RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 23 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] [land]
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 5 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 januari 2026.
Ter zitting van 16 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. Verzoeker heeft te kennen gegeven de verkeerde keuzes te hebben gemaakt en zijn inkomen aan de verkeerde dingen te hebben uitgegeven waardoor onder andere de schuld aan Woonstad is ontstaan. Inmiddels heeft hij zich bij Geldplein gemeld om een duurzame oplossing voor zijn schuldenproblematiek te realiseren. Bovendien heeft verzoeker op 30 december 2025 beschermingsbewind aangevraagd.
3. Het verweer
Woonstad heeft ter zitting verklaard dat dat de huurachterstand inmiddels € 6.087,90 beloopt. De maandelijkse huur bedraagt € 520,43. De betalingen van de lopende huur hebben prioriteit. De huur over de maand januari 2026 is betaald, maar door de zus van verzoeker, en Woonstad maakt zich zorgen over de betaling van de lopende huur.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 19 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 6 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 november 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur van januari 2026 is tijdig en volledig voldaan met behulp van de zus van verzoeker. Verzoeker heeft voldoende inkomsten uit zijn PW-uitkering en huurtoeslag om de huur te kunnen betalen en heeft ter zitting verklaard de huur van februari 2026 hoe dan ook volledig en tijdig te betalen, omdat hij zich er nu bewust van is dat hij anders zijn woning kwijt raakt. Daarnaast heeft verzoeker beschermingsbewind aangevraagd, dat naar verwachting op korte termijn in werking zal treden, wat de betaling van de daaropvolgende lopende huurtermijnen zal waarborgen. Woonstad heeft ter zitting toegelicht dat zij de betaling van de lopende huur van belang vindt, met name de huur over februari lijkt nog niet te zijn gewaarborgd, maar dat zij wel bereid is af te wachten of verzoeker zijn toezegging nakomt. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldregeling naar verwachting binnenkort zal kunnen worden gestart zodra de inventarisatie van de schulden is afgerond. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 november 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Harskamp, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.