RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710502 / KG ZA 25-1164
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
[persoon A] ,
wonende op een geheim adres,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaten: mrs. R.P. de Vries en M. IJsebrands,
tegen
[persoon B] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. S. van der Eijk.
Partijen worden hierna [persoon A] en [persoon B] genoemd.
De zaak in het kort
[persoon B] heeft op sociale media uitlatingen gedaan over [persoon A] . In dit kort geding vordert [persoon A] 1) dat het [persoon B] wordt verboden om uitlatingen over [persoon A] te doen, 2) om uitlatingen over hem te verwijderen en 3) onterechte beschuldigingen te rectificeren. Verder vordert zowel [persoon A] als [persoon B] een contact- en een gebiedsverbod. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [persoon A] toe voor zover het gaat om uitlatingen die jegens hem onrechtmatig zijn en voor zover dat noodzakelijk is ter bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en/of reputatie. Daarnaast wordt het partijen verboden om zich op een afstand van minder dan vijf meter van elkaar te bevinden. [persoon A] mag ook niet langer contact opnemen met [persoon B] door haar te taggen in zijn berichten.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 11 december 2025, met producties 1 tot en met 16,
twee audiofragmenten van [persoon B] ,
het “Verzetschrift” van [persoon B] ,
het “Onderzoeksdossier betreffende psychische intimidatie en machtsmisbruik” van [persoon B] ,
het document “Van verweerschrift tot bewijsvoering” van [persoon B] , met producties 1 tot en met 9 van [persoon B] ,
de processen-verbaal van aangifte van [persoon B] van 15 februari, 3 en 20 mei 2025, die als producties 10 tot en met 12 worden aangemerkt,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 december 2025,
de conclusie van antwoord van [persoon B] ,
de akte aanvullende producties van [persoon A] , met producties 18 tot en met 20,
de akte vermeerdering van eis van [persoon A] ,
de eis in reconventie van [persoon B] ,
de aanvullende producties van [persoon B] , die als producties 13 tot en met 25 worden aangemerkt,
de akte uitlating over werkelijke proceskosten 20 december 2025 tot en met 6 februari 2026 van [persoon A] ,
de spreekaantekeningen van mrs. De Vries en IJsebrands,
de pleitaantekeningen van mr. Van der Eijk,
de akte uitlating audiofragmenten van [persoon A] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2025 en 6 februari 2026. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaken in kort geding van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) tegen [persoon B] (C/10/710395 / KG ZA 25-1157 en C/10/710617 / KG ZA 25-1171).
Bij de eerste zitting is [persoon B] in persoon verschenen. [persoon B] heeft de voorzieningenrechter toen om een uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Dat verzoek is afgewezen. Daarop heeft [persoon B] de voorzieningenrechter gewraakt. Vervolgens is de zitting geschorst. De wrakingskamer van deze rechtbank heeft aan [persoon B] laten weten dat het wrakingsverzoek in dit geval door een advocaat moet worden ingediend en [persoon B] in de gelegenheid gesteld om een advocaat in te schakelen. Bij e-mail van 7 januari 2026 heeft mr. Van der Eijk zich voor [persoon B] gesteld. Bij e-mail van 9 januari 2026 heeft hij laten weten dat [persoon B] haar wrakingsverzoek introk. De mondelinge behandeling is daarna op 6 februari 2026 voortgezet.
[persoon B] heeft twee audiofragmenten in het geding gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [persoon A] die fragmenten niet had ontvangen. De voorzieningenrechter heeft [persoon A] daarom in de gelegenheid gesteld om zich na de mondelinge behandeling daarover bij akte uit te laten.
2. De feiten
[persoon A] is een (freelance) journalist.
[persoon B] is actief op sociale media zoals Instagram, LinkedIn en X. Daarnaast plaatste zij op haar website www.fleurspolitiekestem.nl zelfgeschreven artikelen. De website is momenteel offline.
Sinds januari 2025 doen [persoon A] en [persoon B] op sociale media uitlatingen over elkaar. [persoon B] is op X een account gestart met de naam “[accountnaam 1]” en de gebruikersnaam/ [accountnaam 2] , waarop zij berichten over [persoon A] plaatst. [persoon A] heeft enkele artikelen over [persoon B] gepubliceerd. [persoon A] en [persoon B] hebben naar aanleiding van en over de uitlatingen bij de politie (meermaals) aangifte tegen elkaar gedaan. Verder heeft [persoon B] bij verschillende gerechtelijke instanties en de Raad voor de Journalistiek klachten tegen [persoon A] ingediend.
Bij brief van 4 november 2025 schrijft mr. De Vries aan [persoon B] dat zij op sociale media met regelmaat strafbare en onrechtmatige uitlatingen over [persoon A] doet. Daarbij wijst hij, voor zover van belang, op het volgende:
“(…)
Smaad
Uit de diverse berichten die u plaatst volgt dat u een obsessie heeft jegens cliënt. Zo heeft u cliënt op 11 maart 2025 opgebeld. Toen cliënt niet opnam heeft u een voicemail ingesproken waarin u onder meer stelde dat cliënt een ‘kankerklootzak’ is. Op X heeft u cliënt publiekelijk onder meer een ‘fucking ziekelijke Kankerpsychopaat’ en ‘zieke verknipte psychopaat’ genoemd. Hoewel ernstig en grievend, verbleken deze uitlatingen nog bij het overige wat u communiceert over en aan cliënt.
U beschuldigt cliënt herhaaldelijk van onder meer het zijn van een ‘kindermisbruiker’, ‘machtsmisbruik,’ ‘mishandelaar’ en ‘iemand die mensen aanzet tot zelfmoord’. Ook zou cliënt zich schuldig maken aan ‘femicide’.
Naast deze concrete beschuldigen, stelt u ook alles in het werk om de reputatie van cliënt op andere wijze te beschadigen. Zo heeft u - zonder valide grond – meerdere keren aangifte gedaan jegens cliënt en heeft u met gefingeerde meldingen bij verschillende instanties cliënt schade willen toebrengen.
Doodsbedreigingen
Ook heeft u cliënt meermaals - impliciet en expliciet – publiekelijk bedreigd met geweld en de dood en zet u anderen aan om tot geweld jegens cliënt over te gaan. Zo schrijft u recentelijk op de diverse online platformen: ‘dat cliënt door een rietje zal drinken’; ‘dit is een bedreiging’; ‘de eerstvolgende keer ga ik [persoon A] op zijn bek slaan’; ‘waarom zou ik wachten op een veroordeling als ik je morgen al op je bek kan slaan?’;
Dergelijke bedreigingen heeft u ook persoonlijk geuit, zowel tijdens een telefonisch onderhoud met cliënt als per e-mail. In uw voicemail van 11 maart 2025 verklaart u onder meer dat u ‘zweert’ voor cliënt ‘te gaan zitten’, waarmee u aangeeft bereid te zijn een gevangenisstraf uit te zitten voor hetgeen u voornemens bent cliënt aan te doen. Op 15 oktober 2025 berichtte u cliënt per e-mail: ‘Ik hoop oprecht dat iemand je een keer gewoon heel hard slaat en ik meen dat gewoon.’
Daar komt bij dat u ook het adres van cliënt via meerdere online platformen heeft gedeeld. In één van uw berichten roept u mensen op om overlijdensaktes met cliënt zijn naam op te sturen.
Ook zoekt u cliënt fysiek op in de rechtbanken waar cliënt werkzaam is. Gisteren – op 3 november 2025 – heeft u cliënt daar aangevallen, waarbij de parketpolitie u moest bedwingen om erger te voorkomen.
Het moge duidelijk zijn dat deze uitlatingen en gedragingen niet alleen onrechtmatig zijn, maar ook strafbaar. Cliënt heeft hiervan reeds aangifte gedaan.
Afbeeldingen
Daar komt bij dat u meermaals zonder toestemming afbeeldingen van cliënt heeft gepubliceerd. Dat doet u vaak in samenhang met grievende, onrechtmatige teksten. Zo publiceerde u op 29 maart 2025 een afbeelding van cliënt met daarop de tekst ‘Kinderen neuken’.
[Afbeelding van foto en info persoon A en naam 1]
Op uw accounts zijn meerdere afbeeldingen zichtbaar waarin het portret van cliënt – in combinatie met vergaande teksten wordt getoond.
(…)”
In de brief verzoekt en sommeert mr. De Vries [persoon B] om geen uitlatingen meer te doen over [persoon A] , reeds gedane uitlatingen binnen zeven dagen te verwijderen en een rectificatie op haar socialemedia-accounts te plaatsen.
[persoon B] laat op X weten dat zij geen zeven dagen nodig heeft en dat haar reactie simpel is, namelijk: “start een kort geding”. Ook schrijft zij dat zij pal achter de feiten staat en absoluut geen berichten gaat verwijderen.
