ECLI:NL:RBROT:2026:2024

ECLI:NL:RBROT:2026:2024

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 11705202 CV EXPL 25-11820
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Koopovereenkomst warmtepomp- en pv-installatie. Geen ambtshalve toetsing informatieverplichtingen; uitzondering van artikel 6:230h lid onder g en/of onder f BW.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11705202 CV EXPL 25-11820

datum uitspraak: 6 februari 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

BAM Energy Services B.V.,

vestigingsplaats: Bunnik,

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘BAM’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

2. De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?

BAM heeft met [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten voor een warmtepomp- en een pv-installatie. BAM eist in deze procedure betaling van de facturen die zij in verband met de levering van deze installaties heeft gestuurd, van in totaal € 14.400,-, plus rente en kosten.

[gedaagde] zegt dat BAM haar vordering op een eerder moment heeft ingetrokken en vindt dat hij niet (meer) hoeft te betalen. Ook vindt hij dat hij niet op tijd informatie van BAM heeft gekregen over de koop, waardoor hij deze niet kon meefinancieren met de aankoop van zijn woning.

[gedaagde] moet betalen

Dat tussen BAM en [gedaagde] een overeenkomst is gesloten voor een warmtepomp- en een pv-installatie, staat vast. BAM heeft de ondertekende overeenkomst overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij die overeenkomst inderdaad heeft ondertekend en ook niet dat BAM de installaties heeft geleverd.

Volgens [gedaagde] heeft BAM haar vordering ingetrokken, maar dat is niet gebleken. BAM heeft betwist dat zij de vordering heeft ingetrokken. Het dossier bij een ander incassobureau dan haar huidige gemachtigde is gesloten, maar niet omdat zij de vordering op [gedaagde] heeft ingetrokken. [gedaagde] moet in zo’n geval aantonen dat BAM inderdaad afstand heeft gedaan van haar aanspraak op betaling. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom moet de kantonrechter ervan uitgaan dat de betalingsverplichting nog steeds bestaat en dat betekent dat [gedaagde] de facturen alsnog moet betalen.

Geen ambtshalve toetsing informatieverplichtingen

In de rolbeslissing van 14 november 2025 heeft de kantonrechter BAM gevraagd om uit te leggen hoe de overeenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen en of sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. BAM heeft geantwoord dat zij een handelaar is en [gedaagde] een consument en dat de overeenkomst buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen. Volgens BAM valt de overeenkomst echter onder een van de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is. Als dat zo is, toetst de kantonrechter niet (ambtshalve) of BAM aan de informatieverplichtingen uit die afdeling heeft voldaan.

De kantonrechter oordeelt dat op de overeenkomst tussen BAM en [gedaagde] de hiervoor genoemde afdeling inderdaad niet van toepassing is. De overeenkomst valt onder de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 sub g BW en onder die van artikel 6:230h lid 2 sub h BW. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.

In artikel 6:230h lid 2 onder g BW staat dat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is op overeenkomsten “betreffende de constructie van nieuwe gebouwen (…)”. Hoewel de installaties op zichzelf niet onder de noemer ‘constructie van een nieuw gebouw’ vallen, oordeelt de kantonrechter dat er een zodanige samenhang bestaat tussen de koop van de installaties en de koop van de nieuwbouwwoning, dat de overeenkomst tussen BAM en [gedaagde] ook onder de uitzondering van dit artikellid valt. BAM heeft erop gewezen dat [gedaagde] verplicht was om deze installaties aan te laten brengen in de woning die hij had gekocht en dat de gasloze woning zonder deze installaties incompleet zou zijn geweest. Dat heeft [gedaagde] (ook) niet betwist. Er is in dit geval sprake van overeenkomsten (een koop/aanneemovereenkomst voor de woning en een overeenkomst voor de warmtepomp- en pv-installaties) die zodanig met elkaar verbonden zijn dat ze allebei onder de noemer ‘constructie van een nieuw gebouw’ moeten vallen.

In artikel 6:230h lid 2 onder f BW staat dat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is op overeenkomsten “over het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerende zaken of rechten op onroerende zaken”. De koop voldoet ook aan deze definitie. BAM heeft toegelicht dat de installaties onroerende zaken zijn. In de koopovereenkomst is opgenomen dat voor de installaties ten gunste van BAM een opstalrecht gevestigd wordt. Een opstalrecht is uitsluitend bedoeld voor onroerende zaken.

Ook uit de definitie van het begrip ‘onroerend’ in artikel 3:3 BW volgt dat de installaties onroerend zijn. In dit artikel staat: “Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.”

Uit de toelichting van BAM volgt dat het gaat om werken die duurzaam met de grond en/of de door [gedaagde] gekochte nieuwbouwwoning zijn verenigd.

Uit het voorgaande volgt dat de informatieverplichtingen uit afdeling 2b van boek 6.5 BW niet van toepassing zijn. Er kan dan ook geen sprake zijn van een schending van die verplichtingen die tot een gedeeltelijke vernietiging van de koopovereenkomst kan leiden (vertaald naar gewoon Nederlands: [gedaagde] krijgt geen ‘korting’ op de koopprijs). [gedaagde] heeft wel in het algemeen opgemerkt dat hij niet tijdig informatie van BAM zou hebben gekregen over de aankoop van de installaties, waardoor hij de aankoop niet heeft kunnen meefinancieren, maar hij heeft hier verder geen toelichting op gegeven. De kantonrechter ziet in deze opmerking geen grondslag voor het afwijzen van de vordering van BAM of voor een korting op de koopprijs.

[gedaagde] moet incassokosten van € 919,- betalen

De incassokosten van € 919,- worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).

Dos Soares moet rente betalen

De wettelijke rente wordt toegewezen, omdat BAM genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. BAM eist de handelsrente (artikel 6:119a BW) en heeft die naar het lijkt ook aangehouden bij het berekenen van de vervallen rente, maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW. De vervallen rente tot en met 7 mei 2025 bedraagt € 2.902,08. Deze is berekend op basis van de vervaldata van de afzonderlijke facturen: de eerste factuur van 17 juli 2020 (rente vanaf 1 augustus 2020) en de tweede factuur van 6 november 2020 (rente vanaf 21 november 2020).

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan BAM moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 865,50 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.591,28. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat BAM dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan BAM te betalen € 18.221,08 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 14.400,- vanaf 8 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van BAM worden begroot op € 2.591,28;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.

51909

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand