ECLI:NL:RBROT:2026:2076

ECLI:NL:RBROT:2026:2076

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer ROT 25/6051
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

In geschil is het arbeidsongeschiktheidspercentage van de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en komt tot de conclusie dat het onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de medische beperkingen voldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Het UWV heeft op juiste wijze de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Gorinchem, eiser,

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/6051

(gemachtigde: mr. A.F. van de Ven),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

In geschil is het arbeidsongeschiktheidspercentage van de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en komt tot de conclusie dat het onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de medische beperkingen voldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Het UWV heeft op juiste wijze de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld.

Procesverloop

Met het besluit van 13 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV eisers WIA-uitkering per 31 oktober 2024 beëindigd.

Met het besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en eiser per 31 oktober 2024 arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 64,57%.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en medische stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn gronden.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend met daarbij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 oktober 2025.

Eiser heeft op 13 januari 2026 aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen, eiser en zijn echtgenote, eisers gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

1. Eiser is door gezondheidsklachten op 2 oktober 2020 uitgevallen voor zijn werk als docent techniek. Het UWV heeft vastgesteld dat eiser, in aansluiting op de toepasselijke wachttijd, 41,73% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, zodat aan hem met ingang van 31 oktober 2022 een WIA-uitkering is toegekend. Eiser is na toekenning van zijn WIA-uitkering voor 12 uur per week werkzaam gebleven bij zijn werkgever. Deze inkomsten zijn verrekend met de loongerelateerde WIA-uitkering.

Met het primaire besluit heeft het UWV eisers WIA-uitkering beëindigd, omdat eiser met het werk wat hij doet al een jaar lang meer dan 65% van het loon verdient dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft het UWV vastgesteld dat aan de primaire besluitvorming geen actuele beoordeling ten grondslag ligt, zodat aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is verzocht om een rapport op te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser op het medisch spreekuur van 6 maart 2025 gezien en eisers beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2025, geldig per 31 oktober 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens met inachtneming van de vastgestelde belastbaarheid een praktische beoordeling verricht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eisers mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 64,57 %.

Het UWV heeft aan het bestreden besluit de hierboven genoemde rapporten ten grondslag gelegd en eisers recht op een WIA-uitkering per 31 oktober 2024 vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,57%.

Standpunt eiser

2. Eiser voert aan dat sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen onderzoek deed naar zijn oog- en gehoorklachten. De beperkingen als gevolg van deze klachten zijn daardoor niet voldoende meegenomen in de FML, wat volgens eiser ook blijkt uit het door hem overgelegde medisch advies van verzekeringsarts en medisch adviseur [naam] van 6 augustus 2025. Naast de beperkingen op het horen en zien, is sprake van een beperking op geluidsbelasting vanwege tinnitus. Ook is eiser meer beperkt op statische houdingen, omdat hij maar kort kan zitten en afwisselend de helft van zijn werkdag moet staan en lopen. In zijn aanvullend beroepschrift heeft eiser nadere medische stukken ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. Daarnaast kloppen de werktijden in de FML niet. Eiser vindt de functies die de arbeidsdeskundige heeft geselecteerd dan ook niet passend.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht met ingang van 31 oktober 2024 heeft vastgesteld op 64,57 %. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de beschikbare medische stukken. Er is in het dossier informatie van de oogarts en KNO-arts aanwezig over de ernst van de objectieve bevindingen. Daarnaast is uitgebreide informatie aanwezig over het functioneren van eiser sinds hij gehoorverlies, de tinnitus en de verminderde visus heeft.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de beroepsfase nog op het medisch advies van 6 augustus 2025 gereageerd en dit meegenomen in zijn beoordeling.

Wat eiser in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. In dit verband overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van

10 oktober 2025 afdoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om (meer) beperkingen op te nemen voor horen, zien, geluid of statische houdingen in de FML. Uit de brief van de oogarts van 17 mei 2018 blijkt dat de visus links 0.8 is, waarvoor een beperking voor zien in de FML niet noodzakelijk is. De visus rechts is normaal en met een intacte visus rechts is de visus van beide ogen gezamenlijk 100%. Uit de anamnese van de primaire verzekeringsarts blijkt dat eiser met zijn visusklachten in staat is om onder andere auto te rijden, te fietsen en een serie te kijken. Bovendien is niet gebleken dat de visus sindsdien medisch objectief is verslechterd en eiser heeft hiermee nog ruim anderhalf jaar zijn werk verricht voordat hij ziek werd vanwege andere klachten. Ook is niet gebleken dat het gehoorverlies of de tinnitus sinds 2018 (medisch objectief) verslechterd is en eiser heeft hiermee eveneens zijn werk kunnen verrichten. Uit het rapport van de arbeidskundige blijkt dat eiser werkte in een hectische omgeving waarbij sprake was van geluidsbelasting. De hinder ten gevolge van het verminderde gehoor of de tinnitus is dus niet dusdanig slecht dat hiervoor beperkingen in de FML noodzakelijk zijn, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat alle medisch objectiveerbare beperkingen in de FML zijn opgenomen en dat deze beperkingen voortvloeien uit de bij eiser aanwezige medische stoornissen. Daarbij merkt de rechtbank op dat volgens vaste rechtspraak de subjectieve beleving van een betrokkene van zijn klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij hem vast te stellen zijn. Van belang zijn alleen de objectief vast te stellen beperkingen voor arbeid. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de opstelling van de FML met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Een onderbouwing voor het aannemen van beperkingen op statische houdingen ontbreekt, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De stelling van eiser dat de FML een onjuiste weergave van zijn werkuren geeft, wordt niet gevolgd, omdat de FML een weergave is van beperkingen op eisers belastbaarheid en niet van zijn werkuren. Tijdens de zitting is door eiser toegelicht dat de in beroep ingediende medische stukken zijn standpunt dat hij meer beperkt moet worden op de FML onderbouwen en dat hier dus een andere conclusie aan moet worden verbonden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andere conclusie op grond van de overgelegde stukken.

Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de mogelijkheden van eiser overschrijdt. De stelling van eiser dat de functies niet passend zijn kan niet slagen, omdat een praktische arbeidskundige schatting heeft plaatsgevonden. Er zijn derhalve geen functies geselecteerd.

Vergelijking van het inkomen dat eiser zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk met de volledige uren zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 64,57%.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand