RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710395 / KG ZA 25-1157
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaten: mrs. R.P. de Vries en M. IJsebrands,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. S. van der Eijk.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft op sociale media uitlatingen gedaan over [eiser] . In dit kort geding vordert [eiser] 1) dat het [gedaagde] wordt verboden om uitlatingen over [eiser] te doen, 2) om uitlatingen over hem te verwijderen en 3) onterechte beschuldigingen te rectificeren. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe voor zover het gaat om uitlatingen die jegens [eiser] onrechtmatig zijn en voor zover dat noodzakelijk is ter bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 11 december 2025, met producties 1 tot en met 19,
een audiofragment van [gedaagde] ,
het “Verzetschrift” van [gedaagde] ,
het “Onderzoeksdossier betreffende psychische intimidatie en machtsmisbruik” van [gedaagde] ,
het document “Van verweerschrift tot bewijsvoering” van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 23,
een door [gedaagde] overgelegd proces-verbaal van aangifte van 10 juni 2025, dat als haar productie 24 wordt aangemerkt,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 december 2025,
de akte aanvullende producties van [eiser] , met producties 20 en 21,
de akte vermeerdering eis van [eiser] ,
de akte uitlating over werkelijke proceskosten 20 december 2025 tot en met 6 februari 2026 van [eiser] ,
de spreekaantekeningen van mrs. De Vries en IJsebrands,
de pleitaantekeningen van mr. Van der Eijk,
de akte uitlating audiofragmenten van [eiser] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2025 en 6 februari 2026. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaken in kort geding van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) tegen [gedaagde] (C/10/710502 / KG ZA 25-1164 en C/10/710617 / KG ZA 25-1171).
Bij de eerste zitting is [gedaagde] in persoon verschenen. [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter toen om een uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Dat verzoek is afgewezen. Daarop heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter gewraakt. Vervolgens is de zitting geschorst. De wrakingskamer van deze rechtbank heeft aan [gedaagde] laten weten dat het wrakingsverzoek in dit geval door een advocaat moet worden ingediend en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een advocaat in te schakelen. Bij e-mail van 7 januari 2026 heeft mr. Van der Eijk zich voor [gedaagde] gesteld. Bij e-mail van 9 januari 2026 heeft hij laten weten dat [gedaagde] haar wrakingsverzoek introk. De mondelinge behandeling is daarna op 6 februari 2026 voortgezet.
[gedaagde] heeft een audiofragment in het geding gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [eiser] dat fragment niet had ontvangen. De voorzieningenrechter heeft [eiser] daarom in de gelegenheid gesteld om zich na de mondelinge behandeling daarover bij akte uit te laten.
2. De feiten
[eiser] kreeg in Nederland relatieve bekendheid door zijn betrokkenheid bij verschillende onderwerpen, waaronder een massa-aangifte tegen een van de voormannen van de actiegroep Viruswaarheid en zoekacties naar vermiste personen.
[gedaagde] is actief op sociale media zoals Instagram, LinkedIn en X. Daarnaast plaatste zij op haar website www.fleurspolitiekestem.nl zelfgeschreven artikelen. De website is momenteel offline.
Sinds januari 2025 doen [eiser] en [gedaagde] op sociale media uitlatingen over elkaar. [eiser] en [gedaagde] hebben naar aanleiding daarvan en daarover bij de politie (meermaals) aangifte tegen elkaar gedaan.
Bij brief van 4 november 2025 schrijft mr. De Vries aan [gedaagde] dat zij op sociale media met regelmaat strafbare en onrechtmatige uitlatingen over [eiser] doet. Daarbij wijst hij, voor zover van belang, op het volgende:
“(…)
Smaad
Uit de diverse berichten die u plaatst volgt dat u een obsessie heeft jegens cliënt. U schrijft cliënt te ‘haten’ (Bijlage 1), hetgeen u ook laat blijken door cliënt herhaaldelijk en publiekelijk op onheuse wijze te bejegenen. Zo noemt u hem onder meer een: ‘debiel’, ‘oprecht vreselijk mens’, ‘totaal zieke psychopaat’, ‘NSB’er’ en ‘de meest walgelijke en respectloze kwal die er bestaat’. Hoewel ernstig en grievend, verbleken deze uitlatingen nog bij het overige wat u plaatst over cliënt.
