RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5727
(gemachtigde: mr. H. Koning),
en
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiseres wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een serre in de tuin van de woning van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het in stand laten van de oplegging van de last onder dwangsom.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het college heeft eiseres geen andere mogelijkheid geboden om te voldoen aan de last anders dan het verwijderen van de serre. Niet uitgesloten is dat eiseres ook op andere manieren kan voldoen aan de last. Het bestreden besluit wordt op dit onderdeel vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de formulering van de herstelmaatregel te wijzigen. Dit betekent dat de last onder dwangsom gewijzigd in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 1 december 2023 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een serre in de tuin van de woning van eiseres aan de Blauwemeer 20 in Rotterdam (het perceel).
Met het besluit van 8 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om tot een minnelijke oplossing te komen. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Partijen zijn niet tot een minnelijke oplossing gekomen. Met instemming van partijen heeft de rechtbank afgezien van het houden van een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Met het besluit van 1 december 2023 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. De toezichthouder van het college heeft naar aanleiding van een klachtmelding op 26 juni 2022 geconstateerd dat op het perceel in de tuin een serre is gebouwd tegen de aanbouw van de woning van eiseres. Het college heeft met een brief van 8 juli 2022 eiseres gewaarschuwd dat zij de serre heeft (laten) bouwen zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning. Eiseres heeft op 10 november 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd. Met het besluit van 7 februari 2023 heeft het college deze aanvraag geweigerd, omdat er vanuit ruimtelijk oogpunt bezwaren tegen de serre bestaan. De weigering van de aanvraag om omgevingsvergunning is met het besluit van 29 juni 2023 in stand gelaten. Hiertegen heeft eiseres geen beroep ingediend.
Ter plaatse van het perceel is het bestemmingsplan “Zevenkamp en Nesselande” van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Wonen – 17” (artikel 53 van de planregels) en “Tuin – 1” (artikel 27 van de planregels).
Het college heeft aan eiseres ten laste gelegd dat zij zonder omgevingsvergunning een serre (een bouwwerk) heeft gebouwd in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo). Volgens het college valt de serre niet onder de uitzondering van het bouwverbod, zoals bedoeld in artikel 27.2.1 van de planregels. Verder valt de serre volgens het college niet onder artikel 2, aanhef, onderdeel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat eiseres de maximale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken reeds heeft benut. De herstelmaatregel luidt: “Eiseres beëindigt de overtreding door het bouwwerk, de serre, te verwijderen en verwijderd te houden.” Als eiseres niet binnen de gegeven termijn de serre heeft verwijderd verbeurt eiseres een dwangsom van € 2.500,- ineens.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te wijken?
6. Eiseres betoogt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de beginselplicht tot handhaven. Eiseres is bij navraag door de gemeente geïnformeerd dat voor de serre geen omgevingsvergunning was vereist. Verder beroept eiseres onder verwijzing naar de adressen [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] zich op het gelijkheidsbeginsel. Aan de woningen op deze adressen zijn ook bouwwerken tegen de uitbouw gebouwd. Het gedogen van deze bouwwerken zou volgens eiseres aanleiding voor het college moeten vormen om de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres gelet op wat zij daarover naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat zij de serre vergunningsvrij kon plaatsen en dat het college daarop niet zou handhaven (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5431). Voor wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank het standpunt van het college dat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen, reeds omdat er in de door eiseres genoemde gevallen waarbij zonder een omgevingsvergunning een serre is gebouwd, geen meldingen zijn gedaan door belanghebbenden (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2750, onder 9.2).
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Herstelmaatregel
8. Eiseres betoogt dat de herstelmaatregel verder strekt dan noodzakelijk door eiseres geen andere keuze te laten om anderszins een einde te maken aan de overtreding. Zij voert daartoe aan dat zij ook aan de last kan voldoen door de berging en schuur te verwijderen. Zij komt tot die conclusie op basis van haar eigen berekening van de oppervlakte van de in het achtererfgebied aanwezige bebouwing. Het college heeft met het bestreden besluit een onjuiste maatvoering gehanteerd. Voor zover het oppervlakte wordt overschreden is dit volgens eiseres dermate gering dat handhaving niet evenredig zou zijn.
Het college heeft na het beroep opnieuw door een bouwinspecteur het oppervlakte van het achtererfgebied en de bebouwing opgemeten. Volgens deze metingen stelt het college dat het achtererfgebied 68,115 m2 bedraagt. De uitbouw direct aan de woning is 16,25 m2. De serre tegen de uitbouw is 17,322 m2. De vaste stenen schuur is 8,215 m2 en de berging is 5,486 m2. Daarmee is het totale oppervlakte van de bebouwing in het achtererfgebied 47,273 m2. Dit is meer dan (50% van 68,115 m2) 34,057 m2. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet kan voldoen aan de last door het verwijderen van de stenen schuur en de berging, omdat in artikel 27.2.3 van de planregels nadere eisen gelden waaraan de serre moet voldoen. Zo voldoet de serre niet aan artikel 27.2.3, onder b, van de planregels, omdat de serre 3,55 meter diep is, tegen een bestaande aanbouw van 3 meter diep en artikel 27.2.3, onder g, van de planregels omdat er minder dan 1 meter afstand tot de erfgrens over is.
