Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-228189-25, 10-195708-25, 10-281374-25, 10-345367-25, 10-249117-23
Datum uitspraak: 23 februari 2026
Datum zitting: 9 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [gerboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] (adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] ),
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. S.E.M. Hooijman
Officier van justitie: mr. S.E. Poutsma
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
Leeswijzer
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zes strafbare feiten. Die feiten zijn in vijf verschillende dagvaardingen genoemd. De rechtbank heeft die feiten van een doorlopende nummering voorzien. Samengevat komt de beschuldiging erop neer dat de verdachte heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 1] door een mes naar zijn hoofd te gooien (feit 1) en dat hij hem heeft bedreigd (feit 2). Feit 3 ziet op een vernieling in een Dirk supermarkt. Feit 4 betreft de oplichting van drie personen, subsidiair wordt de verdachte beschuldigd van witwassen. De beschuldiging van feit 5 ziet op de vernieling van meerdere ruiten van de woning van zijn ouders. Feit 6 betreft een bedreiging.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.
Het ten aanzien van feit 5 gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. De officier van justitie mag de verdachte dus ook voor dat feit vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd.
De beschuldiging is voor een deel niet bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren, de bewijsmiddelen en de argumenten die tot vrijspraak hebben geleid, staan in hoofdstuk 3.
De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 215 dagen. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf en maatregel worden opgelegd.
In hoofdstuk 6 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis.
Twee van de benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De ene vordering wordt deels en de andere vordering wordt geheel toegewezen. In hoofdstuk 7 worden deze beslissingen uitgelegd.
In hoofdstuk 9 staan alle beslissingen.
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1. (10-228189-25, feit 1)
hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een mes in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. (10-228189-25, feit 2)
hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend- met een mes op die [slachtoffer 1] afgelopen en/of (vervolgens) met dat mes meerdere, althans een, stekende beweging gemaakt naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: “Ik zou zorgen dat je dit nooit meer doet” en/of “Ik vermoord je”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of- (vervolgens) dat mes in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 1] gegooid;
3. (10-281374-25)
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak en/of een tafel en/of een spatscherm en/of een folderrek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Dirk Supermarkten (vestiging [adres 1] ), toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4. subsidiair:
hij in of omstreeks 19 januari 2025 tot en met 24 februari 2025, te Rotterdam, althans in Nederland, één of meer geldbedragen van in totaal €5100.00, althans enig geldbedrag,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
5. (10-195708-25)
hij in of omstreeks de periode van 23 december 2023 tot en met 28 juni 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 10-195708-25, hier feit 5, is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij op één moment in een langere pleegperiode meerdere ruiten heeft vernield.
Op grond van artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet een klacht worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. De eerste ruit is gebroken op 23 december 2023. Daarvan is op 2 januari 2024 aangifte gedaan. De klacht is echter pas op 28 juni 2025 opgemaakt. Het proces-verbaal over de klacht is vervolgens niet ondertekend door de klager. Dat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie voor de op 23 december 2023 gepleegde vernieling.
Standpunt van de officier van justitie
De regeling over klachtdelicten is in het leven geroepen ter bescherming van slachtoffers. Een verdachte behoort daar geen profijt van te hebben.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het bepaalde in artikel 353 Sr is artikel 316 Sr van toepassing op de misdrijven in titel XXVII van het Wetboek van Strafrecht. Het artikel dat ziet op vernieling, artikel 350 Sr, staat ook in die titel. Uit het bepaalde in artikel 316 Sr blijkt dat als de dader een bloed- of aanverwant in de rechte linie is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, de vervolging alleen plaats heeft nadat degene tegen wie het misdrijf is gericht, een klacht indient.
Gelet op het voorgaande is het onderhavige feit een klachtdelict omdat de verdachte een ruit van zijn ouderlijke woning zou hebben vernield. Op grond van artikel 66 Sr moet die klacht binnen drie maanden na kennisname van het gepleegde feit worden gedaan.
In dit geval heeft de vader van de verdachte voor de eerste keer op 2 januari 2024 aangifte van vernieling gedaan. Uit het proces-verbaal dat over de ontvangst van de klacht is opgemaakt op 28 juni 2025 blijkt dat de politie op het moment van de aangifte zich er niet bewust van was dat het een klachtdelict betrof. Op een later moment, toen de vader van de verdachte wederom aangifte deed van vernieling gepleegd door zijn zoon, is alsnog een klacht in ontvangst genomen voor de vernieling waarvan op 2 januari 2024 aangifte is gedaan. De tekortkoming bij het in acht nemen van de vormvoorschriften, is daarmee hersteld.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het proces-verbaal van de klacht die ziet op de aangifte van 2 januari 2024 wel ondertekend door de aangever.