U beschuldigt cliënt herhaaldelijk van het zijn van een ‘misbruiker’, ‘machtsmisbruiker’, ‘geestelijke mishandelaar’ en ‘online misbruiker’. Ook zou hij in het centrum staan van een ‘hardnekkige, virtuele knokploeg’. Cliënt zou tevens meerdere slachtoffers ‘kapot hebben gemaakt’ en zich schuldig maken aan ‘georganiseerd stalken’, ‘doxing’, ‘femicide’, ‘intimidatie’ en het ‘structureel mensenrechten beschadigen’.
Naast deze concrete beschuldigen, stelt u ook alles in het werk om de reputatie van cliënt op andere wijze te beschadigen. Zo heeft u – zonder valide grond – meerdere keren aangifte gedaan jegens cliënt en heeft u via (online) meldingen bij de Raad van de Kinderbescherming gepoogd om op ernstige wijze inbreuk te maken op zijn ‘family life’.
Doodsbedreigingen
Ook heeft u cliënt meermaals – impliciet en expliciet – bedreigd met geweld en de dood. Ook zet u anderen aan om tot geweld jegens cliënt over te gaan. Zo schrijft u onder meer op de diverse online platformen:
“Nee, ik heb ook schijt aan [naam 1] of [eiser] + gangstalkers, en ik zet geweld in als het NODIG is.”
“De enige optie is namelijk geweld bij jullie, allemaal heel leuk [naam 1] , maar een straf interesseert mij gewoon niet bij machtsmisbruik. Er is geen greintje, humor bij mij hierover. Ga er mee door, verwacht infiltering in je eigen leven.”
“Ik ga hier voor de laatste keer op reageren, gezien ik op dit moment een oprecht gevaar ben voor mijn eigen handelen en in staat ben om al die zieke, gestoorde treiterpsychopaten iets aan te doen. En dan al helemaal [naam 1] én [eiser] ”
“Misschien is het juist eens goed dat iemand zich opoffert en hen totaal kapot slaat voor alle slachtoffers”
“De volgende stap na aangifte, niet opgepakt geweld”
“Geweld is gewoon een volgende stap…”
“…anders gaat er gewoon geslacht worden en ik zal dus ook echt doen wat nodig is”
Dergelijke bedreigingen heeft u ook persoonlijk – gedurende een telefoongesprek met cliënt – geuit. Het moge duidelijk zijn dat deze uitlatingen niet alleen onrechtmatig zijn, maar ook strafbaar. Cliënt heeft hiervan reeds aangifte gedaan.
Afbeeldingen
Daar komt bij dat u meermaals zonder toestemming afbeeldingen van cliënt heeft gepubliceerd. Dat doet u steeds in samenhang met grievende, onrechtmatige teksten. Zo publiceerde u op 29 maart 2025 een afbeelding van cliënt met daarop de tekst “Kinderen neuken”
[ Afbeelding met foto eiser en naam 1 ]
Op uw accounts zijn overigens meerdere afbeeldingen zichtbaar waarin het portret van cliënt – in combinatie met vergaande teksten – wordt getoond.
Familie
Nog kwalijker is dat u uw gedragingen niet alleen beperkt tot sociale media, maar dat u ook aanleiding heeft gezien om de ernstige beschuldigingen – die hier in de brief zijn benoemd – direct te delen met de minderjarige zoon van cliënt. De minderjarige zoon had u – op eigen initiatief – verzocht om uw gedragingen jegens zijn vader te staken, omdat hij zeer geschokt was over wat hij op uw sociale media-accounts aantrof.
Dit indringende verzoek is voor u geen aanleiding geweest om uw handelen te staken. Integendeel: u heeft het aangegrepen om er nog een schep bovenop te doen. U heeft de minderjarige zoon van cliënt een uitgebreid spraakbericht gestuurd waarin u wederom grievende en schadelijke uitlatingen doet over cliënt. Daar is het overigens niet bij gebleven. Cliënt heeft moeten vaststellen dat u de sociale media van zijn zoon monitort en met hem contact blijft zoeken door elke foto te liken. Het behoeft weinig toelichting dat dit – zeker gezien de context – als intimiderend is ervaren.
Verder heeft u een afbeelding van de (minderjarige) kinderen van cliënt op X gepubliceerd met daarbij de tekst: ‘Hoe voelt het als dit online wordt gegooid?’ In een ander bericht publiceert u ook een weinig verhulde bedreiging naar het gezin van cliënt. U schrijft: ‘Dus ik stel hier even een serieuze vraag: mag ik nu ook [eiser] zijn gezin gaan aanvallen.’ Uw handelwijze gaat hiermee alle grenzen over.
