RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
zaaknummers: C/10/712653 / JE RK 25-2718 en C/10/713136 / JE RK 26/54
datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting en verzoek tot vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
en
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. P.J. de Bruin uit Westerbork,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan in de zaak van de GI: de moeder.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan in de zaak van de moeder: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025 (ingeschreven onder zaaknummer C/10/712653);
het verzoekschrift van de moeder (ingeschreven onder zaaknummer C/10/713136);
de e-mailberichten van de moeder van 18 december 2025, 2 januari 2026, 6 januari 2026, 8 januari 2026, 13 januari 2026, 15 januari 2026, 18 januari 2026, 19 januari 2026, 21 januari 2026 en 26 januari 2026, 27 januari 2026 en 28 januari 2026;
de brief met bijlagen van mr. P.J. de Bruin van 2 februari 2026;
het pedagogisch onderzoeksrapport van [naam 1] van 3 mei 2025, ontvangen van mr. P.J. de Bruin op 2 februari 2026;
de schriftelijke aanwijzing van de GI van 7 januari 2026, ter zitting overgelegd door mr. P.J. de Bruin.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door advocaat mr. P.J. de Bruin;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3].
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 juni 2026.
De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 juni 2026.
De GI heeft op 7 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder. De schriftelijke aanwijzing heeft betrekking op de voorwaarden van de GI om een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder thuis te overwegen. In de schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
1. Op dit moment is [minderjarige] uithuisgeplaatst. U stimuleert de schoolgang van [minderjarige]. Dat betekent dat u zorgt dat hij wordt ingeschreven op een passende basisschool, geen negatieve uitspraken doet over school en hem stimuleert om naar school te gaan. In het geval van een thuisplaatsing van [minderjarige] bij u, zorgt u ervoor dat [minderjarige] ingeschreven staat op een school en dat [minderjarige] hier dagelijks naartoe gaat. U stimuleert [minderjarige] om naar school te gaan en doet hierbij geen negatieve uitspraken over school;
2. U geeft [minderjarige] gezonde voeding, volgens de richtlijnen van het Voedingscentrum, en houdt zich aan de voedingsadviezen welke worden opgesteld in samenspraak met de GI, de pleegmoeder en de diëtiste. Indien de pleegmoeder of de GI merken dat [minderjarige] inderdaad reageert op bepaalde voedingsstoffen, zal in overleg met de diëtiste of mogelijk een arts worden bekeken hoe hiermee om te gaan;
3. U belast [minderjarige] niet met volwassenuitspraken over de ondertoezichtstelling, de machtiging tot uithuisplaatsing, voeding, school of andere zaken welke belastend kunnen zijn voor [minderjarige]. U kunt deze zaken bespreken met de jeugdbeschermer, op een moment dat [minderjarige] niet aanwezig is;
4. Op dit moment verblijft [minderjarige] bij zijn pleegmoeder en verzorgt zij de dagelijkse verzorging van [minderjarige]. In het geval van een thuisplaatsing van [minderjarige] bij u, zorgt u ervoor dat zowel [minderjarige] als uw huis schoon, verzorgd en hygiënisch zijn. Dat betekent dat [minderjarige] zijn tanden 2 maal per dag poetst met goed werkende tandpasta, hij 2 maal per jaar een tandarts bezoekt of vaker indien hij klachten vertoont. Daarbij wordt [minderjarige] regelmatig gewassen en zorgt u ervoor dat het huis opgeruimd en schoon is. Indien dit betekent dat de katten geholpen moeten worden, draagt u hier zorg voor;
5. U stimuleert [minderjarige] om buiten te spelen, liefst dagelijks, en om vriendschappen aan te gaan. Dit doet u in geval van een thuisplaatsing van [minderjarige] bij u, maar ook op het moment dat [minderjarige] uithuisgeplaatst is, door hem aan te sporen om naar buiten te gaan en vriendschappen op te bouwen;
6. U bent emotioneel beschikbaar voor [minderjarige], wat inhoudt dat u er voor hem bent wanneer hij dat nodig heeft. U belast [minderjarige] niet met uitspraken over vermoeidheid of ziekte of over andere volwassenaken. U stelt hem gerust wanneer hij hier vragen over heeft en u werkt samen met de hulpverlening hoe u wel met [minderjarige] kan praten over wat er bij u speelt, zonder dat dit belastend is voor [minderjarige] en hij zich zorgen maakt over u;
7. U staat huisbezoeken toe van de jeugdbeschermer en staat toe dat er gesprekken worden gevoerd met [minderjarige];
8. U werkt mee met de ingezette hulpverlening in de thuissituatie en tijdens de omgangsmomenten. De GI denkt hierbij aan een vorm van opvoedondersteuning, zoals 10 voor Toekomst of Specialistische Ambulante Hulpverlening. Voor voorwaarden omtrent de omgangsregeling, verwijzen we u naar de schriftelijke aanwijzing omtrent de contactregeling tussen u en [minderjarige].