Doorslaggevend is dat naar het oordeel van de rechtbank hiermee is komen vast te staan dat het de uitdrukkelijke wens is van de aangever dat het Openbaar Ministerie ook voor de vernieling van 23 december 2023 vervolging instelt tegen de verdachte.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
3. Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en heeft zich ten aanzien van feit 4 primair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 is bepleit dat niet bewezen kan worden dat er is gedreigd door met een mes te gooien. Ten aanzien van feit 3 is vrijspraak bepleit voor vernieling van de prullenbak en de tafel. Ten aanzien van 5 is bepleit dat door de wijze van ten laste leggen slechts één handeling in de periode bewezen kan worden. Ten aanzien van feit 6 is vrijspraak bepleit voor de telefonische bedreiging. Voor het overige heeft de verdediging zich ook ten aanzien van de feiten 2, 3, 5 en 6 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 7] heeft bedreigd, vernielingen heeft gepleegd bij supermarkt Dirk en de woning van zijn ouders en meerdere personen heeft opgelicht. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 2, 3, 4 primair en 6 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [slachtoffer 8] namens Dirk
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 2]
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [slachtoffer 3]
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 4]
7. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [slachtoffer 7]
De bewezenverklaring van feit 5 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
8. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik op 23 december 2023, 28 april 2025 en op 28 juni 2025 ruiten van de woning van mijn ouders in Rotterdam heb vernield.
9. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 5]
Op 23 december 2023 was ik in mijn woning in Rotterdam.[verdachte] heeft toen opzettelijk met een steen het keukenraam van mijn woning ingegooid.
10. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 5]
Ik doe aangifte van vernieling van de ruit van mijn woning in Rotterdam op 28 april 2025.
11. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 5]
Op 28 juni 2025 lag ik samen met mijn vrouw in bed. Wij hoorden een klap tegen ons keukenraam en daarna tegen de voordeur. Toen wij gingen slapen waren het keukenraam en het raam van de voordeur niet kapot.
Bewijsmotivering
Feit 2 (10-228189-25)
De verdachte heeft bekend dat hij met een mes het kantoor van begeleider [slachtoffer 1] in de woonvorm van Antes is binnengelopen. Dat levert een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op. De camerabeelden van het incident zijn tijdens de behandeling ter terechtzitting bekeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een prullenbak naar [slachtoffer 1] gegooid, maar niet kan worden vastgesteld dat hij het mes heeft gegooid. Ook blijkt niet uit de beelden dat de verdachte stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt. Van die handelingen zal de verdachte daarom worden vrijgesproken. Gelet hierop wordt de verdachte partieel vrijgesproken van feit 2.
Feit 3 (10-281374-25) De verdachte heeft bekend dat hij een spatscherm en een folderrek van supermarkt Dirk heeft beschadigd. In de beschuldiging worden ook een prullenbak en een tafel genoemd. Uit het dossier blijkt dat de verdachte de prullenbak heeft omgetrapt en dat hij de tafel heeft omgegooid, maar niet is gebleken dat die goederen daardoor zijn beschadigd. De verdachte zal ten aanzien van de prullenbak en de tafel worden vrijgesproken.
Feit 5 (10-195708-25) De verdediging heeft bepleit dat de beschuldiging zodanig is opgesteld dat slechts kan worden bewezen dat de verdachte op één moment in de ten laste gelegde pleegperiode meerdere ruiten heeft vernield. De rechtbank verwerpt dat verweer omdat is gebleken dat voor de verdachte voldoende duidelijk was waartegen hij zich moest verdedigen. De rechtbank zal de tenlastelegging zo lezen dat de verdachte ervan wordt beschuldigd op drie verschillende data ruiten bij zijn ouders te hebben ingegooid.
