RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710617 / KG ZA 25-1171
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende op een geheim adres,
eiser,
advocaten: mrs. R.P. de Vries en M. IJsebrands,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. S. van der Eijk.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft op sociale media uitlatingen gedaan over [eiser] . In dit kort geding vordert [eiser] 1) dat het [gedaagde] wordt verboden om uitlatingen over [eiser] te doen, 2) om uitlatingen over hem te verwijderen en 3) onterechte beschuldigingen te rectificeren. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, omdat de uitlatingen in de gegeven omstandigheden jegens [eiser] niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 11 december 2025, met producties 1 tot en met 9,
een audiofragment van [gedaagde] ,
het “Verzetschrift” van [gedaagde] ,
het “Tijdlijndossier: Aangifte [eiser]” van [gedaagde] ,
het document “Van verweerschrift tot bewijsvoering” van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 17,
het “Verzetschrift inzake beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 17 november 2025” van [gedaagde] ,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 december 2025,
het tweede document “Van Verweerschrift tot bewijsvoering” van [gedaagde] , met, onder andere, producties 1 tot en met 5,
de akte vermeerdering van eis van [eiser] ,
de conclusie van antwoord van [gedaagde] ,
de aanvullende stukken van [gedaagde] ,
de akte ter reparatie van productie 5 van [eiser] , met een herziene productie 5,
de akte uitlating over werkelijke proceskosten 20 december 2025 tot en met 6 februari 2026 van [eiser] ,
de spreekaantekeningen van mrs. De Vries en IJsebrands,
de pleitaantekeningen van mr. Van der Eijk,
de akte uitlating audiofragmenten van [eiser] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2025 en 6 februari 2026. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaken in kort geding van [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en [persoon B] (hierna: [persoon B] ) tegen [gedaagde] (C/10/710395 / KG ZA 25-1157 en C/10/710502 / KG ZA 25-1164).
Bij de eerste zitting is [gedaagde] in persoon verschenen. [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter toen om een uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Dat verzoek is afgewezen. Daarop heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter gewraakt. Vervolgens is de zitting geschorst. De wrakingskamer van deze rechtbank heeft aan [gedaagde] laten weten dat het wrakingsverzoek in dit geval door een advocaat moet worden ingediend en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een advocaat in te schakelen. Bij e-mail van 7 januari 2026 heeft mr. Van der Eijk zich voor [gedaagde] gesteld. Bij e-mail van 9 januari 2026 heeft hij laten weten dat [gedaagde] haar wrakingsverzoek introk. De mondelinge behandeling is daarna op 6 februari 2026 voortgezet.
[gedaagde] heeft een audiofragment in het geding gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [eiser] dat fragment niet had ontvangen. De voorzieningenrechter heeft [eiser] daarom in de gelegenheid gesteld om zich na de mondelinge behandeling daarover bij akte uit te laten.
2. De feiten
[eiser] is strafrechtadvocaat en auteur van enkele juridische- en historische boeken. In 2021 was hij kamerlid namens D66. [eiser] trad terug uit deze functie omdat in de media berichten waren verschenen over vermeend grensoverschrijdend gedrag.
[gedaagde] is actief op sociale media zoals Instagram, LinkedIn en X. Daarnaast plaatste zij op haar website [website] zelfgeschreven artikelen. De website is momenteel offline.
Sinds januari 2025 doen [eiser] en [gedaagde] op sociale media uitlatingen over elkaar. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] bij de politie aangifte tegen [gedaagde] gedaan. [gedaagde] heeft op haar beurt bij de Raad van Discipline een tuchtklacht tegen [eiser] ingediend.
