Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 71/094577-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te ‘ [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 30 januari 2026 en 27 februari 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van het feit als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. G. Sannes heeft gevorderd:
- de eerste genoemde voorwaarde omtrent het social mediagebruik moet worden verwijderd;
- de tweede genoemde voorwaarde omtrent het social media gebruik moet worden aangevuld met een verbod om software te gebruiken om het social media verbod te omzeilen;
- de verdachte werkt mee aan de inhoudelijke controle van zijn gegevensdragers, indien
en zolang de reclassering dit nodig vindt, ook wanneer dit inhoudt dat het digitale
onderzoek door een externe deskundige (waaronder een ambtenaar van de politie) kan
worden verricht, waarbij het aantal controles wordt gemaximeerd op 6 keer per jaar;
- de verdachte werkt mee aan een ambulante behandeling van De Waag (Pro Zorg);
- de verdachte werkt mee aan begeleiding door de LSE of NTA;
- de voorwaarde met betrekking tot het verbod om Nederland te verlaten dan wel zich in
het grensgebied te begeven en het verbod zich begeven op de genoemde luchthavens moet
vervallen;
- een uitbreiding van het geadviseerde contactverbod naar 19 personen;
4. Vrijspraak
Vrijspraak zonder nadere motivering ten aanzien van feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 3
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair (voor wat betreft de onderdelen B en C) en het onder 3 ten laste gelegde.
De officier van justitie komt tot de conclusie dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd niet eigen heeft gemaakt en dat hij van onderdeel A moet worden vrijgesproken, omdat hij de lezing van de verdachte dat hij de uitingen heeft gedaan om indruk te maken op de medeverdachten geloofwaardig acht. Daarmee ontbreekt weliswaar het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven ten aanzien van de onderdelen A, D en E, maar de verdachte heeft wel met een medeverdachte gesproken over het verkrijgen van (vuur)wapens en het plegen van een aanslag. Daarnaast heeft hij – op aangeven van die medeverdachte – uitvraag gedaan op social media voor het verkrijgen van wapens. De verdachte had gelet op de gesprekken met deze medeverdachte kunnen weten dat bij deze medeverdachte wel sprake was van een extremistisch jihadistisch gedachtegoed. Gelet hierop heeft de verdachte met zijn handelen bevorderd dat de medeverdachte, die het oogmerk op het plegen van een aanslag wel had, zijn plannen zou kunnen verwezenlijken. Dit levert een bewezenverklaring op van de onderdelen B en C van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu het daarvoor vereiste oogmerk wel aanwezig was.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de verdachte door het herplaatsen van de ten laste gelegde video (zonder bijschrift) zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing tot een terroristisch misdrijf. In de video komen onder ander Abu Mus’ab al-Zarqawi, Osama Bin Laden en Abu Bakr al-Baghdadi in beeld en wordt het martelaarschap van de jihadstrijder en het plegen van zelfmoordaanslagen verheerlijkt. Gelet op het feit dat gewelddadige jihadistische organisaties als Islamitische Staat (IS) dit soort propaganda gebruiken ter werving van nieuwe aanwas, wordt met de inhoud van de video het worden van jihadstrijder indirect gepromoot. De video was daarbij op het TikTok-account van de verdachte te raadplegen, zodat sprake is van openbaarheid.
Beoordeling
Ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair)
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is om tot een bewezenverklaring te komen van de in artikel 96, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven, voldoende dat het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht. Een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is daarbij niet vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de voor toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96, tweede lid, Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk terroristisch misdrijf de ander aan artikel 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Aan de verdachte is het medeplegen van een aantal gedragingen ten laste gelegd die volgens de officier van justitie wat betreft onderdeel B en C strekken tot het opzettelijk met het terroristisch oogmerk voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of teweegbrengen van een ontploffing.
De verdachte heeft ter terechtzitting grotendeels bekend dat hij deze handelingen heeft verricht, maar hij heeft steeds stellig ontkend dat hij zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS heeft eigen gemaakt.