3. Het geschil
in conventie
[persoon A] vordert na vermeerdering van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[persoon B] verbiedt om direct of indirect dreigementen te uiten jegens [persoon A] , waaronder mede begrepen (maar niet daartoe beperkt) uitlatingen waarin wordt gedreigd met fysiek geweld of het laten plegen van geweld door derden,
primair: [persoon B] verbiedt om [persoon A] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van strafbare feiten, tenzij sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie waaruit blijkt dat [persoon A] wordt vervolgd voor dat strafbare feit,
subsidiair: [persoon B] verbiedt om [persoon A] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van mishandeling, (seksueel) misbruik, machtsmisbruik, (psychisch en fysiek) geweld, doxing, het doen van valse aangifte, smaad en laster, intimidatie, femicide, het maken van slachtoffers, stalking of belaging dan wel andere (strafbare)feiten die naar aard en strekking met deze beschuldigingen vergelijkbaar zijn,
3. [persoon B] verbiedt om het portret van [persoon A] – in welke vorm dan ook – openbaar te maken of te laten maken, te publiceren of te laten publiceren dan wel op enige wijze te verspreiden via websites, sociale media of andere (online) kanalen die onder haar beheer vallen of waarover zij feitelijke zeggenschap heeft, al dan niet in combinatie met (de suggestie van) strafbare feiten of andere ernstige verwijten,
4. [persoon B] gebiedt om alle berichten, publicaties, video's, afbeeldingen en andere uitingen die in strijd zijn met de onder 1 tot en met 3 gevraagde verboden van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige online platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
5. [persoon B] gebiedt om op haar socialemedia-accounts – Facebook, Instagram, LinkedIn, TikTok, X en YouTube – de volgende rectificatie te plaatsen:
“RECTIFICATIE INZAKE [persoon A]
In 2025 en 2026 heb ik de heer [persoon A] herhaaldelijk beschuldigd van diverse strafbare en grensoverschrijdende gedragingen, waaronder seksueel misbruik, mishandeling, femicide, stalking en het doen van een valse aangifte. Deze beschuldigingen hebben onvoldoende feitelijke basis. Ik had daarom niet tot publicatie daarvan mogen overgaan. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft mij op straffe van verbeurte van een dwangsom en voorwaardelijke lijfsdwang verplicht om deze rectificatie te publiceren.
[persoon B] .”
zonder commentaar, duidelijk leesbaar, normaal lettertype, met zwarte letters op een witte achtergrond, voor de duur van 72 uur en op een wijze dat de rectificatietekst gepinned wordt op het betreffende mediakanaal, voor zover het betreffende sociale medium deze optie aanbiedt,
6. primair: [persoon B] verbiedt om direct of indirect contact op te nemen met [persoon A] , via welk communicatiemiddel of kanaal dan ook (waaronder mede begrepen: telefoon, e-mail, sociale media, berichtenapps en fysieke benadering), en haar verbiedt zich in de fysieke nabijheid van [persoon A] te begeven, in die zin dat zij zich op geen enkel moment op een afstand van minder dan 10 meter van hem mag bevinden,
subsidiair: een soortgelijk contactverbod van een in goede justitie te bepalen duur oplegt,
7. bepaalt dat [persoon B] een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt als zij niet aan een of meer van de in dit vonnis uit te spreken veroordelingen voldoet, te vermeerderen met € 2.500,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
8. bepaalt dat als het maximum aan dwangsommen is verbeurd en [persoon B] in strijd blijft handelen met een of meer uitgesproken veroordelingen, de veroordelingen tevens ten uitvoer kunnen worden gelegd door middel van lijfsdwang (gijzeling) als bedoeld in artikel 585 e.v. Rv, met dien verstande dat a) per overtreding een maximale gijzelingsduur van tien dagen geldt en b) de toepassing van lijfsdwang geschiedt op verzoek van [persoon A] en met inachtneming van de wettelijke voorschriften,
9. [persoon B] veroordeelt in de (werkelijke) proceskosten, te vermeerderen met rente.
[persoon B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
Formeel maakt zij geen bezwaar tegen de eisvermeerdering van [persoon A] .
in reconventie
In het door [persoon B] geschreven “Verzetschrift” zijn tegenvorderingen geformuleerd. In een handelszaak kan een eis in reconventie echter alleen worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. Mr. Van der Eijk heeft zich na het indienen van het “Verzetschrift” voor [persoon B] gesteld en voorafgaand aan de mondelinge behandeling een eis in reconventie namens [persoon B] ingediend.