Bij brief van 4 november 2025 schrijft mr. De Vries aan [gedaagde] dat zij op haar accounts op sociale media met regelmaat strafbare en onrechtmatige uitlatingen doet over [eiser] . Volgens mr. De Vries beschuldigt [gedaagde] [eiser] van het zijn van een “kindermisbruiker” en een “machtsmisbruiker”. Ook zou [eiser] zich, volgens de uitlatingen van [gedaagde] , schuldig maken aan bedreiging, doxing, stalking, mishandeling en femicide. Verder wijst mr. De Vries [gedaagde] op het feit dat zij afbeeldingen van [eiser] heeft gepubliceerd, vaak in samenhang met grievende en onrechtmatige teksten. Mr. De Vries verzoekt en sommeert [gedaagde] om geen uitlatingen meer te doen over [eiser] , reeds gedane uitlatingen binnen zeven dagen te verwijderen en een rectificatie op haar socialemedia-accounts te plaatsen.
[gedaagde] laat op X weten dat zij geen zeven dagen nodig heeft en dat haar reactie simpel is, namelijk: “start een kort geding”. Ook schrijft zij dat zij pal achter de feiten staat en absoluut geen berichten gaat verwijderen.
3. Het geschil
[eiser] vordert na vermeerdering van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. primair: [gedaagde] verbiedt om [eiser] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van strafbare feiten, tenzij sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie waaruit blijkt dat [eiser] wordt vervolgd voor dat betreffende strafbare feit,
subsidiair: [gedaagde] verbiedt om [eiser] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van of associëren met: het plegen van (of het betrokken zijn bij) zedenmisdrijven, het maken van slachtoffers in dat verband, (psychisch en fysiek) geweld, femicide dan wel andere (strafbare) feiten die naar aard en strekking met deze beschuldigingen vergelijkbaar zijn,
2. [gedaagde] verbiedt om het portret van [eiser] – in welke vorm dan ook – openbaar te maken of te laten maken, te publiceren of te laten publiceren dan wel op enige wijze te verspreiden via websites, sociale media of andere (online) kanalen die onder haar beheer vallen of waarover zij feitelijke zeggenschap heeft, al dan niet in combinatie met (de suggestie van) strafbare feiten of andere ernstige verwijten,
3. [gedaagde] gebiedt om alle berichten, publicaties, video's, afbeeldingen en andere uitingen die in strijd zijn met de onder 1 en 2 gevraagde verboden van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige online platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
4. [gedaagde] gebiedt om op haar socialemedia-accounts – Facebook, Instagram, LinkedIn, Tiktok, X en YouTube – de volgende rectificatie te plaatsen:
“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]
In 2025 en 2026 heb ik de heer [eiser] herhaaldelijk beschuldigd van diverse strafbare en grensoverschrijdende gedragingen, waaronder het plegen van een zedenmisdrijf jegens minderjarigen, het misbruiken van meerdere minderjarige jongens, het gebruik van geweld en het plegen femicide.
Deze beschuldigingen hebben onvoldoende feitelijke basis. Ik had daarom niet tot publicatie daarvan mogen overgaan. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft mij op straffe van verbeurte van een dwangsom en voorwaardelijke lijfsdwang verplicht om deze rectificatie te publiceren.
[gedaagde] .”
zonder commentaar, duidelijk leesbaar, normaal lettertype, met zwarte letters op een witte achtergrond, voor de duur van 72 uur en op een wijze dat de rectificatietekst gepinned wordt op het betreffende mediakanaal, voor zover het betreffende sociale medium deze optie aanbiedt,
5. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt als zij niet aan een of meer van de in dit vonnis uit te spreken veroordelingen voldoet, te vermeerderen met € 2.500,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
6. bepaalt dat als het maximum aan dwangsommen is verbeurd en [gedaagde] in strijd blijft handelen met een of meer uitgesproken veroordelingen, de veroordelingen tevens ten uitvoer kunnen worden gelegd door middel van lijfsdwang (gijzeling) als bedoeld in artikel 585 e.v. Rv, met dien verstande dat a) per overtreding een maximale gijzelingsduur van tien dagen geldt en b) de toepassing van lijfsdwang geschiedt op verzoek van [eiser] en met inachtneming van de wettelijke voorschriften,
7. [gedaagde] veroordeelt in de (werkelijke) proceskosten, te vermeerderen met rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
Formeel maakt zij geen bezwaar tegen de eisvermeerdering van [eiser] .