Hoewel deze omstandigheden bij elkaar genomen leiden tot een gerechtvaardigde verdenking van het onder feit 1 (primair) ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor het plegen van een terroristisch misdrijf, is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van zowel het primair alsook het subsidiair ten laste gelegde training voor terrorisme onvoldoende bewijs voorhanden is. Daartoe is het volgende van belang.
De verdachte heeft als gezegd ontkend dat hij het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS eigen heeft gemaakt en dat hij voornoemde handelingen dus heeft gepleegd met het oog op het begaan van een terroristisch misdrijf. Deze stellingname van de verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de bevindingen uit het politieonderzoek, de persoonlijkheidsonderzoeken en het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS heeft eigen gemaakt.
De officier van justitie heeft niettemin betoogd dat het ontbreken van het extremistisch gedachtegoed in dit geval niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van de onderdelen B en C van het onder feit 1 (primair), en dat daarmee toch sprake is van het bevorderen van een terroristisch misdrijf. De rechtbank ziet dat anders. Omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed heeft eigen gemaakt, kan evenmin worden geconcludeerd dat hij bij zijn handelingen toch een terroristisch oogmerk heeft gehad. De aanwezigheid van radicaal extremistisch gedachtegoed is immers van wezenlijk belang bij de beoordeling van het oogmerk en de intentie en opzet van de verdachte op het ten laste gelegde.
Daarbij komt nog dat uit voornoemde handelingen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een voldoende vergevorderd plan had om zelf deel te nemen aan het plegen van een terroristisch misdrijf en evenmin welk misdrijf dat dan zou zijn. Uit het onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de verdachte onvoldoende op de hoogte was van de (eventuele) intenties van de medeverdachte [medeverdachte] , zijnde de medeverdachte met wie hij heeft gechat over het verkrijgen van (vuur)wapens. Dit maakt dat de rechtbank niet tot de vaststelling kan worden gebracht dat de verdachte voorbereidings- of bevorderingshandelingen heeft gepleegd met een terroristisch oogmerk.
De rechtbank betrekt in dit verband ook de omstandigheid dat bij de aanhouding van de verdachte en bij de doorzoeking van zijn woning geen (onderdelen van) wapens, munitie of ander materiaal is aangetroffen, waaruit mogelijk (de voorbereiding van) een terroristisch misdrijf zou kunnen worden afgeleid.
De rechtbank komt daarom niet tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Het voorgaande geldt evenzeer voor het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde training voor terrorisme. Om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen, is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op het trainen voor een terroristisch misdrijf. Omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed heeft eigen gemaakt, kan evenmin worden bewezen dat hij opzet heeft gehad op het trainen voor terrorisme. De verdachte dient daarom ook van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook het onder feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
In het artikel 131 Sr en het aanverwante “verspreidingsdelict” artikel 132 Sr, is opruiing tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag strafbaar gesteld. Bij artikel 132 Sr gaat het erom dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven. Voor een bewezenverklaring van opruiing moet, zo volgt uit de jurisprudentie, aan vier vereisten worden voldaan:
1. Er moet zijn aangezet tot iets ongeoorloofds;
2. Er moet sprake zijn van opzet;
3. Vereist is verder dat de uitlating in het openbaar is gedaan. Van belang is hierbij te vermelden dat het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven;
4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan.
De ten laste gelegde video betreft een video van (onder meer) Abu Mus’ab al-Zarqawi, Osama Bin Laden en Abu Bakr al-Baghdadi die herplaatst is op het TikTok-account [accountnaam 1] , waarin het sterven als martelaar in de jihadstrijd en zelfmoordaanslagen worden verheerlijkt. Ook worden twee van hen afgebeeld op een witte wolk en één van hen met een gepantserd voertuig dat wordt gebruikt bij zelfmoordaanslagen. De beelden worden begeleid door een Engelstalige smeekbede. De Midden-Oosten deskundige van de politie heeft geverbaliseerd dat de betreffende smeekbede kan worden opgevat als een verlangen naar het paradijs.
