ECLI:NL:RBROT:2026:2003

ECLI:NL:RBROT:2026:2003

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-01-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer NL:TZ:2600108:R-RK en NL:TZ:2600110:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Toewijzing voorlopige voorziening. Voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]

Uitspraak van 23 januari 2026

In de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats]

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 5 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 5 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 januari 2026.

Ter zitting van 16 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:

Ter zitting heeft de partner van verzoeker toegelicht dat verzoeker sinds oktober 2025 in het ziekenhuis verblijft en wegens gezondheidsklachten niet ter zitting aanwezig kan zijn. Zij heeft aan de rechtbank een door verzoeker ondertekende machtiging overgelegd op basis waarvan zij hem ter zitting vertegenwoordigt en wordt bijgestaan door mr. Raaijmakers.

Woningstichting Samenwerking Vlaardingen, gevestigd te Vlaardingen (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

3. Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 6 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij met zijn partner en hun vijf minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 december 2020 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De maandelijkse huur beloopt € 643,39. De inkomsten van verzoeker en zijn partner bestaan uit een ZW- respectievelijk Wajong-uitkering en kindgebonden budget en zijn voldoende om de lopende termijnen te betalen. De huur van januari is betaald op 2 januari 2026. Daarnaast is met spoed beschermingsbewind aangevraagd, wat de lopende huurbetalingen zal waarborgen. Als dit nog niet lukt door beschermingsbewind, dat naar verwachting op korte termijn zal kunnen starten, zal de partner van verzoeker ervoor zorgen dat de huur tijdig wordt voldaan, in het bijzonder de huur over februari 2026. Het schuldhulptraject zal, zodra het beschermingsbewind van kracht is, door de beschermingsbewindvoerder met de gemeente worden opgepakt.

Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 december 2020 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 januari 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.P. van Eeden-van Harskamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?