RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11509107 CV EXPL 25-1689
datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 januari 2025, met bijlagen;
het antwoord;
Op 19 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [persoon A] namens de gemachtigde van Woonstad aanwezig. [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De beoordeling
Kern van de zaak
[gedaagde] huurt vanaf 16 december 2020 een woning van Woonbron aan de [adres] in Rotterdam. De huur is nu € 669,25 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Woonbron eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 12.928,36 betalen
Woonbron heeft voor de zitting een huurspecificatie in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat de huurachterstand tot en met december 2025 € 12.928,36 bedraagt. Nu [gedaagde] niet ter zitting is verschenen, wordt dit bedrag als onweersproken gesteld toegewezen. Dit bedrag moet [gedaagde] aan Woonbron betalen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. In een procedure tot ontbinding en ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er minderjarige kinderen in de te ontruimen woning wonen. Tijdens de zitting heeft Woonbron verklaard dat – voor zover zij weet - er op dit moment geen minderjarige kinderen in de woning wonen. De kantonrechter heeft er verder rekening mee gehouden dat op het moment van dagvaarden sprake was van een huurachterstand van negen maanden. Lopende de procedure heeft [gedaagde] geen betalingen meer gedaan, waardoor de huurachterstand is opgelopen tot meer dan 18 maanden. Dat is een zeer grote huurachterstand. Daarnaast heeft Woonbron onweersproken gesteld dat [gedaagde] is aangemeld voor schuldhulpverlening, maar heeft geweigerd om mee te werken met de aangeboden schuldhulpverlening. Gelet op alle genoemde omstandigheden wordt de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst toegewezen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 669,25 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Woonbron eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
Oneerlijke bepalingen
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van Woonbron oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. De kantonrechter moet oneerlijke bepalingen vernietigen. Woonbron mag die bepaling dan niet gebruiken en ook geen beroep meer doen op aanvullend recht. Hierna zal worden besproken welke bepaling oneerlijk is en wat het gevolg is van vernietiging van die oneerlijke bepaling(en) voor de eis van Woonbron.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In artikel 17.1 van de algemene voorwaarden van Woonbron staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als zij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Woonbron wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag zij daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonbron moet betalen op € 145,89 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.501,89. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Uit de beoordeling hiervoor volgt dat sprake is van een situatie die Woonbron niet langer hoeft te laten voortduren. De huurachterstand is namelijk zo ernstig dat Woonbron er belang bij heeft dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt op het moment dat zij dat op basis van dit vonnis moet doen. Daarom wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen (artikel 233 Rv).
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen € 12.928,36 aan huurachterstand tot en met de maand december 2025;
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te ( [postcode] ) Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om vanaf januari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonbron te betalen € 669,25 per maand met de verhoging die is toegestaan;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 1.501,89;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
48436