[persoon B] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [persoon A] verbiedt om direct of indirect contact met haar op te nemen, via welk communicatiemiddel of kanaal dan ook, en hem verbiedt zich in de fysieke nabijheid van haar op te houden, in die zin dat hij zich niet op een afstand van minder dan tien meter van haar mag bevinden, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.
[persoon A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [persoon B] in de proceskosten.
4. De beoordeling
in conventie
spoedeisend belang
De zaak is voldoende spoedeisend om in kort geding te worden behandeld. [persoon A] stelt dat hij als gevolg van de uitlatingen van [persoon B] voortdurend materiële en immateriële schade lijdt. Volgens [persoon A] doen de uitlatingen doorlopend afbreuk aan zijn goede naam en reputatie. Verder ervaart hij dat de uitlatingen zijn veiligheidsgevoel aantasten. Dat is voldoende om de vorderingen van [persoon A] inhoudelijk te kunnen beoordelen. Daar komt bij dat uitlatingen die langer geleden zijn gedaan nog steeds op het internet staan en de vorderingen van [persoon A] er mede op zijn gericht dat [persoon B] deze, in de ogen van [persoon A] onrechtmatige, uitlatingen verwijdert.
enkele algemene overwegingen vooraf
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij kennis heeft genomen van een grote hoeveelheid stukken. Beide partijen hebben voorbeelden van uitlatingen overgelegd, waar zij overigens zelden concreet naar verwijzen,kopieën van processen-verbaal van aangiften, krantenartikelen en geluidsfragmenten in het geding gebracht en door middel van – niet te openen – links verwezen naar (video’s op) websites en accounts op sociale media. Daarnaast hebben zij (proces)stukken ingediend waarin zij hun stellingen hebben toegelicht en ter zitting betoogd dat, in ieder geval een deel van, de uitlatingen in een bepaalde context moet worden geplaatst.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken niet altijd blijkt wanneer bepaalde uitlatingen zijn gedaan, op welk sociaal medium zij zijn gedaan, tegen wie zij zijn gericht, waarop zij betrekking hebben, wie daarvan kennis heeft genomen en of en door wie daarop is gereageerd. Sommige uitlatingen zitten twee of soms wel drie keer in het dossier. Daarnaast hebben partijen onvoldoende duidelijk gemaakt in welke context een groot deel van de uitlatingen moet worden geplaatst: de producties zijn in veel gevallen losstaande posts (uitlatingen), zonder dat blijkt in welk kader zij zijn gedaan. Partijen hebben ook niet toegelicht wat de directe aanleiding is geweest voor hun conflict, wie begonnen is met het doen van de uitlatingen en hoeveel uitlatingen er over en weer zijn gedaan.
De uitlatingen van [persoon A] en [persoon B] kunnen in ieder geval voor een deel niet anders worden gekarakteriseerd dan als scheldpartijen waarin zij over en weer op elkaar (blijven) reageren. Voor de uitlatingen van [persoon B] geldt dat zij met journalistiek – het aan de kaakstellen van maatschappelijke misstanden – niets te maken hebben. [persoon B] slingert het nodige op diverse platforms zonder dat is gebleken van enig onderzoek naar het waarheidsgehalte van wat zij deelt. Dat zij daarbij hoor en wederhoor toepast, blijkt (vooralsnog) nergens uit. Voor [persoon A] (en overigens ook voor de eisers in de andere twee zaken) geldt dat hij met enige regelmaat de confrontatie met [persoon B] zoekt. Daarbij is, af en toe, sprake van zuigende en kleinerende uitlatingen.
toetsingskader
In dit kort geding gaat het om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten, te weten 1) het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie van [persoon A] , beschermd door artikel 8 EVRM, en 2) het recht op vrijheid van meningsuiting van [persoon B] , beschermd door artikel 10 EVRM, en daarmee het recht om vrijelijk te kunnen deelnemen aan het publieke debat via sociale media.
Als de vorderingen van [persoon A] (deels) worden toegewezen, betekent dit dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [persoon B] wordt beperkt. Zo’n beperking is op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam van een ander. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat een of meer uitlatingen van [persoon B] jegens [persoon A] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.
