Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen,
de Staat der Nederlanden (de Staat).
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/6038
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ),
en
1. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) compensatie gekregen over de toeslagjaren 2011 tot en met 2014. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd. Tijdens het beroep heeft de Dienst Toeslagen erkend dat eiseres recht heeft op een nabetaling van € 2.083,- in plaats van € 10,-. Het beroep is in zoverre gegrond. Eiseres heeft daarnaast recht op een schadevergoeding van € 2.000,- omdat de behandeling van haar zaak te lang heeft geduurd.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 10 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond de Wht afgewezen voor de toeslagjaren 2011, maart tot en met december 2012, 2013 en 2014.
Met het besluit van 2 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen compensatie aan eiseres toegekend op grond van de Wht tot een bedrag van € 26.052,- voor het toeslagjaar 2010 en de maanden januari en februari van 2012.
Met het besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 10 december 2021 ongegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 februari 2022 gegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de in het bestreden besluit genoemde nabetaling van € 10,- moet worden gewijzigd naar € 2.083,-. De Dienst Toeslagen heeft een rekenfout gemaakt bij de verrekening met het forfaitaire bedrag van € 30.000,- dat eiseres eerder had ontvangen. Omdat eiseres al € 10,- heeft ontvangen, krijgt zij nog € 2.073,- van de Dienst Toeslagen. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vernietigen en zelf in de zaak voorzien.
4. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de besluiten van 10 december 2021. Op de zitting heeft eiseres haar overige beroepsgronden ingetrokken en gevraagd verder alleen uitspraak te doen over het verzoek tot schadevergoeding.
5. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Het eerste bezwaarschrift is op 8 maart 2022 door de Dienst Toeslagen ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met twee jaar (24 maanden) overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000,-. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekend gemaakt op 29 mei 2024, afgerond twee jaar en drie maanden (27 maanden) na de ontvangst van het eerste bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor 7/8e (21/24e) deel toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Het restant van de overschrijding wordt toegerekend aan de Staat. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.750,- aan eiseres moet betalen. De Staat moet € 250,- betalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.1, vijfde lid, van de Wht. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin is beslist dat eiseres recht heeft op een nabetaling van € 10,-. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat eiseres heeft recht op een nabetaling van € 2.083,-. Eiseres heeft hiervan al € 10,- ontvangen, zodat de Dienst Toeslagen nog € 2.073,- aan haar moet betalen. Daarnaast heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 2.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast moet de Dienst Toeslagen de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank stelt op grond van het Bpb deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de Dienst Toeslagen als de Staat is toe te rekenen, moeten beiden hiervan de helft betalen.
De slotsom is dat de Dienst Toeslagen in totaal € 2.101,50 (€ 1.868,- + € 233,50) aan proceskostenvergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.