Hoewel de video, zeker tegen de achtergrond van onderhavig dossier, zonder meer bedenkelijk kan worden genoemd, is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de video in deze vorm op zichzelf niet als opruiend kan worden beoordeeld. In de video is weliswaar sprake van verheerlijking van de afgebeelde personen en mogelijk hun gedachtegoed, maar niet is gebleken dat door die verheerlijking (in)direct wordt opgeroepen tot het plegen van (terroristische) misdrijven. De beelden bevatten geen oproep of instructies tot het plegen van geweld. Het opruiende karakter ontbreekt. De verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.
Conclusie
Het onder 1 (primair en subsidiair), 2 en 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen goederen verzocht de telefoons behorende aan de ouders van de verdachte (de iPhone 15 en de Samsung S20) en de telefoon en laptops (schoollaptop, Dell Chromebook en de Samsung A14SR) te retourneren, nu de feiten in beginsel tot stand kunnen komen door elk willekeurig communicatiemiddel en de verdachte, alsmede zijn ouders, een groot persoonlijk belang hebben bij teruggave.
Beoordeling
De in beslag genomen goederen behoren toe aan de verdachte. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde zal een last worden gegeven tot teruggave van de goederen aan de verdachte.
6. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
7. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair en subsidiair), 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. STK GSM
(Omschrijving:
[beslagnummer 1]
T'ELEFOON Samsung [serienummer 1] met
hoesje, Zwart, merk: Samsung);
3 1 STK GSM
(Omschrijving:
[beslagnummer 2]
T'ELEFOON lphone 15, Zwart, merk:
Apple);
4 1 STK GSM
(Omschrijving:
[beslagnummer 3]
TELEFOON Samsung [serienummer 2] , Wit,
merk: Samsung);
5 1 STK Computer
(Omschrijving:
[beslagnummer 4] Dell
chromebook, Zwart, merk: Dell);
6 1 STK Computer
(Omschrijving:
[beslagnummer 5] Lenovo
[serienummer 3] Tablet, Zwart, merk:
Lenovo);
7 1 STK GSM
(Omschrijving:
[beslagnummer 6]
TELEFOON Samsung A20 E met
hoesje, Zwart, merk: Samsung);
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en K.T.F. Chocolaad-De Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J.A. Batenburg en V.E. Scholtens, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
Bijlage
Tekst nader omschreven tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij
op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2024 tot
en met 22 april 2025 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van
de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83
en/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het
Wetboek van Strafrecht, te weten:
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is (te)
begaan met een terroristisch oogmerk,
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen
plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe
gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het
misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te
verschaffen en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd
zijn tot het plegen van het misdrijf,
door,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende
Jihadstrijd
met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties
als Islamitische Staat (IS) eigen te maken, en/of
B. via TikTok contact te hebben met een of meer anderen, te weten met
onder meer ‘ [accountnaam 2] ’ en/of ‘ [accountnaam 3] ’, over het verkrijgen van
(vuur)wapens en/of het plegen van een of meer aanslag(en) in
Nederland, en/of
C. via Telegram in de groep ‘ [groepsnaam] ’ een uitvraag te doen naar
het kopen van wapens en/of via Telegram contact te hebben met een of
meer anderen, te weten met onder meer de gebruiker(s) ‘ [gebruikersnaam 1] ’
en/of ‘ [gebruikersnaam 2] ’, over het kopen en/of leveren van (vuur)wapens
en/of
D. een IS-instructievideo voor het maken van een explosief (p.1394)
en/of een document ‘ [documentnaam] ’ (p. 1287), waarin wordt uitgelegd
wanneer het is toegestaan anderen te vermoorden en over het plegen
van zelfmoordoperaties, te downloaden en/of op te slaan en/of
voorhanden te hebben en/of te verspreiden en/of
E. zich online laten informeren over het plegen van een
zelfmoordoperatie en/of het martelaarschap door op het internet te
zoeken op onder andere de woorden ‘suicide operation’ en/of
‘istishaad’;
(Artikel art 96 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij
in de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 april 2025 te
‘s-Gravenhage, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
zich en/of een ander,
opzettelijk
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft
getracht te verschaffen, tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan
wel tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding en/of ter
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83
dan wel artikel 83b Wetboek van strafrecht dan wel zich kennis of
vaardigheden daartoe heeft verworven en/of een ander heeft
bijgebracht,
door
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende
Jihadstrijd
met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties
als Islamitische Staat (IS) eigen te maken, en/of
B. via TikTok contact te hebben met een of meer anderen, te weten met
onder meer ‘ [accountnaam 2] ’ en/of ‘ [accountnaam 3] ’, over het verkrijgen van
(vuur)wapens en/of het plegen van een of meer aanslag(en) in
Nederland, en/of
C. via Telegram in de groep ‘The Chosselaars’ een uitvraag te doen naar
het kopen van wapens en/of via Telegram contact te hebben met een of
meer anderen, te weten met onder meer de gebruiker(s) ‘ [gebruikersnaam 1] ’
en/of ‘ [gebruikersnaam 2] ’, over het kopen en/of leveren van (vuur)wapens
en/of
D. een IS-instructievideo voor het maken van een explosief (p.1394)
en/of een document ‘ [documentnaam] ’ (p. 1287), waarin wordt uitgelegd
wanneer het is toegestaan anderen te vermoorden en over het plegen
van zelfmoordoperaties, te downloaden en/of op te slaan en/of
voorhanden te hebben en/of te verspreiden en/of
E. zich online laten informeren over het plegen van een
zelfmoordoperatie en/of het martelaarschap door op het internet te
zoeken op onder andere de woorden ‘suicide operation’ en/of
‘istishaad’.
(art 134a Wetboek van Strafrecht)
2
hij
in of omstreeks de periode 1 januari 2024 tot en met 22 april 2025 te De
Rijp en/of Rotterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Tilburg en/of Nieuw
Vennep, althans in Nederland en/of in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Islamitische Staat (IS),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische)
misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of
dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157
Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk
(zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel
289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of
bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel
176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of
E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie
van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de
Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk
en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of
gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de
Wet Wapens en Munitie);
( art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks periode 1 januari 2024 tot en
met 22 april 2025 te ‘s-Gravenhage en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en) en/of alleen,
(telkens)
A
in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding, tot
een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, en/of
enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
heeft opgeruid,
door :
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(‘s) via
TikTok waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig jihadisme en/of
het martelaarschap wordt verheerlijk, te weten:
- een video over (onder meer) Abu Mus’ab al-Zarqawi, Osama Bin
Laden en Abu Bakr al-Baghdadi (herplaatst op het TikTokaccount
[accountnaam 1] ), waarin het sterven als martelaar in de jihadstrijd en
zelfmoordaanslagen worden verheerlijkt ( [naam bestand 1] , p.
1694-1695 en p. 1093 (beschrijving [naam bestand 2] )) en/of
B
een geschrift en/of afbeelding,
waarin tot een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding
of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf en/of tot enig
strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
wordt opgeruid, heeft verspreid, of om verspreid te worden in voorraad
heeft gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden
had(den) om te vermoeden dat in het/de geschrift(en) en/of de
afbeelding(en) zodanige opruiing voorkomt,
door:
- het verspreiden van bericht(en) en/of afbeelding(en) en/of video(‘s)
waarin wordt opgeroepen tot het gewelddadig jihadisme en/of het
martelaarschap wordt verheerlijk via TikTok en/of Instagram, te weten:
- een video over (onder meer) Abu Mus’ab al-Zarqawi, Osama Bin
Laden en Abu Bakr al-Baghdadi (herplaatst op het TikTokaccount
[accountnaam 1] ), waarin het sterven als martelaar in de jihadstrijd en
zelfmoordaanslagen worden verheerlijkt ( [naam bestand 1] , p.
1694-1695 en p. 1093 (beschrijving [naam bestand 2] ));
(art 131 lid 2 en art. 132 lid 3 Wetboek van Strafrecht)