In beginsel komt geen voorrang toe aan een van de hiervoor genoemde grondrechten. Volgens vaste rechtspraak moet de (voorzieningen)rechter voor het antwoord op de vraag of het ene recht een gerechtvaardigde inbreuk maakt op het andere recht een afweging maken aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de volgende omstandigheden relevant zijn:
de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor de betrokkene,
de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen,
de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal,
de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, en
de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
In elk concreet geval moet worden beoordeeld welke omstandigheden een rol spelen en welk gewicht daaraan moet worden gehecht.
toetsing uitlatingen
In dit kort geding liggen alleen de uitlatingen van [persoon B] ter beoordeling voor. Hoewel de uitlatingen voor het publiek weinig toegevoegde waarde lijken te hebben, en met (enigszins) normale omgangsvormen weinig van doen hebben, betekent dit nog niet dat zij tegenover [persoon A] onrechtmatig zijn. Afgezien van het feit dat kwalificaties als “psychopaat”, “fucking ziekelijke kanker psychopaat” en “debiel” beledigend zijn, vallen deze, als waardeoordelen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen het recht van [persoon B] op vrijheid van meningsuiting. Daarbij wordt meegewogen dat de uitlatingen mede lijken te zijn gedaan als reactie op uitlatingen van [persoon A] , in het kader van hun ruzie op internet. Zo noemt [persoon A] [persoon B] onder andere een “verwarde dame” en een “voormalige aan mentale druk bezweken zwemjuf” en schrijft hij dat zij een “ontwikkelingsstoornis”, “antisociale persoonlijkheid” en “slechte impulscontrole” heeft. Daarnaast blijkt uit de toon van zijn berichten dat hij [persoon B] probeert te kleineren (”Schat, je bent een muisje. We spelen met je. Tot we geen interesse meer in hebben. Sit down.”) en haar niet (erg) serieus neemt.
Met een aantal uitlatingen heeft [persoon B] naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grenzen overschreden en dus wel onrechtmatig jegens [persoon A] gehandeld. Daarbij gaat het om uitlatingen waarin [persoon A] met naam en toenaam (“[voornaam persoon A]” en/of “[persoon A]”) wordt beschuldigd van strafbare feiten en berichten waarin wordt gedreigd met geweld tegen [persoon A] . Voor een aantal uitlatingen geldt dat [persoon A] stelt dat deze tegen hem zijn gericht, maar dat niet blijkt uit de betreffende uitlatingen.
[persoon B] heeft [persoon A] op sociale media beschuldigd van stalking, doxing, het opzetten van valselijke lasterlijke aangiftes, mishandeling en, met de hierna te bespreken afbeelding en verspreiding van een geanonimiseerde e-mail, kindermisbruik. Het gaat hier om beschuldigingen van (ernstige) strafbare feiten (zie onder meer de artikelen 285b, 285d, 300, 188 en 245 Sr), die geen enkele steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Nergens blijkt uit dat [persoon A] voor een of meer van deze feiten strafrechtelijk is veroordeeld. Er zijn ook geen aanwijzingen (die het vermoeden kunnen rechtvaardigen) dat [persoon A] zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. Het openbaar ministerie heeft voor deze feiten ook geen besluit tot vervolging van [persoon A] genomen. Doordat [persoon B] de beschuldigingen op sociale media heeft gedaan, heeft zij daarmee de goede naam en reputatie van [persoon A] aangetast. Gelet op een aantal overgelegde instemmende reacties op de berichten van [persoon B] is aannemelijk dat (een deel van) de, naar de voorzieningenrechter begrijpt groeiende schare, volgers van [persoon B] de beschuldigingen voor waar aannemen.
De voorzieningenrechter wijst in het bijzonder op de afbeelding van [persoon A] (en [naam 1] ) met daarbij de tekst “kinderen neuken” (zie ook 2.4.). Hoewel [persoon B] stelt dat het geen afbeelding betreft maar een filmpje over een voorgenomen jeugdzorgdemonstratie waarin wordt verwezen naar een uitspraak van [persoon A] , merkt de voorzieningenrechter op dat de combinatie van het portret van [persoon A] met de tekst “kinderen neuken” door het publiek moeilijk anders dan als een beschuldiging van kindermisbruik kan worden opgevat. Dat is schadelijk voor de goede naam en reputatie van [persoon A] , waarbij relevant is dat voor een dergelijke beschuldiging geen enkele grond bestaat.
Naar voorlopig oordeel zijn de uitlatingen waarin [persoon B] [persoon A] beschuldigt van strafbare feiten dan ook onrechtmatig en rechtvaardigt het belang van [persoon A] bij bescherming van zijn de persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie in dit geval een beperking van het recht van [persoon B] op vrijheid van meningsuiting.
[persoon B] heeft [persoon A] op sociale media ook beschuldigd van machtsmisbruik, zware belaging, intimidatie, grensoverschrijdend gedrag, smaad en laster, het aanrichten van lichamelijke en financiële schade, het zijn van een gevaar, terreur en femicide. Daarover merkt de voorzieningenrechter op dat niet altijd duidelijk is tegen wie deze beschuldigingen zijn gericht en wat [persoon B] daar precies mee bedoelt. Zij legt dat niet of onvoldoende uit en daarnaast zijn het geen vastomlijnde begrippen. Voor de opmerkingen dat [persoon A] “slachtoffers kapot maakt” en dat er “meerdere klokkenluiders-slachtoffers” zijn, geldt eveneens dat onduidelijk is wat [persoon B] daarmee bedoelt. Gelet op de vaagheid van deze beschuldigingen bestaat in zoverre geen reden tot ingrijpen.
Verder heeft [persoon B] op sociale media gedreigd met geweld tegen [persoon A]. Een voorbeeld daarvan is:
“Nee, ik heb ook schijt aan [voornaam persoon A] of [naam 1] + gangstalkers, en ik zet geweld in als het NODIG is.”
Dit is in de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens [persoon A] . De voorzieningenrechter tilt daarbij zwaar aan het feit dat [persoon B] deze uitlatingen op sociale media doet, zonder precies te kunnen weten wie haar volgers zijn en welke intenties die volgers hebben. De uitlatingen zijn daarmee niet alleen schadelijk voor de goede naam en reputatie van [persoon A] , maar kunnen ook aanleiding geven tot fysiek geweld tegen hem.
[persoon B] heeft op sociale media ook portretten van [persoon A] geplaatst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat onrechtmatig voor zover dat gepaard gaat met teksten als “kinderen neuken”. Het belang van [persoon A] verzet zich evenwel niet tegen de publicatie van een portret van hem, bijvoorbeeld ter illustratie van een verslag over deze rechtszaak (zie productie K18, p. 16 en 17 en productie K19, p. 4).
conclusie
Het oordeel dat [persoon B] met een deel van haar uitlatingen onrechtmatig jegens [persoon A] heeft gehandeld, leidt tot zover tot de volgende beslissingen.
De vorderingen onder 1 en 2 worden toegewezen, in die zin dat het [persoon B] wordt verboden om uitlatingen te doen waarin zij 1) dreigt met geweld tegen [persoon A] en 2) [persoon A] beschuldigt van strafbare feiten zonder dat er sprake is van een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie.
De vordering onder 3 wordt afgewezen. [persoon B] heeft zonder toestemming van [persoon A] portretten van hem, in de vorm van een afbeelding en/of video, op internet gezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was dit onrechtmatig in combinatie met beschuldigingen van strafbare feiten. Het wordt [persoon B] reeds verboden om dit soort uitlatingen te doen, dus ook in de vorm van een tekst bij een foto.
De vordering onder 4 wordt toegewezen, in die zin dat [persoon B] wordt geboden om de (volledige) publicaties zoals weergegeven in de producties K04, p.3, K05, p. 2, 4, 8 en 10, K06, K07, p. 3 en K09, p. 1, 3, 6, 8 en 9 volledig van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige platforms te verwijderen en verwijderd te houden. Volledigheidshalve wordt overwogen dat van [persoon B] verwacht mag worden dat zij weet op welke kanalen, websites en platforms zij een en ander geplaatst heeft.
De onder 5 gevorderde rectificatie wordt afgewezen. [persoon A] en [persoon B] hebben elkaar op sociale media voor van alles en nog wat uitgemaakt en beschuldigd. Gelet op de strijd die zij online met elkaar voeren en het aandeel dat zij daar ieder in hebben, acht de voorzieningenrechter het plaatsen van een rectificatie op de socialemedia-accounts van, enkel, [persoon B] in dit geval disproportioneel. Om die reden wordt ook geen dwangsom verbonden aan de aan [persoon B] op te leggen ver- en geboden (vordering 7). De onder 8 gevorderde uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang wordt eveneens afgewezen.
in conventie en in reconventie
contact- en gebiedsverbod
Zowel [persoon A] als [persoon B] vordert een contact- en gebiedsverbod. Een contact- en gebiedsverbod verbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om vrijelijk met een ander te communiceren en zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het kunnen opleggen van zo’n verbod moet daarom sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen. Daarbij dient een reële dreiging te bestaan van actueel en toekomstig onrechtmatig handelen.