In het door [gedaagde] geschreven “Verzetschrift” zijn tegenvorderingen geformuleerd. In een handelszaak kan een eis in reconventie echter alleen worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. Mr. Van der Eijk heeft zich na het indienen van het “Verzetschrift” voor [gedaagde] gesteld en tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat tegen [persoon A] geen eis in reconventie wordt (en is) ingediend.
4. De beoordeling
spoedeisend belang
De zaak is voldoende spoedeisend om in kort geding te worden behandeld. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de uitlatingen van [gedaagde] op sociale media voortdurend materiële en immateriële schade lijdt. Volgens [eiser] doen de uitlatingen doorlopend afbreuk aan zijn eer en goede naam. Verder ervaart hij dat zijn veiligheidsgevoel door de uitlatingen wordt aangetast. Die stellingen zijn voldoende om de vorderingen in dit kort geding inhoudelijk te beoordelen. Daar komt bij dat uitlatingen die langer geleden zijn gedaan nog steeds op het internet staan en de vorderingen er mede op zijn gericht dat [gedaagde] deze, in de ogen van [eiser] onrechtmatige, uitlatingen verwijdert.
toetsingskader
In dit kort geding gaat het om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten, te weten 1) het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie van [eiser] , beschermd door artikel 8 EVRM, en 2) het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] , beschermd door artikel 10 EVRM, en daarmee het recht om vrijelijk te kunnen deelnemen aan het publieke debat via sociale media.
Als de vorderingen van [eiser] worden toegewezen, betekent dit dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] wordt beperkt. Zo’n beperking is op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam van een ander. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat een of meer uitlatingen van [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.
In beginsel komt geen voorrang toe aan een van de hiervoor genoemde grondrechten. Volgens vaste rechtspraak moet de (voorzieningen)rechter voor het antwoord op de vraag of het ene recht een gerechtvaardigde inbreuk maakt op het andere recht een afweging maken aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de volgende omstandigheden relevant zijn:
de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor de betrokkene,
de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen,
de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal,
de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, en
de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
In elk concreet geval moet worden beoordeeld welke omstandigheden een rol spelen en welk gewicht daaraan moet worden gehecht.
toetsing uitlatingen
Niet in geschil is dat [eiser] sinds 2021 in de media wordt beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag. Naar aanleiding daarvan heeft (ook) [gedaagde] op sociale media een aantal uitlatingen over [eiser] gedaan. [eiser] bestempelt deze uitlatingen als een hardnekkige campagne van [gedaagde] tegen hem, bestaande uit smaad en laster. Volgens [eiser] beschuldigt [gedaagde] hem van seksueel misbruik van minderjarigen, strafbaar handelen in dat verband, het maken van meerdere slachtoffers en betrokkenheid bij de “[persoon C] -doofpot”. Naar de mening van [eiser] zijn de beschuldigingen zeer ernstig, dienen zij geen enkel publiek belang en hebben zij bovendien geen enkele feitelijke basis.
Ter onderbouwing van zijn stellingen wijst [eiser] op verschillende uitlatingen van [gedaagde] op sociale media en in een live-audiogesprek (een space) op X. Het gaat veelal om losse posts (uitlatingen), zodat niet direct duidelijk is in welke context deze moeten worden geplaatst. Dit geldt bijvoorbeeld voor de opmerking dat [eiser] wel kan juichen dat sites op zwart worden gezet, maar de [persoon C] -doofpot gewoon opengaat. Ook de uitlating van [gedaagde] over doofpotten en corruptie binnen het openbaar ministerie en dat er niet voor niets meerdere mensen zijn die zich slachtoffer van [eiser] noemen, is, zonder verdere context, onnavolgbaar. Voor de kwalificaties van [gedaagde] van [eiser] als “systeemtiran” en “machtsmisbruiker” geldt dat deze, als waardeoordelen, binnen het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting vallen.
