ECLI:NL:RBROT:2026:2249

ECLI:NL:RBROT:2026:2249

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer FT RK 25-2061
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

WSNP-verzoek toegewezen. Verzoek eerdere ingangsdatum is afgewezen. De rechtbank kan niet overgaan tot saldering omdat zij niet kan vaststellen wat de daadwerkelijke afdrachtplicht is geweest wegens het ontbreken van de onderliggende stukken van de vtlb-berekeningen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: [nummer]

vonnis van: 11 februari 2026

op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] .

Waar deze zaak over gaat

Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

Dit verzoek wordt toegewezen.

Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op

3 juni 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1. De procedure

Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- mevrouw [verzoekster] ,

- mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener van Geldplein,

- mevrouw J. Cock en mevrouw L. Kreek, beschermingsbewindvoerders,

- mevrouw [persoon B] , collega van verzoekster.

Schuldhulpverlening heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.

2. De beoordeling

De toelating

Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

Mevrouw [verzoekster] heeft schulden laten ontstaan die naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gelaten, en staan in beginsel aan toelating in de weg. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder gekeken naar de schuld aan de Belastingdienst. Uit het overzicht van de Belastingdienst van

6 juni 2025 blijkt dat de openstaande schuld € 30.901,00 bedraagt. De schuld aan de Belastingdienst heeft onder andere betrekking op inkomstenbelasting over het jaar 2024, omzetbelasting uit de jaren 2022, 2023 en 2024 en zorgverzekeringswet uit het jaar 2025.

In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Mevrouw [verzoekster] heeft haar onderneming op 30 september 2024 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat mevrouw [verzoekster] sinds 9 december 2024 onder beschermingsbewind. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat mevrouw [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.

Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.

Duur

De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden. De rechtbank merkt hierbij op dat is gebleken dat mevrouw [verzoekster] op 1 september 2025 is gestart met een opleiding. De rechtbank zal, ook omdat er onvoldoende duidelijkheid over het aantal uur dat mevrouw [verzoekster] wekelijks aan haar opleiding besteedt en over de mate van onregelmatigheid in haar werkzaamheden, de beslissing over een eventuele verlenging van de looptijd overlaten aan de te benoemen rechter-commissaris. De bewindvoerder zal immers de feitelijke omvang van de opleiding en de arbeidsomvang van mevrouw [verzoekster] onderzoeken en vervolgens de rechter-commissaris hierover berichten, waarna een beslissing kan worden genomen ten aanzien van een eventuele verlenging van de looptijd van de regeling.

De ingangsdatum

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

Schuldhulpverlening heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd ten behoeve van de beoordeling van de eerdere ingangsdatum. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat mevrouw [verzoekster] vanaf juni 2025 in totaal € 359,16 heeft gespaard voor haar (gezamenlijke) schuldeisers terwijl zij € 2.935,76 had moeten sparen voor haar (gezamenlijke) schuldeisers. Bovendien zijn de stukken onvoldoende om vast te kunnen stellen dat schuldhulpverlening het vtlb correct heeft vastgesteld. Bij de vtlb-berekening van januari 2025 ontbrekende de onderliggende stukken van de berekening. De vtlb-berekening van juli 2025 is naar oordeel van de rechtbank niet juist opgesteld. Mevrouw [verzoekster] ontving tot en met augustus 2025 een

PW-uitkering. De overgelegde berekening ziet op de periode vanaf september 2025, het moment dat mevrouw [verzoekster] een betaalde dienstbetrekking is gestart. Een vtlb-berekening over de maanden juli en augustus 2025 is niet overgelegd. Daarnaast ontbreken ook bij de berekening van juli 2025 de onderliggende stukken, behoudens een salarisspecificatie over september 2025.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat mevrouw [verzoekster] sinds 1 september 2025 een leerarbeidsovereenkomst is aangegaan voor 27 uur per week. Daarmee is niet voldaan aan de verplichting om fulltime (36 uur per week) betaalde arbeid te verrichten. Er is ook geen ontheffing van de sollicitatieplicht overgelegd voor de periode voorafgaand van 1 september 2025 en er zijn ook geen sollicitatiebewijzen overgelegd waaruit blijkt dat mevrouw [verzoekster] op zoek is gegaan naar een (aanvullende) betaalde dienstbetrekking.

De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. De rechtbank heeft beoordeeld of saldering van het te kort aan gewerkte uren en het te weinig afgedragen bedrag voor de (gezamenlijke) schuldeisers mogelijk is. Naar oordeel van de rechtbank kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat de daadwerkelijke afdrachtplicht is geweest gedurende het minnelijk traject wegens het ontbreken van de onderliggende stukken van de vtlb-berekeningen. Deze stukken zijn wel opgevraagd, maar niet door de rechtbank ontvangen. De rechtbank kan derhalve niet toekomen aan eventuele saldering.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .

Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] -1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;

aldaar voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema

en tot bewindvoerder A. Noordzij,

gevestigd te Postbus 7441,

3284 ZG Zuid-Beijerland;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Aukema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?