3. De verzoeken
zaak C/10/712653
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding bij een onderwijsinstelling, wordt toegekend aan de GI en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI aangetekend zal worden in het gezagsregister.
zaak C/10/713136
De moeder verzoekt:
primair: de schriftelijke aanwijzing van de GI van 7 januari 2026 geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren;
subsidiair: vast te stellen dat de schriftelijke aanwijzing van de GI voortbouwt op een ondeugdelijke grondslag en deze te schorsen;
meer subsidiair: te bepalen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing hun wettelijke grondslag missen en deze op te heffen;
uiterst subsidiair: een onmiddellijke herbeoordeling te gelasten van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing door een onafhankelijke deskundige en/of rechter; en
te bepalen dat verdere verzoeken van de GI niet worden behandeld zonder gelijktijdige behandeling van onderhavig verzoek.
zelfstandige verzoeken
Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft de moeder verzocht om onmiddellijke opheffing van de uithuisplaatsing en om een spoedherziening van de uithuisplaatsing. De moeder heeft verzocht om dit verzoek met voorrang te behandelen en pas na de beslissing op dit verzoek een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de GI tot gedeeltelijke gezagsoverdracht en het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing te verrichten.
Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft de moeder ook verzocht om te bepalen dat de GI een andere jeugdbeschermer aanwijst en te bepalen dat de huidige jeugdbeschermer, [naam 2], geen verdere rol meer heeft in het dossier of de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
4. De standpunten
Het standpunt van de GI
De GI heeft het verzoek tot gedeeltelijke gezagsoverdracht, voor zover het betreft de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling, gehandhaafd. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school. Er is bij hem sprake van een leerachterstand. Er is geen vrijstelling van de leerplicht gegeven. De beslissing van de kantonrechter, waaruit zou blijken dat [minderjarige] niet naar school hoeft zo lang het hoger beroep in de leerplichtzaak loopt, is tot op heden niet aan de GI overgelegd. Het ontbreekt aan schriftelijke stukken van een medicus waaruit zou volgen dat [minderjarige] te ziek is om naar school te gaan. Een van de redenen voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft het langdurige schoolverzuim. De moeder weigert tot op heden haar toestemming te verlenen om [minderjarige] op een school in te schrijven. De GI vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij naar school gaat. [minderjarige] heeft ook zelf aangegeven dat hij graag naar school wil. Er zal gezocht worden naar een school in de buurt van het pleeggezin waar hij momenteel verblijft. Het is belangrijk dat er een niveaubepaling plaatsvindt. Ook zullen er eerst wenmomenten zijn om de overgang naar school zo goed mogelijk te laten verlopen. Dit moet goed afgestemd worden op wat [minderjarige] aan kan. Het door de moeder overgelegde pedagogisch onderzoeksrapport van [naam 1] is niet opgesteld door een onafhankelijk specialist die hier iets over kan zeggen. De GI houdt zich aan het vonnis dat er ligt van de rechtbank. Dat vonnis is volgens de GI leidend.