Voorop gesteld wordt dat beide partijen contact met de ander hebben gezocht. Hoewel onduidelijk is wie met het doen van uitlatingen is begonnen en hoeveel uitlatingen er over en weer zijn gedaan, blijkt uit de stukken dat partijen regelmatig de confrontatie met elkaar opzoeken. Het zij herhaald, de uitlatingen van [persoon A] en [persoon B] kunnen in ieder geval voor een deel niet anders worden gekarakteriseerd dan als scheldpartijen waarin zij over en weer op elkaar (blijven) reageren. Gelet hierop en het feit dat een groot deel van de uitlatingen niet als onrechtmatig kan worden bestempeld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod. Daar komt bij dat het [persoon B] in conventie wordt verboden om uitlatingen te doen waarin zij dreigt met geweld tegen [persoon A] of zonder enige basis beschuldigt van strafbare feiten.
De voorzieningenrechter maakt een uitzondering voor wat betreft het taggen door [persoon A] van [persoon B] in zijn berichten. [persoon B] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [persoon A] haar in de aanloop naar de zitting op 6 februari 2026 veelvuldig heeft getagd en daarmee rechtstreeks contact met haar heeft opgenomen. Nut en noodzaak daarvan is gesteld noch aannemelijk gemaakt, terwijl het bijdraagt aan de polemiek waartegen [persoon A] in dit kort geding nou juist opkomt. Nu het [persoon B] wordt verboden om onrechtmatige uitlatingen over [persoon A] te doen, wordt het [persoon A] verboden om het uitlokken van [persoon B] in de vorm van taggen te staken.
Partijen hebben beiden gesteld dat zij regelmatig verslag doen van zittingen in gerechtelijke procedures en elkaar dus in rechtbanken tegen kunnen komen. Niet in geschil is dat dit ook op 3 november 2025 is gebeurd en toen tot een fysieke confrontatie heeft geleid. Hoewel de voorzieningenrechter niet uit de stukken kan afleiden wat zich precies heeft voorgedaan, en wie welke rol daarin gespeeld heeft – in welk kader wordt opgemerkt dat eerder al is overwogen dat niet alleen [persoon B] maar ook [persoon A] een aandeel heeft in de uitlatingen – acht zij het onwenselijk dat een volgende ontmoeting opnieuw tot een schermutseling leidt. Om die reden wordt aan beide partijen een gebiedsverbod opgelegd, inhoudende dat zij zich op geen enkel moment op een afstand van minder dan vijf meter van elkaar mogen bevinden. Aangezien het verbod aan beide partijen wordt opgelegd, wordt aan het aan [persoon B] op te leggen verbod, aangezien uitsluitend [persoon A] een dwangsom heeft gevorderd, geen dwangsom verbonden.
proceskosten
Gelet op het feit dat in dit kort geding zowel [persoon A] als [persoon B] een verwijt kan worden gemaakt en zij dus ook over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, worden zowel in conventie als in reconventie de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
verbiedt [persoon B] om uitlatingen te doen waarin zij dreigt met geweld tegen [persoon A] ,
verbiedt [persoon B] om [persoon A] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van strafbare feiten, tenzij sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie waaruit blijkt dat [persoon A] voor een strafbaar feit wordt vervolgd,
gebiedt [persoon B] om de publicaties zoals weergegeven in de producties K04, p.3, K05, p. 2, 4, 8 en 10, K06, K07, p.3 en K09, p. 1, 3, 6, 8 en 9 van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
verbiedt [persoon B] zich in de fysieke nabijheid van [persoon A] te begeven, in die zin dat zij zich niet op een afstand van minder dan vijf meter van hem mag bevinden,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
verbiedt [persoon A] om contact met [persoon B] op te nemen door haar in zijn online publicaties te taggen,
verbiedt [persoon A] om zich in de fysieke nabijheid van [persoon B] op te houden, in die zin dat hij zich niet op een afstand van minder dan vijf meter van haar mag bevinden,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. [2971/2009]