(…)”
In de brief verzoekt en sommeert mr. De Vries [gedaagde] om geen uitlatingen meer te doen over [eiser] en zijn familie, reeds gedane uitlatingen binnen zeven dagen te verwijderen en een rectificatie op haar socialemedia-accounts te plaatsen.
[gedaagde] laat op X weten dat zij geen zeven dagen nodig heeft en dat haar reactie simpel is, namelijk: “start een kort geding”. Ook schrijft zij dat zij pal achter de feiten staat en absoluut geen berichten gaat verwijderen. Vervolgens plaatst zij op 19 november 2025 op sociale media berichten die volgens haar afkomstig zijn van de ex-partner van [eiser] . In deze berichten wordt [eiser] onder andere beschuldigd van ouderverstoting, ongepast gedrag naar kinderen en geestelijke mishandeling.
3. Het geschil
[eiser] vordert na vermeerdering van zijn eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde] verbiedt om direct of indirect – en op welke wijze dan ook – dreigementen te uiten jegens [eiser] en/of zijn minderjarige kinderen, waaronder mede begrepen (maar niet daartoe beperkt) uitlatingen waarin wordt gedreigd met fysiek geweld of het laten plegen van geweld door derden,
primair: [gedaagde] verbiedt om [eiser] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van strafbare feiten, tenzij sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie waaruit blijkt dat [eiser] wordt vervolgd voor dat strafbare feit,
subsidiair: [gedaagde] verbiedt om [eiser] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van terreur, mishandeling, (seksueel) misbruik, machtsmisbruik, (psychisch en fysiek) geweld, doxing, intimidatie, bedreiging, femicide, marteling, het maken van slachtoffers, stalking of belaging dan wel andere (strafbare) feiten die naar aard en strekking met deze beschuldigingen vergelijkbaar zijn,
3. [gedaagde] verbiedt om berichten (waaronder begrepen posts, foto's, video's, reacties, comments en stories) waarin uitlatingen worden gedaan over het gezinsleven van [eiser] te plaatsen op welke (sociale)mediakanalen dan ook, alsmede op websites of andere online platforms, waaronder uitdrukkelijk begrepen, maar niet beperkt tot, berichten a) over zijn (minderjarige) kinderen, b) over het geschil dat hij heeft of heeft gehad met zijn ex-vrouw bij de echtscheiding alsmede over de zorg over hun (minderjarige) kinderen en c) waaruit het woonadres van [eiser] blijkt,
4. [gedaagde] verbiedt om het portret van [eiser] – in welke vorm dan ook – openbaar te maken of te laten maken, te publiceren of te laten publiceren dan wel op enige wijze te verspreiden via websites, sociale media of andere (online) kanalen die onder haar beheer vallen of waarover zij het feitelijke beheer heeft, al dan niet in combinatie met (de suggestie van) strafbare feiten of andere ernstige verwijten,
5. [gedaagde] gebiedt om alle berichten, publicaties, video's, afbeeldingen en andere uitingen die in strijd zijn met de onder 1 tot en met 4 gevraagde verboden van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige online platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
6. [gedaagde] gebiedt om op haar socialemedia-accounts – Facebook, Instagram, LinkedIn, Tiktok, X en YouTube – de volgende rectificatie te plaatsen:
“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]
In 2025 en 2026 heb ik de heer [eiser] herhaaldelijk beschuldigd van verschillende strafbare en grensoverschrijdende gedragingen, waaronder femicide, mishandeling, (seksueel) misbruik, het maken van slachtoffers, stalking en doxing. Deze beschuldigingen hebben onvoldoende feitelijke basis. Ik had daarom niet tot publicatie daarvan mogen overgaan. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft mij op straffe van verbeurte van een dwangsom en voorwaardelijke lijfsdwang verplicht om deze rectificatie te publiceren.
[gedaagde] .”
