromebook)
Beslagcode: DR177.002.002.001;
4. 2 STK notitieboeken (omschrijving: zwarte notitieboeken)
Beslagcode: DR177.003.001.001;
5. 1 STK speelgoedwapen
Beslagcode DR177.004.001.001;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg en V.E. Scholtens, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
Bijlage
Tekst nader omschreven tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij
op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2024 tot
en met 22 april 2025 te
De Rijp, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van
de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83
en/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het
Wetboek van Strafrecht, te weten:
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is (te)
begaan met een terroristisch oogmerk,
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen
plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe
gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het
misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te
verschaffen en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd
zijn tot het plegen van het misdrijf,
door,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende
Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische
organisaties als Islamitische Staat (IS) eigen te maken, en/of
B. de eed van trouw te zweren aan IS(IS) en/of
C. via TikTok contact te hebben met een of meer anderen, te weten met
onder meer ‘[naam 1]’, over het verkrijgen van (vuur)wapens en/of
het plegen van een of meer aanslag(en) in Nederland, en/of vervolgens
meermalen op Telegram uitvraag heeft gedaan naar een (vuur)wapen;
D. in één of meer geschrift(en) een afscheidsbrief te schrijven, waarin hij
afscheid neemt van zijn moeder en het martelaarschap wordt
verheerlijkt, en/of
E. in de groepschat ‘Nee’ op Snapchat aan één of meer anderen voor te
stellen om een aanslag te plegen;
(Artikel art 96 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou
kunnen leiden:
hij
in de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 april 2025 te De Rijp,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
zich en/of een ander,
opzettelijk
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft
getracht te verschaffen, tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan
wel tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding en/of ter
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83
dan wel artikel 83b Wetboek van strafrecht dan wel zich kennis of
vaardigheden daartoe heeft verworven en/of een ander heeft
bijgebracht,
door
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende
Jihadstrijd
met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties
als Islamitische Staat (IS) eigen te maken, en/of
B. de eed van trouw te zweren aan IS(IS) en/of
C. via TikTok contact te hebben met een of meer anderen, te weten met
onder meer ‘[naam 1]’, over het verkrijgen van (vuur)wapens en/of
het plegen van een of meer aanslag(en) in Nederland, en/of vervolgens
meermalen op Telegram uitvraag heeft gedaan naar een (vuur)wapen;
D. in één of meer geschrift(en) een afscheidsbrief te schrijven, waarin hij
afscheid neemt van zijn moeder en het martelaarschap wordt
verheerlijkt, en/of
E. in de groepschat ‘Nee’ op Snapchat aan één of meer anderen voor te
stellen om een aanslag te plegen;
(art 134a Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode 1 januari 2024 tot en met 22 april 2025 te
De Rijp en/of Rotterdam en/of ‘s-Gravenhage en/of Tilburg en/of Nieuw
Vennep, althans in Nederland en/of in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Islamitische Staat (IS),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische)
misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of
dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157
Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk
(zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of
bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel
176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of
E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie
van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de
Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk
en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of
gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de
Wet Wapens en Munitie);
(art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks periode 1 januari 2024 tot en
met 22 april 2025 te De Rijp en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en) en/of alleen,
(telkens)
A
in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding, tot
een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, en/of
enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
heeft opgeruid
door:
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(‘s) via
TikTok en/of Instagram waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig
jihadisme en/of het martelaarschap wordt verheerlijk, te weten:
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een
fragment uit een toespraak van [naam 2]
waarin wordt opgeroepen voort te gaan in de strijd op het pad
van Allah en waarin de het sterven als martelaar in de jihad wordt
verheerlijkt (Video 1, p. 372-373) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een
gesproken tekst waarin een overlevering wordt voorgelezen over
de beloning met het Paradijs voor moslims die omkomen in de
strijd tegen de vijand. Op de achtergrond speelt eveneens een
nashid die de beloning van martelaren in het Paradijs bezingt
(Video 5, p. 374) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het Instagramaccount abu6dosh), met als inhoud
beelden van strijders in voertuigen en met vuurwapens,
IS-vlaggen en een nashid over de opkomst en het doel van IS,
waarin de gewapende strijd en de standvastigheid van de strijders
die bereid zijn hun leven te geven voor de overwinning en voor
God wordt bezongen (Vid 1 Instagram, p. 375)
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 2]), met als inhoud
(onder meer) een nashid met lofzang op de martelaren en de
oproep om ten strijde te trekken in de jihad, om te serven op het
pad van Allah of om de overwinning te bereiken, en om de
vijanden te terroriseren ([bestand]
, onder 14 genoemd, p.
377 en 378)
B
een geschrift en/of afbeelding,
waarin tot een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding
of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf en/of tot enig
strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
wordt opgeruid, heeft verspreid, of om verspreid te worden in voorraad
heeft gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden
had(den) om te vermoeden dat in het/de geschrift(en) en/of de
afbeelding(en) zodanige opruiing voorkomt,
door:
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(’s)
waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig jihadisme en/of het
martelaarschap wordt verheerlijk via TikTok en/of Instagram, te weten:
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een
fragment uit een toespraak van [naam 2]
waarin wordt opgeroepen voort te gaan in de strijd op het pad
van Allah en waarin de het sterven als martelaar in de jihad wordt
verheerlijkt (Video 1, p. 372-373 van het dossier) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 1]), met als inhoud een
gesproken tekst waarin een overlevering wordt voorgelezen over
de beloning met het Paradijs voor moslims die omkomen in de
strijd tegen de vijand. Op de achtergrond speelt eveneens een
nashid die de beloning van martelaren in het Paradijs bezingt
(Video 5, p. 374) en/of
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het Instagramaccount abu6dosh), met als inhoud
beelden van strijders in voertuigen en met vuurwapens,
IS-vlaggen en een nashid over de opkomst en het doel van IS,
waarin de gewapende strijd en de standvastigheid van de strijders
die bereid zijn hun leven te geven voor de overwinning en voor
God wordt bezongen (Vid 1 Instagram, p. 375)
- een door verdachte zelf bewerkte en/of gewaarmerkte video
(geplaatst op het TikTokaccount [account 2]), met als inhoud
(onder meer) een nashid met lofzang op de martelaren en de
oproep om ten strijde te trekken in de jihad, om te serven op het
pad van Allah of om de overwinning te bereiken, en om de
vijanden te terroriseren ([bestand]
, onder 14 genoemd, p.
377 en 378) en/of
(art 131 lid 2 en art. 132 lid 3 Wetboek van Strafrecht)