RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 9 februari 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
Daarnaast heeft verzoeker op 9 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid, Fw ingediend. Hierop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
Gelet op de inhoud van het verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft reeds eerder op 10 februari 2025 een moratorium toegewezen gekregen voor een periode van zes maanden. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een uitzonderingssituatie, waardoor een nieuw moratorium kan worden toegewezen. Ten tijde van het eerste moratorium was verzoeker volop bezig met zijn onderneming. Verzoeker dacht – door het beter worden van zijn gezondheid – dat hij zonder schuldhulpverlening zijn volledige schuldenlast kon oplossen. Zijn gezondheid liet hem echter opnieuw in de steek. Ook stelt verzoeker zich op het standpunt dat schuldhulpverlening hem in de steek heeft gelaten. Gedurende één jaar na het eerdere moratorium heeft schuldhulpverlening niets voor verzoeker gedaan. Het schuldhulpverleningstraject zal nu door een andere schuldhulpverlener worden uitgevoerd.
Verzoeker heeft de huurtermijnen van januari en februari 2026, weliswaar te laat, op 5 februari 2026 voldaan. Daarnaast zal met spoed een verzoek tot onder bewindstelling worden ingediend bij de kantonrechter, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3. Het verweer
Gelet op het spoedeisende karakter heeft de rechtbank besloten om geen mondelinge behandeling te bepalen en zonder een schriftelijke of mondelinge mogelijkheid tot verweer uitspraak te doen. Nu het verzoek zal worden afgewezen is verweerster niet in haar belangen geschaad.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 27 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze van zes maanden te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. De termijn van zes maanden kan te kort zijn als bijvoorbeeld het minnelijk traject lang(er) duurt of als niet binnen deze termijn onherroepelijk op het schuldsaneringsverzoek is beslist. In dat geval zou een verzoek ex art. 287, vierde lid, Fw kunnen worden ingediend.
Vast staat dat verzoeker op 10 februari 2025 een moratorium heeft toegewezen gekregen, te weten vanaf 17 januari 2025 tot en met 17 juli 2025. De maximale termijn van zes maanden is dus al verstreken. Dit is ook al overwogen in het vonnis van deze rechtbank van 12 november 2025. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. De redenen die verzoeker aanvoert om in dit geval anders te oordelen en een uitzonderingssituatie aan te nemen om hem een nieuwe periode van zes maanden te gunnen om (opnieuw) een minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen, volgt de rechtbank niet. De redenen die verzoeker daarvoor aanvoert, te weten zijn gewijzigde gezondheidssituatie en zijn afhankelijkheid van de eerder betrokken schuldhulpverlenende instantie zijn daarvoor onvoldoende.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.