zonder commentaar, duidelijk leesbaar, normaal lettertype, met zwarte letters op een witte achtergrond, voor de duur van 72 uur en op een wijze dat de rectificatietekst gepinned wordt op het betreffende mediakanaal, voor zover het betreffende sociale medium deze optie aanbiedt,
7. primair: [gedaagde] verbiedt om direct of indirect contact op te nemen met [eiser] en/of zijn minderjarige kinderen, via welk communicatiemiddel of kanaal dan ook (waaronder mede begrepen: telefoon, e-mail, sociale media, berichtenapps en fysieke benadering), en haar verbiedt zich in de fysieke nabijheid van [eiser] en/of zijn minderjarige kinderen te begeven, in die zin dat zij zich op geen enkel moment op een afstand van minder dan 10 meter van hen mag bevinden,
subsidiair: een soortgelijk contactverbod van een in goede justitie te bepalen duur oplegt,
8. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt als zij niet aan een of meer van de in dit vonnis uit te spreken veroordelingen voldoet, te vermeerderen met € 2.500,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
9. bepaalt dat als het maximum aan dwangsommen is verbeurd en [gedaagde] in strijd blijft handelen met een of meer uitgesproken veroordelingen, de veroordelingen tevens ten uitvoer kunnen worden gelegd door middel van lijfsdwang (gijzeling) als bedoeld in artikel 585 e.v. Rv, met dien verstande dat a) per overtreding een maximale gijzelingsduur van tien dagen geldt en b) de toepassing van lijfsdwang geschiedt op verzoek van [eiser] en met inachtneming van de wettelijke voorschriften,
10. [gedaagde] veroordeelt in de (werkelijke) proceskosten, te vermeerderen met rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
Formeel maakt zij geen bezwaar tegen de eisvermeerdering van [eiser] .
In het door [gedaagde] geschreven “Verzetschrift” zijn tegenvorderingen geformuleerd. In een handelszaak kan een eis in reconventie echter alleen worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. Mr. Van der Eijk heeft zich na het indienen van het “Verzetschrift” voor [gedaagde] gesteld en tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat tegen [eiser] geen eis in reconventie wordt (en is) ingediend.
4. De beoordeling
spoedeisend belang
De zaak is voldoende spoedeisend om in kort geding te worden behandeld. [eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt door schadelijke uitlatingen over hem en zijn gezin te doen op het internet. Vaststaat dat [gedaagde] zowel na de sommatie als na het uitbrengen van de dagvaarding opnieuw berichten over [eiser] op sociale media heeft gezet. Dat leidt tot het oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is gegeven. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat uitlatingen die langer geleden zijn gedaan nog steeds op het internet staan en, sinds november 2025, een enkele keer opnieuw zijn gedaan. De vorderingen zijn er mede op gericht dat [gedaagde] die uitlatingen verwijdert.
machtiging kantonrechter ontbreekt
De vorderingen onder 1 en 3 strekken er mede toe dat [gedaagde] niet langer berichten en afbeeldingen plaatst over en van de (minderjarige) kinderen van [eiser] . Onder 7 vordert [eiser] een verbod voor [gedaagde] om in contact te treden met en in de buurt te komen van zijn kinderen. Op grond van artikel 1:253k BW in combinatie met artikel 1:349 BW behoeft een ouder een machtiging van de kantonrechter voor het instellen van vorderingen namens een minderjarige. Die machtiging heeft [eiser] niet gevraagd. Voor zover de vordering onder 7 betrekking heeft op de kinderen van [eiser] , wordt [eiser] daarin niet-ontvankelijk verklaard. Wel wordt hij ontvangen in zijn vorderingen onder 1 en 3, omdat de berichten over en de afbeelding van de kinderen van [eiser] die [gedaagde] op sociale media heeft gezet niet los kunnen worden gezien van de uitlatingen die [gedaagde] over [eiser] heeft gedaan.
enkele algemene overwegingen vooraf
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij kennis heeft genomen van een grote hoeveelheid stukken. Beide partijen hebben voorbeelden van uitlatingen overgelegd, waar zij overigens zelden concreet naar verwijzen, kopieën van processen-verbaal van aangiften, krantenartikelen en geluidsfragmenten in het geding gebracht en door middel van – niet te openen – links verwezen naar (video’s op) websites en accounts op sociale media. Daarnaast hebben zij (proces)stukken ingediend waarin zij hun stellingen hebben toegelicht en ter zitting betoogd dat, in ieder geval een deel van, de uitlatingen in een bepaalde context moeten worden geplaatst.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken niet altijd blijkt wanneer bepaalde uitlatingen zijn gedaan, op welk sociaal medium zij zijn gedaan, tegen wie zij zijn gericht, waarop zij betrekking hebben, wie daarvan kennis heeft genomen en of en door wie daarop is gereageerd. Sommige uitlatingen zitten twee of soms wel drie keer in het dossier. Daarnaast hebben partijen onvoldoende duidelijk gemaakt in welke context een groot deel van de uitlatingen moet worden geplaatst: de producties zijn in veel gevallen losstaande posts (uitlatingen), zonder dat blijkt in welk kader zij zijn gedaan. Partijen hebben ook niet toegelicht wat de aanleiding is geweest voor hun conflict, wie is begonnen met het doen van de uitlatingen en hoeveel uitlatingen er over en weer zijn gedaan.