Feit 6 (10-249117-23)
De rechtbank ziet aanleiding om de verdediging te volgen waar het de telefonische bedreigingen betreft. De verdachte lijkt schoon schip te hebben gemaakt door ten aanzien van alle feiten open te verklaren. Ten aanzien van de telefonische bedreigingen heeft hij ontkend. De verdachte krijgt het voordeel van de twijfel en wordt vrijgesproken ten aanzien van de telefonische uitingen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
2. (10-228189-25)
hij op 25 augustus 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes op die [slachtoffer 1] afgelopen;
3. (10-281374-25)
hij op 22 juli 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een spatscherm en een folderrek, die aan Dirk Supermarkten (vestiging [adres 1] ) toebehoorden, heeft beschadigd;
5. (10-195708-25)
hij op 23 december 2023, 28 april 2025 en 28 juni 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten die aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] toebehoorden heeft vernield;
6. (10-249117-23)
hij op 3 augustus 2023 te Rotterdam [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 7] via de e-mail de woorden toe te voegen:- "stort mijn geld voordat ik je keel doorsnij" en- "ik maak je dood"
althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
3.3.4.
Vrijspraak feit 1 (10-228189-25, feit 1)
Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd, is niet bewezen. Zoals hiervoor in paragraaf 3.3.2. is beschreven, heeft de verdachte bekend dat hij met een mes het kantoor van begeleider Leendert [slachtoffer 1] in de woonvorm van Antes is binnengelopen. De camerabeelden van het incident zijn tijdens de behandeling ter terechtzitting bekeken. Daarop is zichtbaar dat de verdachte de woonvorm binnenkomt, het kantoor van [slachtoffer 1] binnenloopt en zeer kort daarna achteruit het kantoor weer uitloopt, gevolgd door [slachtoffer 1] , die een beeldscherm vasthoudt en probeert los te trekken. De verdachte loopt weg voor [slachtoffer 1] en heeft dan nog steeds het mes vast. Op enig moment valt het beeldscherm op de grond omdat de daaraan bevestigde kabels niet lang genoeg waren. De verdachte pakt dan een prullenbak op en gooit die naar [slachtoffer 1] . Op de beelden is te zien dat het mes dat hij vasthield daarna op de grond valt. De rechtbank stelt aldus vast dat het mes niet door de verdachte naar het hoofd van [slachtoffer 1] is gegooid. [slachtoffer 1] pakt het mes vervolgens van de grond en loopt daarmee eerst nog in de richting van de verdachte. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich bedacht heeft en het mes op zijn beurt ook weer liet vallen. Na een verdere schermutseling heeft de verdachte het pand van de woonvorm weer verlaten.
Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] toe te brengen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2. (10-228189-25, feit 2)bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 3. (10-281374-25)opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd;
Feit 4. (10-345367-25, primair)oplichting, meermalen gepleegd;
Feit 5. (10-195708-25)opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
Feit 6. (10-249117-23)bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Omdat het ook om een geweldsdelict gaat, moet de terbeschikkingstelling ongemaximeerd worden opgelegd en dadelijk uitvoerbaar zijn. Verder moet de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr. worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om te bepalen dat de terbeschikkingstelling gemaximeerd is en om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr niet op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten: twee bedreigingen, twee vernielingen en oplichting. Het meest recente feit betreft een bedreiging tegen de begeleider van de woonvorm waar de verdachte verbleef. De verdachte had meerdere nachten niet geslapen en had drugs gebruikt en hij was het niet eens met de begeleider, die hem de toegang tot de woonvorm had ontzegd. De verdachte is daarop een koksmes gaan halen en hij heeft de begeleider daarna met dat mes bedreigd. Uit camerabeelden blijkt dat de begeleider zich niet liet afschrikken en terugvocht, waardoor mogelijk erger is voorkomen. Later heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij de begeleider wilde doden door hem te steken en welke plek in het lichaam hij daarbij het beste had kunnen raken, dat hij hem zou vermoorden als hij hem tegenkwam en dat hij het niet vervelend vond voor de begeleider.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van een medewerkster van de Kredietbank. Tijdens een verschil van mening over zijn leefgeld heeft de verdachte e-mailberichten met bedreigende teksten gestuurd naar de medewerkster, die gewoon haar werk deed. De rechtbank weegt hierbij in strafverzwarende zin mee dat de verdachte ook daadwerkelijk naar de Kredietbank is toegegaan.
Daarnaast heeft de verdachte vernielingen gepleegd bij een supermarkt nadat er onenigheid was over een winkelverbod en een medewerker als gevolg daarvan weigerde om statiegeld aan de verdachte uit te betalen. Ook heeft de verdachte op drie verschillende momenten ruiten van de woning van zijn ouders vernield. Deze handelingen hebben flinke overlast veroorzaakt.
Uit de verschillende dossiers ontstaat het beeld van een verdachte, die deels uit onmacht maar voor een deel ook berekenend, bedreigingen en geweld inzet als het hem te veel wordt of hij het niet eens is met anderen.