[eiser] heeft verder gewezen op uitlatingen waar volgens hem uit blijkt dat [gedaagde] herhaaldelijk en in krachtige bewoordingen heeft beweerd dat [eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt aan seksueel misbruik van minderjarigen, machtsmisbruik en het plegen van strafbare feiten in dat verband. Als voorbeelden heeft hij genoemd:
- “ “Voor de duidelijkheid: [persoon B] , [persoon A] en [eiser] – die contact had met ook 15-jarige jonge tieners, dus minderjarigen spelen hier een kwalijke rol. In de volgende post zal ik toelichten wat ik daadwerkelijk bedoel.”
- “ “Nee, [eiser] , niemand vindt het oké dat jij door middel van machtsmisbruik minderjarige jongens hebt misbruikt.”
- “ “ [eiser] zocht contact met jongens van 15 en 16 jaar. Laten we duidelijk zijn: 15 jaar is minderjarig – punt. In combinatie met machtsmisbruik maakt dat hem moreel en moreel gezien gewoon schuldig. Klaar.”
- “ “Seks met minderjarigen en machtsmisbruik is altijd strafbaar, onder alle omstandigheden! Zijn gevoelens vind ik ook vervelend voor [eiser] zelf, maar hij mag er niet naar handelen. Minderjarig = minderjarig, en niet goed weten of een jongere er wel achter staat is ook verkeerd!”
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hier niet uit dat [gedaagde] [eiser] heeft beschuldigd van seksueel misbruik van minderjarigen/pedofilie. Dit volgt ook niet uit de (herziene) transcriptie van de space op X. [gedaagde] heeft benoemd dat [eiser] contact heeft gehad met minderjarigen en zijn machtspositie heeft misbruikt, maar daaraan niet de conclusie verbonden dat van seksueel misbruik van minderjarigen sprake is geweest. Tijdens de space op X heeft [gedaagde] benadrukt dat zij het vermeende misbruik door [eiser] van minderjarigen geen pedofilie noemt. [gedaagde] heeft [eiser] ook overigens niet beschuldigd van strafbaar handelen in dat verband of van andere strafbare feiten. Voor het gebruik van de term machtsmisbruik overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen vastomlijnd begrip is. Zonder nadere toelichting, die in de betreffende uitlatingen niet gegeven is, is dus niet zonder meer duidelijk wat [gedaagde] hiermee heeft bedoeld. Daar komt bij dat haar uitlatingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet verder gaan dan wat er (destijds, in 2021) in de media over [eiser] is geschreven (en nog steeds goed vindbaar is). Ook om die reden is de conclusie dat [gedaagde] met haar uitlatingen onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld niet gerechtvaardigd.
Ten slotte heeft [eiser] gewag gemaakt van het feit dat [gedaagde] twee portretten van hem op internet heeft gezet met de tekst “psychisch geweld is geweld en wie wegkijkt, is medeplichtig” en “(…) Ik geloof wel dat hij geen (kleuters) heeft misbruikt, maar je mag niet handelen op basis van machtsmisbruik, [eiser] . Biechten!” Nog afgezien van het feit dat deze portretten geruime tijd geleden, op 28 maart 2025, door [gedaagde] op sociale media zijn gebruikt, wat ook nog eens afbreuk doet aan het gestelde spoedeisend belang bij de op verwijdering gerichte vordering, heeft zij daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grens van het toelaatbare niet overschreden. Uit de posts blijkt immers niet dat zij [eiser] in verband brengt met seksueel misbruik en/of hem beschuldigt van andere strafbare feiten, waarbij herhaald wordt dat machtsmisbruik geen vastomlijnd begrip is en onduidelijk is wat [gedaagde] daarmee heeft bedoeld. Het commentaar van [gedaagde] bij de portretten van [eiser] is daarvoor niet voldoende concreet.
conclusie en proceskosten
Gelet op het vorenstaande worden de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . De proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.177,00 (tarief gemiddeld kort geding)
- nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 1.697,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.697,00 te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling in 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. [2971/2009]