De uitlatingen van [eiser] en [gedaagde] kunnen in ieder geval voor een deel niet anders worden gekarakteriseerd dan als scheldpartijen waarin zij over en weer op elkaar (blijven) reageren. Voor de uitlatingen van [gedaagde] geldt dat zij met journalistiek – het aan de kaakstellen van maatschappelijke misstanden – niets te maken hebben. [gedaagde] slingert het nodige op diverse platforms zonder dat is gebleken van enig onderzoek naar het waarheidsgehalte van wat zij deelt. Dat zij daarbij hoor en wederhoor toepast, blijkt (vooralsnog) nergens uit. Voor [eiser] (en overigens ook de eisers in de andere twee zaken) geldt dat hij met enige regelmaat de confrontatie met [gedaagde] zoekt. Daarbij is, af en toe, sprake van zuigende en kleinerende uitlatingen.
toetsingskader
In dit kort geding gaat het om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten, te weten 1) het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie van [eiser] , beschermd door artikel 8 EVRM, en 2) het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] , beschermd door artikel 10 EVRM, en daarmee het recht om vrijelijk te kunnen deelnemen aan het publieke debat via sociale media.
Als de vorderingen van [eiser] (deels) worden toegewezen, betekent dit dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] wordt beperkt. Zo’n beperking is op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam van een ander. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat een of meer uitlatingen van [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.
In beginsel komt geen voorrang toe aan een van de hiervoor genoemde grondrechten. Volgens vaste rechtspraak moet de (voorzieningen)rechter voor het antwoord op de vraag of het ene recht een gerechtvaardigde inbreuk maakt op het andere recht een afweging maken aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de volgende omstandigheden relevant zijn:
de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor de betrokkene,
de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen,
de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal,
de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, en
de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
In elk concreet geval moet worden beoordeeld welke omstandigheden een rol spelen en welk gewicht daaraan moet worden gehecht.
toetsing uitlatingen
In dit kort geding liggen alleen de uitlatingen van [gedaagde] ter beoordeling voor. Hoewel de uitlatingen voor het publiek weinig toegevoegde waarde lijken te hebben, en met (enigszins) normale omgangsvormen weinig van doen hebben, betekent dit nog niet dat zij tegenover [eiser] onrechtmatig zijn. Afgezien van het feit dat kwalificaties als “duivels figuur”, “dader”, “geestesgek”, “psychopaat”, “debiel” en “walgelijke en respectloze kwal” beledigend zijn, vallen deze, als waardeoordelen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Dat geldt ook voor de opmerking van [gedaagde] dat zij [eiser] haat. Daarbij wordt meegewogen dat de uitlatingen mede lijken te zijn gedaan als reactie op uitlatingen van [eiser] , in het kader van hun ruzie op internet. Zo noemt [eiser] [gedaagde] op sociale media onder andere een “idioot”, “gelegenheidsgelovige” en “complot-wannabee-bonusmoeder”. Daarnaast blijkt uit de toon van zijn berichten dat hij [gedaagde] probeert te kleineren en haar niet (erg) serieus neemt.
Met een aantal uitlatingen heeft [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grenzen overschreden en dus wel onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Daarbij gaat het om uitlatingen waarin [eiser] met naam en toenaam (“[eiser]” en/of “[eiser]”) wordt beschuldigd van strafbare feiten, berichten over zijn gezinsleven en kinderen, berichten waarin informatie over de echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner openbaar is gemaakt en berichten waarin wordt gedreigd met geweld tegen [eiser] . Overigens geldt voor een aantal uitlatingen dat [eiser] stelt dat deze tegen hem zijn gericht, maar dat dit niet blijkt uit de betreffende uitlatingen.
[gedaagde] heeft [eiser] op sociale media beschuldigd van geestelijke mishandeling, psychisch geweld, geestelijke marteling, intimidatie, stalking en, met de hierna te bespreken afbeelding, kindermisbruik. Het gaat hier om beschuldigingen van (ernstige) strafbare feiten (zie onder meer de artikelen 300, 284, 285b en 245 Sr), die geen enkele steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Nergens blijkt uit dat [eiser] voor een of meer van deze feiten strafrechtelijk is veroordeeld. Er zijn ook geen aanwijzingen (die het vermoeden kunnen rechtvaardigen) dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. Het openbaar ministerie heeft voor deze feiten ook geen besluit tot vervolging van [eiser] genomen. Doordat [gedaagde] de beschuldigingen op sociale media heeft gedaan, heeft zij daarmee de goede naam en eer van [eiser] aangetast. Gelet op een aantal overgelegde instemmende reacties op de berichten van [gedaagde] is aannemelijk dat (een deel van) de, naar de voorzieningenrechter begrijpt groeiende schare, volgers van [gedaagde] de beschuldigingen voor waar aannemen.