Tot slot heeft de verdachte doelbewust drie mensen opgelicht door geld te vragen voor de verhuur van (kamers in) de sociale huurwoning, die hij gedwongen moest verlaten, terwijl hij dus wist dat hij niet meer over (de kamers in) die woning kon beschikken. Op die manier heeft de verdachte drie personen, die op zoek waren naar woonruimte, financieel benadeeld.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psychiater [persoon A] van 21 november 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en theatrale trekken, een stoornis in het gebruik van cocaïne (ernstig) en zwakbegaafdheid.
Daarom is het advies om de feiten 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23) in een licht verminderde mate toe te rekenen, aangezien de verdachte meer berekenend en doelbewust de bedreiging heeft geuit en, meermaals, de vernielingen aan de woning van zijn ouders toe heeft gebracht. Geadviseerd wordt de verdachte feit 2 (10-228189-25, feit 2) in een verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt op de korte, middellange en langere termijn als hoog ingeschat indien de situatie ongewijzigd blijft.
Behandeling van de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek is noodzakelijk om het recidiverisico te doen verlagen. De verdachte heeft inmiddels een strafblad, waarbij de delicten in ernst toenemen. Ambulante behandeling in het verleden is niet succesvol gebleken. Klinische behandeling heeft de verdachte in het verleden nooit eerder ondergaan. De verdachte heeft, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, onvoldoende adequate copingmechanismen om met gevoelens van boosheid en krenking en andere stressfactoren om te gaan. Daarnaast is er sprake van ernstig gebruik van cocaïne. De verdachte blijkt niet in staat om zijn emoties op adequate wijze te reguleren. Behandeling is gegarandeerd noodzakelijk om zijn inadequate copingmechanismen te bespreken en te veranderen om niet opnieuw in verslavingsgedrag en delictgedrag te vervallen.Deze intensieve behandeling dient in een forensische psychiatrische afdeling op een voldoende hoog beveiligingsniveau te starten. De inschatting is dat de klinische fase van deze behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte voldoende veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij.
De inschatting is dat behandeling binnen het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende lang en intensief zal zijn om het recidiverisico voldoende te verlagen. Een stringenter strafrechtelijk kader is noodzakelijk om de behandeling en resocialisatie succesvol te laten verlopen, zodat de verdachte zich blijft conformeren aan voorwaarden. Een tbs-maatregel wordt noodzakelijk geacht. Met tbs met voorwaarden wordt naar verwachting de veiligheid van de maatschappij voldoende gewaarborgd. Tbs met dwangverpleging wordt vanuit gedragsdeskundig oogpunt momenteel niet door noodzakelijk geacht, aangezien de aard van het risico voldoende concreet is, de verdachte het feitelijke delictgedrag erkent en de risicofactoren en beschermende factoren zijn concreet en geïdentificeerd.
In het rapport van psycholoog [persoon B] van 27 november 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en histrionische persoonlijkheidstrekken. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cocaïne, ernstig van aard en van genderdysforie. Tot slot zijn er beperkingen in het intellectuele vermogen van de verdachte vastgesteld, namelijk zwakbegaafdheid. Daarbij is de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking niet volledig uit te sluiten.
Een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid zijn chronisch van aard en dus aanwezig geweest ten tijde van het ten laste gelegde. Ook de stoornis in het gebruik van cocaïne en wat betreft de genderdysforie zijn op dat moment actueel.
Geadviseerd wordt om de verdachte de feiten 2 (10-228189-25, feit 2), 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23), in een licht verminderde mate toe te rekenen. De bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis heeft gezorgd voor de nodige instabiliteit in zijn bestaan. Kenmerken als stemmingswisselingen, impulsiviteit en gebrekkige vaardigheden op verschillende gebieden, maken dat zijn persoonlijkheidsstoornis verweven is in het ontstaan van de ten laste gelegde feiten.
Daarbij lijkt hij verminderd grip te hebben gehad op zijn gedrag. Onder invloed van cocaïne, weinig slaap in de dagen ervoor en een instabiel zelfgevoel, komt hij tot agressief delictgedrag. Daarbij is het hem wel enigszins aan te rekenen dat hij in de opbouw hier naartoe niet aan de bel heeft getrokken bij de betrokken hulpverleningsinstanties en hij middelen is blijven gebruiken. Ten aanzien van de vernielingen van de ruiten bij zijn ouders en de bedreiging van de medewerkster van de Kredietbank, hebben ook zijn persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het gebruik van cocaïne, een rol gespeeld. Toch lijkt hij in deze situaties meer berekenend te werk te zijn gegaan. Hij heeft zijn delictgedrag hierbij mogelijk meer bewust ingezet om zijn doelen te bereiken. Hierbij is hij wel weinig geremd door schuld- of schaamtegevoelens.