Er is door de GI een schriftelijke aanwijzing verstuurd naar de moeder die ziet op de voorwaarden voor een thuisplaatsing van [minderjarige]. Daarnaast is er een schriftelijke aanwijzing verstuurd die ziet op het contact en de bezoekmomenten tussen [minderjarige] en de moeder. Nu er geen regeling is vastgesteld door een kinderrechter, is de GI bevoegd om een contactregeling vast te stellen in een schriftelijke aanwijzing. Er is momenteel een keer per week een begeleid bezoekmoment en daarnaast een videobelmoment per week. Een zorg is dat de moeder belastende uitspraken doet tijdens de bezoekmomenten met [minderjarige], bijvoorbeeld dat hij niet naar school moet gaan. Dit heeft een negatieve invloed op [minderjarige] en hij raakt hierdoor in een loyaliteitsconflict. In de schriftelijke aanwijzing is verder opgenomen dat de moeder geen belastende uitspraken moet doen, dat zij emotioneel beschikbaar moet zijn voor [minderjarige] en dat zij aanwezig moet zijn bij evaluatiemomenten. Naar het oordeel van de GI is er wel een wettelijke grondslag voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn nog steeds aanwezig. Die zorgen staan beschreven in de schriftelijke aanwijzing die ziet op de voorwaarden voor een thuisplaatsing. De hierin genoemde zorgen zijn niet gebaseerd op vermoedens, maar op feitelijke constateringen. Indien de moeder het niet eens is met de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, dient zij hoger beroep in te stellen tegen die beslissingen. De GI stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de moeder tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing dient te worden afgewezen.
Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft het recht om thuisonderwijs te volgen. De moeder doet een beroep op vrijstelling op basis van levensovertuiging. Dit wordt haar onmogelijk gemaakt, doordat de voormalige school van [minderjarige] weigert om hem uit te schrijven. Er is op dit moment geen definitieve uitspraak met betrekking tot de vrijstelling van de leerplicht, omdat er een hoger beroep loopt. In de beslissingen die tot nu toe zijn genomen, is uitgegaan van het oordeel dat thuisonderwijs geen geschikte vorm van onderwijs is voor minderjarigen. Ook bij de rechtbank ontbreekt het aan kennis en ervaring met thuisonderwijs. Thuisonderwijs vormt geen gevaar voor de ontwikkeling van een minderjarige. De zorg over het ontbreken van contact met leeftijdsgenoten valt te ondervangen met buitenschoolse activiteiten. [minderjarige] staat momenteel nog ingeschreven op zijn oude school. Het ontbreekt aan informatie over de nieuwe school waarvoor [minderjarige] door de GI zal worden ingeschreven. Een reguliere school is niet geschikt voor [minderjarige]. Het belang van [minderjarige] dient voorop te staan volgens artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De moeder heeft de indruk dat het belang van [minderjarige] niet leidend is in het handelen van de GI. Door de moeder wordt verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen, omdat de onderwijskeuze een gezagsbeslissing betreft die niet valt onder artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en er niet voldoende basis is voor vervangende toestemming. De moeder verzoekt hierbij in overweging te nemen dat het hoger beroep met betrekking tot de vrijstelling van leerplicht betekent dat de onderbouwing van het verzoek prematuur en onzorgvuldig is.
Ten aanzien van het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing is aangevoerd dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] sterk wordt beperkt door de schriftelijke aanwijzing van de GI. Niet alleen is de frequentie van de bezoekmomenten beperkt, maar er zijn ook allerlei beperkingen aan de moeder opgelegd, zonder dat hier een duidelijke motivering aan ten grondslag ligt. De punten die de GI aanvoert zijn gebaseerd op aannames in plaats van feiten.
Namens de moeder is aangevoerd dat de moeder de rechtbank kan verzoeken om een eerder genomen beslissing buiten behandeling of buiten beeld te stellen. De moeder heeft diverse argumenten naar voren gebracht die reden zijn om aan te nemen dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer de aangewezen maatregel is.
5. De beoordeling
de zelfstandig verzoeken van de moeder
De wet biedt geen mogelijkheid de kinderrechter te verzoeken tot herziening of onmiddellijke opheffing van een eerder door de kinderrechter uitgesproken uithuisplaatsing. Tegen de beslissing tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing staat, binnen de daarvoor geldende termijn, hoger beroep open. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Het verzoek van de moeder om een andere jeugdbeschermer aan te wijzen, dient eveneens te worden afgewezen. Ook hiervoor biedt de wet de kinderrechter geen mogelijkheden dan wel bevoegdheden. Dit ziet op de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is dan ook aan de GI om te bepalen wie als jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin. Niet is gesteld of gebleken dat dit verzoek is gebaseerd op een verzoek tot geschilbeslechting als bedoeld in artikel 1:262b BW. Bovendien is een dergelijk verzoek als zodanig op geen enkele wijze onderbouwd.
zaak C/10/712653
Overeenkomstig artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, BW kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit onder andere beslissen met betrekking tot de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling. Ingevolge artikel 1:265e, vijfde lid, BW kan het verzoek tot toekenning van gedeeltelijke gezagsuitoefening worden ingediend door de GI die het toezicht uitoefent. De wetgever heeft deze mogelijkheid geschapen om bepaalde essentiële belemmeringen voor de ontwikkeling van minderjarigen weg te nemen. Met de toekenning van gedeeltelijke gezagsuitoefening moet, mede in het licht van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), terughoudend worden omgegaan. Toepassing van dit artikel betekent een diepe ingreep in het ouderlijk gezagsrecht. Dit houdt in dat als er een minder ingrijpende maatregel kan worden getroffen, die maatregel moet worden genomen.
Vast staat dat [minderjarige] al een aantal jaren niet naar school gaat en dat de moeder hem thuisonderwijs geeft, terwijl er geen vrijstelling van de leerplicht is gegeven. Door of namens de moeder is geen verklaring overgelegd, afgegeven op grond van de Leerplichtwet, waaruit blijkt dat er inmiddels wel een vrijstelling is verleend. [minderjarige] is op grond van de wet leerplichtig. Het volgen van passend onderwijs is van essentieel belang voor de ontwikkeling van een kind. Het ontbreken van passend onderwijs vormt een ernstige belemmering voor de ontwikkeling van [minderjarige]. Het standpunt van de moeder dat zij hem thuisonderwijs wil geven, kan door de kinderrechter niet worden gevolgd, omdat er een vonnis ligt van de kantonrechter in deze rechtbank, waarbij de moeder is veroordeeld wegens het niet voldoen aan de Leerplichtwet door [minderjarige] thuis te houden en niet naar school te laten gaan. Deze beslissing is leidend. Het gegeven dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld, maakt dat niet anders. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking voor de verplichting van de moeder om [minderjarige] naar school te laten gaan. De conclusie in het door de moeder overgelegde rapport van [naam 1] van mei 2025 dat [minderjarige] het beste af is met thuisonderwijs maakt dit ook niet anders. Ten eerste niet omdat het wel of niet mogen geven van thuisonderwijs in deze zaak, gelet op het hiervoor bedoelde vonnis van de kantonrechter, niet ter discussie staat of kan staan. Ten tweede is de kinderrechter van oordeel dat de conclusie van [naam 1] niet of onvoldoende is onderbouwd door daaraan ten grondslag gelegde objectieve bevindingen. Van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van de Leerplichtwet is geen sprake, het geven van thuisonderwijs is niet aan de orde. [minderjarige] dient naar school te gaan en daar onderwijs te volgen.
De kinderrechter is van oordeel dat in deze zaak is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel. Dit houdt in dat een minder ingrijpende maatregel niet mogelijk is. De moeder weigert namelijk elke medewerking en houdt vast aan haar wens om thuisonderwijs te geven, terwijl dat wettelijk gezien niet is toegestaan. Alternatieve mogelijkheden dan een tijdelijke gedeeltelijke uitoefening van gezag door de GI bieden in onderhavig geval geen soelaas.