De voorzieningenrechter wijst in het bijzonder op de afbeelding van [eiser] (en [naam 1] ) met daarbij de tekst “kinderen neuken” (zie ook 2.4.). Hoewel [gedaagde] stelt dat het geen afbeelding betreft maar een filmpje over een voorgenomen jeugdzorgdemonstratie waarin wordt verwezen naar een uitspraak van [naam 1] , merkt de voorzieningenrechter op dat de combinatie van het portret van [eiser] met de tekst “kinderen neuken” door het publiek moeilijk anders dan als een beschuldiging van kindermisbruik kan worden opgevat. Dat is schadelijk voor de goede naam en reputatie van [eiser] , waarbij relevant is dat voor een dergelijke beschuldiging geen enkele grond bestaat.
Naar voorlopig oordeel zijn de uitlatingen waarin [gedaagde] [eiser] beschuldigt van strafbare feiten dan ook onrechtmatig en rechtvaardigt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie in dit geval een beperking van het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting.
[gedaagde] heeft op sociale media ook beschuldigingen gedaan van machtsmisbruik, geestelijk en online misbruik en femicide. De voorzieningenrechter merkt daarover op dat niet altijd duidelijk is tegen wie deze beschuldigingen zijn gericht en wat [gedaagde] daarmee bedoelt. Zij legt dat niet of onvoldoende uit en daarnaast zijn het geen vastomlijnde begrippen. Voor de opmerkingen dat [eiser] onderdeel zou uitmaken van “een hardnekkige, virtuele knokploeg” en “structureel mensenrechten zou beschadigen” geldt eveneens dat onduidelijk is wat [gedaagde] daarmee bedoelt. Gelet op de vaagheid van deze beschuldigingen bestaat in zoverre geen reden tot ingrijpen.
Verder heeft [gedaagde] op sociale media geschreven over het gezinsleven en de kinderen van [eiser]. Daarnaast heeft zij een geblurde foto van de kinderen van [eiser] op sociale media geplaatst met daarbij de tekst:
“Waarschuwing [eiser] . Denk niet dat ik geen schijt aan je heb, als [eiser] en [naam 1] stelselmatig doorgaan met hun Twitter-cyberpesten over de rug van kinderen. Hoe voelt het als dit online wordt gegooid? Kijk jij ze aan [eiser] , zeg je dan dat je een mishandelaar bent?”
Hoewel de uitlatingen van [gedaagde] soms een reactie lijken te zijn op een actie van [eiser] , rechtvaardigt dat geen inbreuk op het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Daarbij gaat [gedaagde] een grens over door de kinderen van [eiser] en publique in haar ruzie met [eiser] te betrekken en zelfs een afbeelding van de kinderen online te zetten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze berichten jegens [eiser] dan ook onrechtmatig.
Hetzelfde geldt voor de uitlatingen die [gedaagde] op sociale media over de echtscheiding van [eiser] heeft gedaan en de informatie die zij daarover op internet heeft gedeeld. [gedaagde] heeft gesprekken die zij via WhatsApp met de ex-vrouw van [eiser] heeft gevoerd online gezet. De informatie is niet alleen gedateerd (de echtscheidingsprocedure vond plaats in 2016/2017), maar ook privé. Het gaat namelijk om informatie die niet voor de buitenwereld bestemd is. Met haar stelling dat [gedaagde] hiermee misstanden aan de kaak wil stellen, gaat zij voorbij aan het feit dat dit soort informatie in een echtscheidingsprocedure thuishoort en dat de mondelinge behandeling van dit soort zaken daarom met gesloten deuren plaatsvindt (zie artikel 818 lid 6 Rv in combinatie met artikel 803 Rv). Daarmee wordt de bescherming van de belangen van de betrokkenen, waaronder in dit geval ook die van de kinderen, gewaarborgd. De voorzieningenrechter acht het daarnaast kwalijk dat de informatie na de aankondiging van dit kort geding op sociale media is gezet. Dit duidt erop dat [gedaagde] geen ander doel heeft gehad dan [eiser] te schaden. Van onderzoek naar de waarheidsgetrouwheid van de uitlatingen van de ex-vrouw lijkt geen sprake te zijn geweest en voorafgaande hoor- en wederhoor heeft in ieder geval niet plaatsgevonden.
