RECHTBANK ROTTERDAM
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/374 (verzoek) en ROT 26/336 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
en
Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden (SUWR), namens het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen
(gemachtigde: mr. S.F. Dik).
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring. De aanvraag is afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Omdat het beroep ongegrond is, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter biedt eiseres wel een aantal handreikingen.
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 5 augustus 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. SUWR heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2025 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen op 4 oktober 2025 bezwaar gemaakt.
Op 17 december 2025 heeft de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden.
Met het bestreden besluit van 13 januari 2026 heeft SUWR het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. SUWR volgt met dit besluit het advies van de Bezwarencommissie Huisvesting regio Rotterdam van 7 januari 2026. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (ROT 26/336) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/374).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van SUWR.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Eiseres is een alleenstaande moeder van vier kinderen (geboren in 2010, 2012, 2013 en 2023) en erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Eiseres kampt al langere tijd met lichamelijke en psychische klachten. Oorzaak van haar klachten zijn onder meer: problemen met haar vader, de huisvesting en de verantwoordelijkheid voor haar gezin. Eiseres ontvangt hulp en bijstand van Brede Zorg. De hulpverlening heeft haar aangeraden een urgentieaanvraag in te dienen.
3. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft eiseres verklaard dat zij in 2010 haar ouderlijk huis in Gouda is ontvlucht, omdat zij (psychisch) werd mishandeld en bedreigd door haar vader. Hierna heeft zij een jaar in de vrouwenopvang verbleven. Sindsdien staat zij in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven met een afgeschermd adres. Sinds 29 november 2013 is dat het huidige woonadres. Eisers heeft een urgentieaanvraag ingediend omdat de bedreiging door haar vader volgens haar nog steeds actueel is. Hij is kort voor de aanvraag nog in de buurt van haar woning gesignaleerd, op zoek naar haar. Eiseres voelt zich daarom niet meer veilig in haar huidige woonomgeving. Daar komt bij dat de huidige woning niet geschikt is voor een gezin met vier kinderen. Er is gebrek aan rust, ruimte en privacy. Dit levert onderlinge spanningen op en zorgt voor problemen bij het maken van huiswerk. Het maakt ook dat eiseres haar situatie als onveilig, psychisch belastend en structureel onhoudbaar ervaart.
Het bestreden besluit
4. SUWR heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor urgentie op grond van de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ wordt voldaan. Zo ligt er geen verklaring van de politie dat eiseres om veiligheidsredenen niet meer in haar huidige woning kan verblijven. SUWR heeft de politie voorafgaande aan het besluit gevraagd om advies uit te brengen over de situatie van eiseres. Op 2 oktober 2025 heeft de politie meegedeeld dat de situatie van eiseres bij hen niet bekend is, zodat zij geen (positief of negatief) advies kunnen uitbrengen. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft SUWR de politie nogmaals gevraagd om advies. Hierop heeft de politie wederom aangegeven geen advies te kunnen uitbrengen, omdat de problematiek van eiseres bij de politie niet bekend is. Ook anderszins is niet gebleken dat de veiligheid van eiseres in het geding is. Daarom meent het SUWR dat de aanvraag niet op deze grond kan worden ingewilligd.
SUWR heeft ook gekeken of eiseres wellicht om medische redenen voor urgentie in aanmerking komt. SUWR heeft eiseres daarom voorgesteld een medische keuring te laten doen door de GGD. Hiervoor diende zij een eigen bijdrage van €50,- te betalen. Omdat eiseres de eigen bijdrage niet wilde betalen heeft geen medische keuring of verder onderzoek meer plaatsgevonden.
Met het bestreden besluit heeft SUWR het bezwaar daarom ongegrond verklaard.
De gronden van beroep
5. Eiseres is het er niet mee eens dat zij geen urgentieverklaring krijgt. De afwijzingsgrond dat haar situatie bij de politie niet bekend is, doet volgens eiseres geen recht aan de ernst van de feitelijke situatie. Eiseres heeft geen aangifte bij de politie durven doen van de bedreiging door haar vader. Dit heeft te maken met haar Turks-islamitische achtergrond. Het doen van aangifte zou de problemen alleen maar verergeren. Dit betekent echter niet dat geen sprake is van een reële dreiging. Die blijkt al uit het feit dat zij in de vrouwenopvang heeft verbleven en nog steeds een afgeschermd adres heeft.
Eiseres benadrukt verder dat doelmatige hulpverlening pas echt op gang kan komen als zij een geschiktere (lees: grotere) woning voor zichzelf en haar kinderen heeft gevonden, waarin de kinderen zoveel mogelijk een eigen kamer kunnen krijgen. Een grotere woning zou ook bijdragen aan het verminderen van haar eigen (medische) problemen.