Uit de gestructureerde risicotaxatieinstrumenten komt een hoog aantal risicofactoren naar voren. Tegenover deze risicofactoren, staat een laag aantal beschermende factoren. Zo heeft de verdachte weliswaar positieve doelen voor de toekomst, maar is er instabiliteit op alle levensgebieden. Alles overziend wordt geconcludeerd dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat.
Gezien de verdachte buiten de P.I. niets heeft om op terug te vallen en er sprake is van een hoog recidiverisico, wordt een klinische opname in een forensische setting noodzakelijk geacht. Deze behandeling dient zich te richten op het waar mogelijk vergroten van probleembesef en het uitbreiden van zijn vaardigheden. Geconcludeerd wordt dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest passend zou zijn gezien de flexibiliteit binnen deze maatregel in het zetten van stappen voor- en (indien nodig) achteruit.
In het rapport van GGZ Verslavingsreclassering Fivoor van 30 januari 2026 staat het volgende.
Er zijn mogelijkheden om met interventies binnen het kader van een tbs met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik en de psychische problematiek worden aangemerkt als primaire criminogene factoren. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan beschermende factoren waaronder huisvesting, dagbesteding en een steunend sociaal netwerk.
Mede door de ernst en de complexiteit van de problematiek van de verdachte en het hoge risico op recidive en letselschade, zijn interventies geïndiceerd. De problematiek van de verdachte vereist langdurige monitoring, behandeling, begeleiding, sturing en motivering. Gelet op de problematiek en de daarvoor noodzakelijke gespecialiseerde kennis en specialistische interventies is tbs met voorwaarden toereikend om met de verdachte toe te werken naar – en te kunnen blijven werken aan – gedragsverandering om zo de risico’s te beperken en daarmee de veiligheid van de maatschappij te borgen.
De verdachte heeft ingestemd met de gestelde voorwaarden en hij geeft aan open te staan voor een langdurige klinische opname. De reclassering houdt binnen haar overwegingen rekening met het feit dat de verdachte nog nooit een langdurige (klinische) behandeling opgelegd heeft gekregen in een forensisch kader en dat zijn strafblad beperkt is.
De reclassering adviseert om – naast de tbs met voorwaarden – een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen, met dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot.
Toerekenbaarheid
Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze zijn gedrag tijdens het begaan van de strafbare feiten 2 (bedreiging), 5 (vernieling) en 6 (bedreiging) beïnvloedde. De deskundigen hebben in hun rapporten geen advies uitgebracht over de feiten 3 (vernieling) en 4 (oplichting) omdat de daarop ziende stukken niet aan hen zijn verstrekt. Feit 2 (10-228189-25, feit 2) wordt, met name vanwege het advies van de psychiater, maar ook door de toelichting van de psycholoog, verminderd aan de verdachte toegerekend. De feiten 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23) worden in licht verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Oplegging straf en maatregelen
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegend wordt daarom een gevangenisstraf van 215 dagen opgelegd.
Terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld.
Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten 2 en 6 een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en theatrale trekken, en een stoornis in het gebruik van cocaïne.
De feiten 2 (10-228189-25, feit 2) en 6 (10-249117-23) zien op een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden, namelijk:
het verbod om strafbare feiten te plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
klinische opname in een zorginstelling;
meewerken aan een time-out van maximaal zeven weken met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot een maximum van veertien weken per jaar;
aansluitend aan de klinische opname begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische plaatsing;
een middelenverbod en meewerken aan controle daarop;
een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding;
meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind;
een reisverbod ten aanzien van de Europese grenzen van Nederland;
een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] .
De verdachte heeft ook ter zitting verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven.
Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op omdat de verdachte met de bedreiging van [slachtoffer 1] , feit 2 (10-228189-25, feit 2), een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht kan niet zonder meer worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Echter, uit het dossier blijkt dat de verdachte niet alleen bedreigende woorden heeft geuit, maar ook met een mes het kantoor van de bedreigde is ingelopen. Daarbij heeft hij later tegen de politie verklaard dat hij de bedreigde op dat moment wilde doden en ook als hij hem later weer zou tegenkomen. De onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan weliswaar niet worden bewezen, maar dat doet niet af aan de vaststelling dat de bewezen verklaarde bedreiging onder de vastgestelde omstandigheden wel een misdrijf is dat gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
Om de algemene veiligheid van personen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat hij onvoldoende grip lijkt te hebben op zijn eigen gedrag. Vast staat dat het om meerdere feiten gaat, dat die feiten in ernst zijn toegenomen en dat de verdachte geweld niet heeft geschuwd. Daarbij houdt de rechtbank met name rekening met het rapport van Verslavingsreclassering GGZ, Fivoor van 30 januari 2026.
Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld.
6. Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van de dag waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling in een zorginstelling zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs zijn verbonden.
Die schorsing houdt verband met de op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
7. Vordering van de benadeelde partijen
Vordering [benadeelde 1]
heeft als benadeelde partij voor de feiten 1 en 2 (10-228189-25, feiten 1 en 2) € 600,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering [benadeelde 2]
heeft als benadeelde partij voor feit 4 (10-345367-25, primair) uiteindelijk € 706,91 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
Beide vorderingen kunnen integraal worden toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De hoogte van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] dient te worden gematigd. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van [benadeelde 2] .
Oordeel van de rechtbank
Vordering [benadeelde 1]
7.5.1.1. Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 (10-228189-25, feit 2) rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat hij gesprekken heeft met de praktijkondersteuner GGZ van zijn huisarts om met zijn angst om te kunnen gaan.
Die schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
7.5.1.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 25 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij [benadeelde 1] .
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde 2]
7.5.2.1. Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 2] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 primair (10-345367-25, primair) gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 706,91 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
7.5.2.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij [benadeelde 2] . Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 326 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissingen
De rechtbank:
vernietigt in de zaak met parketnummer 10-249117-23 de strafbeschikking van 22 januari 2025;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 (10-228189-25, feit 1) heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 (10-228189-25, feit 2), 3 (10-281374-25), 4 primair (10-345367-25), 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23), zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 215 (tweehonderdvijftien) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Tbs-maatregel
beveelt dat de verdachte voor de feiten 2 (10-228189-25, feit 2) en 6 (10-249117-23) ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
a. de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
b. de verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
c. de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
d. de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
e. de verdachte zorgt ervoor dat hij te allen tijde bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaars;
f. de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
g. de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
h. de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
i. de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
j. de verdachte verschaft de reclassering zicht op de voortgang van zijn resocialisaties en begeleiding en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;
k. de verdachte zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft er geen bezwaar tegen dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend;
3. de verdachte laat zich opnemen en zal verblijven in een nog nader door IFZ/DIZ te
indiceren klinische setting, of soortgelijke forensische instelling zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
- De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden.
- De verdachte houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
- Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
4. als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of andere (soortgelijke) instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. aansluitend aan zijn klinische opname zal de verdachte verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
6. aansluitend aan zijn klinische behandeling laat de verdachte zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
7. de verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek;
8. de verdachte zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem in dat kader gesteld worden;
9. de verdachte geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind;
10. de verdachte zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven;
11. de verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1961;
12. de verdachte zal zich niet bevinden binnen het gebied in de gemeente Rotterdam dat wordt begrensd door de straten Oldegaarde, Zuiderparkweg, Slinge en Groene Kruisweg;
geeft aan GGZ Verslavingsreclassering Fivoor opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden onmiddellijk uitvoerbaar is;
Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)
legt de verdachte voor de feiten 2 (10-228189-25, feit 2) en 6 (10-249117-23) op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
Voorlopige hechtenis
beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de ter beschikking gestelde zich heeft laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Aan deze schorsing worden dezelfde voorwaarden verbonden als die aan de tbs zijn verbonden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan de opgelegde gevangenisstraf;
Vorderingen benadeelde partijen
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2, (10-228189-25, feit 2), te betalen een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 25 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst af het resterende deel van de vordering (feit 2, (10-228189-25, feit 2);
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 2, (10-228189-25, feit 2), de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde 1] of aan de staat heeft vergoed;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4 primair (10-345367-25, primair), te betalen een bedrag van € 706,91 (zevenhonderdzes euro en eenennegentig cent), als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 4 primair (10-345367-25, primair) de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 706,91 (zevenhonderdzes euro en eenennegentig cent) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde 2] of aan de staat heeft vergoed.
10. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 februari 2026.