Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 februari 2026
[verzoeker] ,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 13 november 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 3 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
2. De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit Participatiewet-uitkering op basis van kostendelersnorm. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 93.683,50.
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schuld aan RVO niet te goeder trouw
Op de schuldenlijst van verzoeker staat een schuld aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van € 48.035,57. Volgens verzoeker is deze schuld ontstaan omdat hij tijdens de coronapandemie een aanvraag heeft gedaan voor de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten. Hierdoor heeft hij een financiële ondersteuning ontvangen ten behoeve van zijn onderneming. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de aanvraag door een derde voor hem is ingediend. Hij wist niet dat hij geen recht had op de tegemoetkoming. Hier kwam hij pas achter nadat hij een brief had ontvangen waarin stond dat hij de tegemoetkoming moest terugbetalen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de terugvordering in 2024 heeft plaatsgevonden. De ontvangen tegemoetkoming heeft verzoeker niet behouden of terugbetaald maar in plaats daarvan heeft hij een deel van het ontvangen geldbedrag aan anderen gegeven. Het is niet duidelijk wat verzoeker met het resterende bedrag heeft gedaan. Doordat verzoeker de tegemoetkoming niet kon terugbetalen is zijn auto in beslag genomen.
Verzoeker heeft ter zitting de indruk dat de vordering aan RVO een fraudevordering betreft niet kunnen wegnemen. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen of verzoeker te goeder trouw is geweest bij het laten ontstaan en onbetaald blijven van de schuld aan RVO. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Nakoming verplichtingen
Naast de goede trouw moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Gebleken is dat verzoeker het minnelijk traject niet heeft doorlopen en dat er geen aanbod is gedaan aan de schuldeisers omdat de schuldenlast onduidelijk was. Daarnaast geeft schuldhulpverlening in de verklaring 285 lid 1 Fw aangegeven twijfels te hebben over de verwijtbaarheid in het laten ontstaan van de schulden. Verzoeker heeft zich weliswaar onder beschermingsbewind gesteld waardoor de afdrachtverplichting voldoende gewaarborgd is, maar het naar behoren nakomen van de overige verplichtingen is nog niet voldoende aannemelijk gemaakt. Hierdoor is het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker zich tijdens de schuldsaneringsregeling zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.