Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: C/10/711457 / FT RK 25/2211
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. PONTMEYER HANDELSBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Zaandam,
2. HILLEGERSBERGSCHE GEVELPRODUCTEN B.V.,
gevestigd te Capelle aan den IJssel, en;
3. DE JONG HANDELSONDERNEMING B.V.,
gevestigd te Kesteren,
verzoekster,
advocaat: mr. A.E.M. Bierens
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] ,
gevestigd te Nieuwe-Tonge,
verweerster,
advocaat mr. R. Wijn.
1. De procedure
Verzoeksters hebben op 9 december 2025 een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend.
Verzoeksters, bij monde van hun advocaten mr. K. Zwaaneveldt en mr. D.L.A. van Voskuilen en verweerster, bij monde van haar advocaat, mr. R. Wijn en haar bestuurder [naam], zijn gehoord in raadkamer op 30 december 2025, 13 januari 2026, 27 januari 2026 en 10 februari 2026.
Op 30 december 2025 zijn er zijdens verweerster aanvullende producties aan de rechtbank overgelegd. Op 10 februari 2026 zijn er zijdens verweerster en zijdens verzoekers aanvullende producties aan de rechtbank overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. De standpunten
Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift (samengevat) gesteld dat zij uit hoofde van koopovereenkomsten opeisbare vordering op verweerster kregen, die verweerster deels heeft voldaan, en dat zij geen betaling kunnen verkrijgen van hun resterende vorderingen van tezamen € 49.002,37, die mede bestaan uit in totaal € 18.534,86 aan incassokosten die op grond van de geldende algemene voorwaarden van verzoeksters verschuldigd zijn.
Voorts hebben verzoeksters gesteld dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Verzoeksters hebben – na verweer van verweerster – de in het faillissementsverzoek opgevoerde kosten van (eerdere) faillissementsaanvragen naar beneden bijgesteld.
Niet in geschil is dat verweerster na de datum van het faillissementsverzoek nadere deelbetalingen deed. Volgens verzoeksters resteerde in verband daarmee tot 9 februari 2026 een verschuldigd bedrag van in totaal € 34.850,16. Evenmin is in geschil is dat verweerster op 9 februari 2026 nog een betaling deed, namelijk van € 9.840,83.
Volgens verzoeksters resteert daarna in totaal € 25.009,33 te voldoen door verweerster.
Verzoeksters hebben desgevraagd niet aangegeven welk bedrag er thans nog per verzoekster te vorderen is. Volgens verzoeksters moet een evenredig deel van de betaling van de drie vorderingen worden afgetrokken en is geen van de drie verzoeksters volledig voldaan.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de (restant) vorderingen van verzoeksters. Hiertoe heeft verweerster (samengevat) onder meer aangevoerd dat zij wegens een uit een pakbon van 17 december 2025 blijkende retourzending van zaken aan verzoekster sub 1. aanspraak heeft op een creditering van € 8.485,13 en dat zij nimmer algemene voorwaarden van verzoeksters heeft aanvaard, zodat zij niet gehouden is tot betaling van de buitensporige incassokosten. Verweersters is blijkens een klantformulier van 2 oktober 2023 een relatie aangegaan met Centrop Houtimport en zij heeft nimmer leveringscondities van verzoeksters geaccepteerd. De redelijke incassokosten van € 2.010,66 heeft verweerster met haar recente betaling van € 9.840,83 voldaan. Verzoeksters hebben niets meer te vorderen, aldus verweerster.
3. De beoordeling
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek had na een kort, eenvoudig onderzoek van de (resterende) vorderingsrechten van verzoeksters moeten blijken. Verweerster heeft de vorderingen van verzoeksters gemotiveerd betwist. Zij heeft aan de hand van overgelegde stukken betoogd dat zij vanwege retour gezonden zaken aanspraak heeft op een creditering ter hoogte van € 8.485,13 en dat zij geen algemene voorwaarden van verzoeksters heeft aanvaard, zodat zij niet gebonden is tot betaling van volgens verzoeksters op hun algemene voorwaarden gebaseerde incassokosten van tezamen € 18.534,86.
Verzoeksters zijn er onvoldoende in geslaagd aan te tonen dat deze betwisting aanstonds verworpen dient te worden. Op basis van summierlijk onderzoek kan thans niet worden geconcludeerd dat de betwisting van verweerster in een bodemprocedure zonder redelijke kans van slagen is. Voor nader onderzoek naar de gang van zaken is in een faillissementsprocedure geen ruimte.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet summierlijk gebleken van de vorderingsrechten van verzoeksters, waardoor de rechtbank niet meer toekomt aan de verdere beoordeling van het verzoek.
Het verzoek tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 17 februari 2026 gegeven door mr. E.A. Vroom, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Biezen, griffier.