Eiseres merkt verder nog op dat zij zich bij (het oplossen van) haar problemen onvoldoende gesteund voelt, dit terwijl zij erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Als erkend gedupeerde kwam zij ook in aanmerking voor schuldhulpverlening, maar deze is tijdelijk opgeschort. Eiseres heeft het gevoel klem te zitten tussen instanties.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij begrijpt dat eiseres in haar leven de nodige tegenslagen heeft gekend en dat haar wens om een andere (grotere) woning invoelbaar is. De voorzieningenrechter is echter gehouden om de zaak te beoordelen binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Gelet op deze kaders is de voorzieningenrechter van oordeel dat SUWR geen urgentieverklaring hoefde af te geven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing, zoals opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.
8. Uit artikel 3.4.6. van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening) volgt dat een woningzoekende in aanmerking kan komen voor urgentie op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’ als er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee. Daarvoor geldt wel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 3.4.6. van de Verordening worden genoemd. Eén van deze voorwaarden is dat uit een verklaring van de politie moet blijken dat degene die om urgentie vraagt door (bedreiging met) ernstig psychisch of fysiek geweld om veiligheidsredenen niet meer in de eigen woning kan blijven wonen.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat die verklaring van de politie er niet ligt. Er zijn geen registraties over eiseres, of haar vader, in de politiesystemen bekend. Dat haar vader recentelijk nog bij haar woning is gezien, zoals eiseres stelt, is onvoldoende. Nergens uit blijkt dat eiseres op dit moment op zo’n manier door haar vader wordt bedreigd dat zij niet langer in haar huidige woning kan blijven wonen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, en aldus wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’.
10. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken dat SUWR ook heeft gekeken of eiseres wellicht op grond van een andere urgentiecategorie (‘ernstige en chronische medische problematiek’) voor urgentie in aanmerking komt. SUWR heeft eiseres in dit kader aangeboden om haar medische problematiek voor te leggen aan een onafhankelijke medisch adviseur van de GGD. Dit onderzoek is er niet gekomen, omdat eiseres de eigen bijdrage van € 50,- niet wilde betalen. SUWR heeft ter zitting toegelicht dat uit de medische informatie van de huisarts (patiëntenkaart), die eiseres in bezwaar heeft overgelegd, niet is gebleken dat tot een andere conclusie zou moeten worden gekomen. De voorzieningenrechter onderschrijft dat. Eiseres heeft eerder, op 20 augustus 2024, een urgentieaanvraag op medische grondslag gedaan, en de medisch adviseur heeft toen geconcludeerd dat eiseres niet op korte termijn (binnen drie maanden) een andere woning nodig had. Uit de informatie van de huisarts blijkt niet dat de medische situatie van eiseres inmiddels zodanig is verslechterd dat SUWR zonder meer aanleiding had moeten zien voor het inschakelen van een medisch adviseur.
11. De voorzieningenrechter heeft echter wel begrip voor de lastige situatie waarin eiseres zich (met haar kinderen) bevindt. De voorzieningenrechter begrijpt ook dat eiseres graag naar een andere, grotere woning zou verhuizen zodat haar kinderen meer rust, stabiliteit en ruimte krijgen. Dit doel kan echter niet in de onderhavige procedure worden bereikt. De voorzieningenrechter kan eiseres nog wel de volgende handreikingen bieden. Zoals ter zitting is besproken, zou eiseres zich kunnen wenden tot de verhuurafdeling van Stichting Waterweg Wonen om te bespreken in hoeverre zij in aanmerking kan komen voor een woningruil, of voorrang kan krijgen bij het doorstromen naar andere woonruimte. Zij laat immers een sociale huurwoning achter, die voor een andere doelgroep erg geschikt zou kunnen zijn. Tevens zou zij zich kunnen inschrijven bij Woonnet Rijnmond en daar een vergelijkbaar verzoek kunnen doen. Verder zou zij haar kansen op een andere woning kunnen verbreden door zich ook in te schrijven voor de regio Midden-Delfland of de Hoeksche Waard, waar de wachttijden minder lang zijn.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026 .
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bijlage: 1
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: juridisch kader
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring
1. De aanvraag om een urgentieverklaring wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
(…)
3. Het college van burgemeester en wethouders dat op de aanvraag beslist, kan de aanvrager een vergoeding voor het behandelen van de aanvraag in rekening brengen.
4. De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt ten hoogste € 50,-. (…)
Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging
1.Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ in aanmerking indien:
a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en
b. voldaan wordt aan elk van de in het volgende lid genoemde voorwaarden.
2Aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden wordt voldaan indien:
a. de aanvrager op het moment waarop de urgentieverklaring wordt aangevraagd, rechtmatig een in de regio gelegen zelfstandige woonruimte bewoont;
b. ten aanzien van de aanvrager of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen; en
c. uit een schriftelijke verklaring van de politie blijkt dat de aanvrager in verband met de onder b. bedoelde problematiek om veiligheidsredenen niet meer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen.
Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek
1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst;
b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed;
c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en
d. de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland.