Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 29 januari 2026
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats]
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op
1 juni 2025. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum vast te stellen wordt gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op 29 juni 2025 in plaats van op
1 juni 2025.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 31 december 2025, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 15 januari 2026, van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 20 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- de heer [persoon A] , schuldhulpverlener van Zuidweg en Partners,
- mevrouw [persoon B] , partner van verzoekster.
De rechtbank heeft na de zitting, op 22 januari 2026, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.
2. De beoordeling
De toelating
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [bedrijf X] , en vermoedelijk ook schulden aan andere schuldeisers die een natuurlijk persoon zijn, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. De partner van mevrouw [verzoekster] heeft een eigen onderneming gehad waar deze schulden uit voortvloeien. De partner van mevrouw [verzoekster] huurde een zelfstandig ondernemer in die de opdrachten voor haar uitvoerde. Al medio 2022 ontstonden er problemen met de zelfstandig ondernemer. Desondanks is de partner van mevrouw [verzoekster] nieuwe opdrachten aangegaan en nieuwe projecten gestart die zij door de zelfstandig ondernemer liet uitvoeren. Deze opdrachten zijn niet dan wel niet deugdelijk en volledig naar behoren uitgevoerd waardoor veel schuldeisers in een verbouwing zijn blijven zitten. Deze schuldeisers hebben veel extra kosten moeten maken om de schade te kunnen herstellen en de woning goed bewoonbaar te kunnen maken. Dit heeft hen veel leed en schade toegebracht.
Aangezien mevrouw [verzoekster] is gehuwd in gemeenschap van goederen is zij hoofdelijk verbonden voor deze schulden. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken dat mevrouw [verzoekster] ten aanzien van deze schulden ook een verwijt kan worden gemaakt dan wel dat zij heeft geprofiteerd van de gang van zaken. Deze schulden staan daarom niet in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek van mevrouw [verzoekster] . Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
Gelet op hetgeen is overwogen in paragraaf 2.3. ziet de rechtbank (in tegenstelling tot de regeling van de partner van mevrouw [verzoekster] ) geen aanleiding om de regeling van mevrouw [verzoekster] uit te spreken voor een langere duur. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) daarom op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan de vraag of mevrouw [verzoekster] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat er zeven maanden is gespaard conform het vtlb. Echter kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er conform een correct opgesteld vtlb is gespaard vanwege het ontbreken van de onderliggende stukken van het vtlb.
Omdat de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk acht dat door mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van
20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw) of in het eindverslag (artikel 352 Fw) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of mevrouw [verzoekster] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.
De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 29 juni 2025, zijnde de datum die resulteert na aftrek van de zeven maanden waarin mevrouw [verzoekster] heeft voldaan aan de afdrachtverplichting.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1973 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger
en tot bewindvoerder mr. J. van Rijen,
gevestigd te Postbus 1467,
3800 BL Amersfoort;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 29 juni 2025 en de duur op achttien maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
29 december 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.