Verder heeft [gedaagde] op sociale media gedreigd met geweld tegen [eiser] en zijn gezin. Voorbeelden daarvan zijn:
“Nee, ik heb ook schijt aan [naam 1] of [eiser] + gangstalkers, en ik zet geweld in als het NODIG is.”
en:
“(…) [eiser] & [naam 1] vallen mij en [naam 3] nu aan, dus ik stel hier even een serieuze vraag: mag ik nu ook [eiser] zijn gezin gaan aanvallen?
Dit is in de gegeven omstandigheden ook onrechtmatig jegens [eiser] . De voorzieningenrechter tilt daarbij zwaar aan het feit dat [gedaagde] deze uitlatingen op sociale media doet, zonder precies te kunnen weten wie haar volgers zijn en welke intenties die volgers mogelijk hebben. De uitlatingen zijn daarmee niet alleen schadelijk voor de goede naam en reputatie van [eiser] , maar kunnen ook aanleiding geven tot fysiek geweld tegen hem én zijn gezin.
[gedaagde] heeft op sociale media ook portretten van [eiser] geplaatst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat onrechtmatig voor zover dat gepaard gaat met teksten als “kinderen neuken”. Het belang van [eiser] verzet zich evenwel niet tegen de publicatie van een portret van hem, bijvoorbeeld ter illustratie van een verslag over deze rechtszaak (zie productie D21, p. 4).
conclusie
Het oordeel dat [gedaagde] met een deel van haar uitlatingen onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, leidt tot de volgende beslissingen.
De vorderingen onder 1 tot en met 3 worden toegewezen, in die zin dat het [gedaagde] wordt verboden om uitlatingen te doen 1) waarin zij [eiser] beschuldigt van strafbare feiten zonder dat er sprake is van een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie, 2) over het gezinsleven van [eiser] , zijn kinderen en de echtscheidingsprocedure en 3) waarin zij dreigt met geweld tegen [eiser] . Daarbij wordt opgemerkt dat niet is gebleken dat [gedaagde] heeft oproepen tot het plegen van geweld tegen [eiser] en zijn kinderen, zodat dat deel van de vordering onder 1 wordt afgewezen. Daarnaast is niet gebleken dat [gedaagde] het woonadres van [eiser] op internet heeft gezet.
De vordering onder 4 wordt afgewezen. [gedaagde] heeft zonder toestemming van [eiser] portretten van hem, in de vorm van een afbeelding en/of video, op internet gezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was dit vooral onrechtmatig in combinatie met beschuldigingen van strafbare feiten. Het wordt [gedaagde] reeds verboden om dit soort uitlatingen te doen, ook in de vorm van een tekst bij een foto.
De vordering onder 5 wordt toegewezen, in die zin dat [gedaagde] wordt geboden om de (volledige) publicaties zoals weergegeven in de producties D06, p. 4 en 6, D07, p. 2, 3, 5, 9, 11, 14, 16-18, 20, 21 en 25, D08, D09, p. 1, 4, 6 en 7, D12, D16, p. 1-11, D20, p. 15, 18-27 en D21, p. 1-3 en 6 van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige platforms te verwijderen en verwijderd te houden. Na betekening van dit vonnis krijgt zij daar zeven dagen de tijd voor. Volledigheidshalve wordt overwogen dat van [gedaagde] verwacht mag worden dat zij weet op welke kanalen, websites en platforms zij een en ander geplaatst heeft.
De vordering onder 6 wordt toegewezen, in die zin dat het [gedaagde] wordt geboden om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis de hierna in 5.6. te melden rectificatie voor de duur van 72 uur op haar accounts op Instagram, LinkedIn en X te zetten. Daarbij wordt opgemerkt dat in dit kort geding niet is gebleken dat [gedaagde] ook op andere fora uitlatingen over [eiser] heeft gedaan.
Het onder 7 gevorderde contact- en gebiedsverbod wordt afgewezen, omdat niet gebleken is dat [gedaagde] op regelmatige basis contact met [eiser] zoekt en zich in zijn nabijheid begeeft. Daarmee bestaat geen reden om een inbreuk te maken op het aan een ieder toekomende recht om zich vrijelijk te verplaatsen en met een ander contact te zoeken.