De GI heeft namelijk reeds tevergeefs de weg van de schriftelijke aanwijzing bewandeld. De schriftelijke aanwijzing van 16 april 2025 aan de moeder heeft geen verandering gebracht in de situatie. Bij beschikking van 11 augustus 2025 is de schriftelijke aanwijzing van de GI door de kinderrechter bekrachtigd, voor zover het gaat om de aanwijzing dat de moeder ervoor dient te zorgen dat [minderjarige] vijf dagen per week van start schooldag tot einde schooldag fysiek onderwijs volgt op de school waar hij staat ingeschreven ([naam school]). Daarbij is door de kinderrechter tevens een dwangsom opgelegd per schooldag dat [minderjarige] ongeoorloofd afwezig is op school. Vervolgens weigert de moeder nu, na de uithuisplaatsing van [minderjarige], toestemming te verlenen voor het inschrijven van [minderjarige] op een school in de buurt van het pleeggezin waar hij verblijft. Op 7 januari 2026 heeft de GI opnieuw een schriftelijke aanwijzing verstuurd naar de moeder. Er wordt (onder meer) van de moeder verwacht dat zij de schoolgang van [minderjarige] stimuleert, geen negatieve uitspraken doet over school en zorgt dat hij wordt ingeschreven op een passende basisschool. Dit alles heeft er niet toe geleid dat [minderjarige] naar school gaat.
De kinderrechter is met de GI van oordeel dat het in het belang is van de ontwikkeling van [minderjarige] dat hij zo spoedig mogelijk naar school gaat. Daarvoor is het noodzakelijk dat [minderjarige] wordt ingeschreven op een school in de buurt van het huidige pleeggezin. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het niet anders en is het noodzakelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI (gedeeltelijk) wordt belast met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing. De toekenning van gedeeltelijke gezagsuitoefening is in het belang van [minderjarige] een adequate en noodzakelijke maatregel om een aanmelding van [minderjarige] bij een passende onderwijsinstelling te kunnen realiseren en een verdere leer- en ontwikkelingsachterstand te voorkomen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Daarvoor is geen beslissing van de kinderrechter nodig.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
zaak C/10/713136
Op grond van artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Eerst tijdens de mondelinge behandeling is namens de moeder een schriftelijke aanwijzing van de GI overgelegd. Deze schriftelijke aanwijzing ziet op de voorwaarden voor een thuisplaatsing van [minderjarige], zoals hiervoor opgenomen in 2.5. Ter beoordeling ligt voor of er redenen zijn om deze schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
Naar het oordeel van de kinderrechter voldoet de aanwijzing van de GI aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zowel naar de wijze van totstandkoming als naar de inhoud. Zo heeft de GI een vooraankondiging verstuurd op 31 december 2025 en de moeder is in de gelegenheid gesteld om daarop haar reactie te geven. De aanwijzing is voldoende concreet en duidelijk in wat van de moeder wordt verwacht. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing door de GI zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd.
Door de moeder is aangevoerd dat zij door de schriftelijke aanwijzing wordt beperkt in de omgang met [minderjarige]. De kinderrechter stelt vast dat de door de moeder overgelegde schriftelijke aanwijzing ziet op voorwaarden waaraan de moeder zou moeten voldoen om te zorgen dat [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen. Deze schriftelijke aanwijzing ziet niet op contact- of omgangsbeperking. Door de moeder zijn geen argumenten genoemd op grond waarvan de kinderrechter de door of namens haar overgelegde schriftelijke aanwijzing vervallen zou moeten verklaren. Nu de aanwijzing, zoals hiervoor is overwogen, deugdelijk tot stand is gekomen en is gemotiveerd ziet de kinderrechter geen aanleiding het verzoek van de moeder toe te wijzen.
Indien de moeder heeft bedoeld te verzoeken tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing die betrekking heeft op een door de GI vastgestelde omgangsregeling met [minderjarige], stelt de kinderrechter vast dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van een dergelijke schriftelijke aanwijzing. Een dergelijke schriftelijke aanwijzing is niet door de moeder overgelegd en de kinderrechter kan zich daarover dan ook niet uitlaten.
6. De beslissing
De kinderrechter:
belast de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 22 juni 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. R. Spaans als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.