ECLI:NL:RBROT:2026:2245

ECLI:NL:RBROT:2026:2245

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer FT RK 25-1845
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek tot toelaten WSNP toegewezen. Toegelaten voor drie jaar vanwege schulden die te kwader trouw zijn ontstaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: [nummer]

vonnis van: 29 januari 2026

op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats]

Waar deze zaak over gaat

Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

Dit verzoek wordt toegewezen.

Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op

1 juni 2025. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum vast te stellen wordt gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op 29 juni 2025 in plaats van op

1 juni 2025.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1. De procedure

Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 31 december 2025, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 15 januari 2026, van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 20 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- mevrouw [verzoekster] ,

- de heer [persoon A] , schuldhulpverlener van Zuidweg en Partners,

- mevrouw [persoon B] , partner van verzoekster.

De rechtbank heeft na de zitting, op 22 januari 2026, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.

2. De beoordeling

De toelating

Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [bedrijf X] , en vermoedelijk ook schulden aan andere schuldeisers die een natuurlijk persoon zijn, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Mevrouw [verzoekster] is in 2019 een onderneming gestart naast haar IVA-uitkering. Zij was voornamelijk afhankelijk van één zelfstandig ondernemer die zij inhuurde om werkzaamheden te laten uitvoeren. Mevrouw [verzoekster] heeft hier klaarblijkelijk geen goede afspraken mee gemaakt. Al medio 2022 ontstonden er problemen met de zelfstandig ondernemer. Desondanks is mevrouw [verzoekster] nieuwe opdrachten aangegaan en nieuwe projecten gestart die zij door de zelfstandig ondernemer liet uitvoeren. Deze opdrachten zijn niet dan wel niet deugdelijk en onvolledig uitgevoerd waardoor veel schuldeisers in een verbouwing zijn blijven zitten. Deze schuldeisers hebben veel extra kosten moeten maken om de schade te kunnen herstellen en de woning goed bewoonbaar te kunnen maken. Dit heeft hen veel leed en schade toegebracht. Bovendien heeft mevrouw [verzoekster] een schuldeiser, te weten [persoon D] , een grote aanbetaling van circa € 22.000,-- laten doen in het voorjaar van 2023 terwijl er op dat moment al veel problemen waren. De aanbetaling zou voor bouwmaterialen zijn. Er zijn vervolgens geen werkzaamheden uitgevoerd bij deze schuldeiser en niet is gebleken dat er wel bouwmaterialen zijn aangeschaft. Bij schuldeiser [bedrijf X] speelt eenzelfde kwestie. Mevrouw [verzoekster] heeft het ene gat geprobeerd te vullen met het andere gat.

Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. De rechtbank kijkt namelijk naar de schulden die zijn ontstaan binnen de

drie-jaarstermijn. In dit geval loopt de drie-jaarstermijn van 9 oktober 2022 tot

9 oktober 2025 (de datum van indiening van het Wsnp-verzoek).

In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Mevrouw [verzoekster] heeft zich in januari 2024 gemeld bij Zuidweg en Partners voor schuldhulpverlening. Op advies van Zuidweg en Partners heeft mevrouw [verzoekster] de onderneming met ingang van 5 februari 2024 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Dat is inmiddels al twee jaar geleden. Sindsdien zijn er geen nieuwe schulden ontstaan (ter zitting is gebleken dat al deze schulden ondernemingsgerelateerd zijn). Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de aanname dat mevrouw [verzoekster] zelf financieel heeft geprofiteerd van haar handelswijze. Daarnaast heeft mevrouw [verzoekster] spijt betuigd en heeft haar gezin zelf ook geleden onder de consequenties. Als mevrouw [verzoekster] niet wordt toegelaten tot de Wsnp zal haar schuldenproblematiek blijven voortduren en zullen de schuldeisers ongecontroleerde verhaalacties voorzetten. Dit betekent dat er geen vooruitzicht is op een schuldenvrije toekomst voor mevrouw [verzoekster] en haar gezin.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om de hardheidsclausule toepassen. Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toch toegelaten tot de Wsnp.

Duur

De rechtbank ziet in het bovenstaande voorts aanleiding de termijn van de Wsnp-regeling te stellen op drie jaar. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het bepalen van een langere duur van de regeling recht gedaan aan alle betrokken belangen, en daarbij wordt er rekening gehouden met het ontstaan en de aard en omvang van de schuldenlast. Mevrouw [verzoekster] heeft een afloscapaciteit van circa

€ 1.200,-- per maand. De afloscapaciteit wordt dan over een periode van drie jaar ingezet ten behoeve van de schuldeisers, die gelijkelijk en conform hun rang zullen worden behandeld. Ook is er toezicht van een Wsnp-bewindvoerder die de nakoming van de verplichtingen en eventuele vermogensbestanddelen in kaart kan brengen.

De ingangsdatum

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

De rechtbank kan de vraag of mevrouw [verzoekster] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat er zeven maanden is gespaard conform het vtlb. Echter kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er conform een correct opgesteld vtlb is gespaard vanwege het ontbreken van de onderliggende stukken van het vtlb.

Omdat de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk acht dat door mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum van zeven maanden te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.

De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw) of in het eindverslag (artikel 352 Fw) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of mevrouw [verzoekster] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.

De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 29 juni 2025, zijnde de datum die resulteert na aftrek van de zeven maanden waarin mevrouw [verzoekster] heeft voldaan aan de afdrachtverplichting.

Bevoegdheid

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.

3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .

Als mevrouw [verzoekster] . zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] . kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] [postcode] [woonplaats] ;

aldaar voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger

en tot bewindvoerder mr. J. van Rijen,

gevestigd te Postbus 1467,

3800 BL Amersfoort;

- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 29 juni 2025 en de duur op drie jaar, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op

29 juni 2028;

- draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G.E. Prenger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?