De voorzieningenrechter ziet in de handelwijze van [gedaagde] aanleiding om aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden zoals hierna vermeld in 5.7. Daarbij wordt opgemerkt dat de verboden in 5.2. tot en met 5.5. onmiddellijke werking hebben, maar dat dwangsommen niet kunnen worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij zijn vastgesteld (artikel 611a lid 3 Rv). De vordering van [eiser] tot uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de oplegging van de hiervoor bedoelde dwangsom onvoldoende prikkel tot nakoming van de op te leggen geboden en verboden zal bieden.
proceskosten
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot vergoeding van zijn werkelijke proceskosten. [eiser] begroot de kosten over de periode vanaf 20 december 2025 tot en met 5 februari 2026 op € 10.249,67 inclusief btw.
Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen mogelijk in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, het doen van het verzoek of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering, verzoek of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
[eiser] stelt dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van procesrecht door met een (later ingetrokken) wrakingsverzoek een uitstel van de mondelinge behandeling van 49 dagen te bewerkstelligen. Volgens [eiser] is hij door de handelwijze van [gedaagde] in zijn belangen geschaad en heeft hij daardoor extra kosten moeten maken.
[gedaagde] heeft toegelicht dat zij op het moment van het doen van het wrakingsverzoek niet wist dat dit kansloos was. Naar eigen zeggen hoorde zij dat pas later van haar advocaat.
Hoewel [gedaagde] met het indienen van het wrakingsverzoek alsnog uitstel heeft gekregen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake geweest van een vooropgezet plan. Aangezien [gedaagde] pas na het doen van het wrakingsverzoek een advocaat in de arm heeft genomen, is aannemelijk dat zij niet wist dat de stellingen waarop zij haar verzoek baseerde weinig kan van slagen hadden. Omdat zij niet juridisch onderlegd is, behoorde zij dat ook niet te weten. De conclusie dat [gedaagde] misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt is in dit geval dan ook niet gerechtvaardigd.
[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij overeenkomstig het liquidatietarief veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . Vanwege de omvang van het dossier wordt voor de hoogte van het salaris voor de advocaat uitgegaan van het tarief dat geldt voor een complex kort geding. De proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding: € 145,45
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.766,00
- nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 2.431,45
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering onder 7, voor zover deze vordering betrekking heeft op zijn minderjarige kinderen,
verbiedt [gedaagde] om uitlatingen te doen waarin zij dreigt met geweld tegen [eiser] en/of zijn kinderen,
verbiedt [gedaagde] om [eiser] in het openbaar – in welke vorm dan ook – te beschuldigen van strafbare feiten, tenzij sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie waaruit blijkt dat [eiser] voor een strafbaar feit wordt vervolgd,
verbiedt [gedaagde] om berichten (waaronder begrepen posts, foto's, video's, reacties, comments en stories) op het internet te plaatsen waarin uitlatingen worden gedaan over het gezinsleven van [eiser] , zijn kinderen en de echtscheidingsprocedure,
gebiedt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de publicaties, zoals weergegeven in de producties D06, p. 4 en 6, D07, p. 2, 3, 5, 9, 11, 14, 16-18, 20, 21 en 25, D08, D09, p. 1, 4,6 en 7, D12, D16, p. 1-11, D20, p. 15, 18-27 en D21, p. 1-3 en 6, volledig van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
gebiedt [gedaagde] om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis op haar accounts op Instagram (https://www.instagram.com/fleurspolitiekestem/),
X (https://x.com/Fleurspolitiek en https://x.com/stopchrisklomp), en LinkedIn (https://www.linkedin.com/in/fleur-van-der-pols-92396b122/), zonder commentaar, duidelijk leesbaar, in een normaal lettertype en met zwarte letters op een witte achtergrond voor de duur van 72 uur en, indien mogelijk, gepinned de volgende rectificatie te plaatsen:
“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]
In 2025 en 2026 heb ik de heer [eiser] herhaaldelijk beschuldigd van mishandeling, partnergeweld en stalking. Deze beschuldigingen hebben onvoldoende feitelijke basis. Ik had deze beschuldigingen daarom niet mogen doen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft mij onder oplegging van een dwangsom verplicht om deze rectificatie te publiceren.
[gedaagde] .”
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij niet aan een of meer veroordelingen in 5.2. tot en met 5.6. voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.431,45, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
verklaart de onderdelen 5.2. tot en met 5.9. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. [2971/2009]