Artikel 5:32a van de Awb luidt:
1. Een last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraken van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2795 en 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:169) vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraken van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2303 en van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247) kan de rechtvaardiging voor het opleggen van een last onder dwangsom uitsluitend gelegen zijn in het feit dat sprake is van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Dit betekent dat de last onder dwangsom uitsluitend kan zijn gericht op de beëindiging van die overtreding. Daarbij dient de overtreder een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken.
Op de zitting is besproken in hoeverre eiseres ook aan de last kan voldoen door de berging en schuur te verwijderen, zodat wordt voldaan aan artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor.
Op grond van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor is geen omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo vereist, indien het gaat om een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde eisen. Daarbij is niet van belang dat, zoals het college stelt, niet wordt voldaan aan de in artikel 27.2.3 van de planregels genoemde eisen, omdat de in artikel 2, van bijlage II van het Bor genoemde gevallen ook zien op de activiteit voor zover er wordt afgeweken van het bestemmingplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).
Niet in geschil is dat met de bestaande bebouwing de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte in het bebouwingsgebied wordt overschreden. Verder is niet in geschil dat de maatvoering die in het bestreden besluit is gehanteerd onjuist is.
Met de nieuwe maatvoering zoals onder 8.1 is beschreven vallen de uitbouw en de serre met een totaal oppervlakte van (16,25 m2 + 17,322 m2) 33,572 m2 onder het toegestane bebouwingsgebied van 34,057 m2 (artikel 2, onderdeel 3, onder f en onder 1o, van bijlage II van het Bor). Gelet op voorgaande staat niet vast dat eiseres met het verwijderen van de stenen schuur en de berging niet kan voldoen aan de last, zodat er dus nog een mogelijkheid is om op een andere manier (dan verwijderen van de serre) te voldoen aan de opgelegde last. De last onder dwangsom laat eiseres echter uitdrukkelijk geen andere mogelijkheid om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo te beëindigen door enkel op te nemen dat eiseres de overtreding beëindigt door de serre te verwijderen en verwijderd te houden. Dit is in strijd met artikel 5:32a van de Awb.
Eiseres heeft aanvankelijk aangegeven bereid te zijn de berging en de vaste stenen schuur te willen verwijderen. In het kader van het bereiken van een minnelijke oplossing met het college was zij echter niet meer bereid de stenen schuur op te offeren. Zij betoogt dat handhaving in dat geval onevenredig is, omdat er sprake is van een geringe overschrijding van het totale oppervlakte van het toegestane bebouwingsgebied. Eiseres voert verder aan dat de schuur onlosmakelijk samenhangt met de woning en zij recht heeft op een comfortabele woning. Verder is het verwijderen van de schuur in strijd met het bestemmingsplan, omdat daarmee de gebruikswaarde van de woning en het beeldbepalende karakter wordt aangetast.
Voorop staat dat eiseres ten laste is gelegd dat zij een einde dient te maken aan de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. Met het verwijderen van de berging heeft eiseres niet aan de last voldaan, omdat daarmee het oppervlakte van het bebouwingsgebied met 5,001 m2 wordt overschreden (16,25 m2 + 17,322 m2 + 5,486 = 39,058 m2 – 34,057 m2). Gelet op het totale toegestane bebouwingsgebied (artikel 27.2.3, onder k, van de planregels) gaat het hier anders dan eiseres stelt niet om een geringe overschrijding. Indien eiseres de schuur niet wil verwijderen kan zij ook aan de last voldoen door de serre te verwijderen. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aanvoert dan ook geen aanleiding om te oordelen dat handhaving van de last onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het college de herstelmaatregel niet heeft gewijzigd en herroept het primaire besluit door de herstelmaatregel “Eiseres beëindigt de overtreding door het bouwwerk, de serre, te verwijderen en verwijderd te houden” met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te vervangen door: “Eiseres kan voldoen aan de last door de serre te verwijderen, dan wel op andere wijze er voor te zorgen dat voldaan wordt aan de regels ten aanzien van het maximaal toegestaan bebouwd gebied.”
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank ziet, anders dan door het college, geen aanleiding de verleende rechtsbijstand niet als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan te merken.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32a
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […],
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…],
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
[…].
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.3. Bouwen en planologische gebruiksactiviteiten
Bijlage II
Artikel 2
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
[…];
3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
1°. 5 m,
2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en
3°. het hoofdgebouw,
voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:
maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
[…],
[…],
de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,
[…],
[…];
[…].
Bestemmingsplan Zevenkamp en Nesselande
Artikel 27 Tuin - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
tuin;
aan- en bijgebouwen;
uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming;
'Waarde - Archeologie - 2' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.
Bouwregels
Algemeen
Op de voor 'Tuin - 1' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens:
in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals pergola's, erfafscheidingen, keermuren, gebouwde terrassen, hellingbanen, (brand)trappen, tuinmeubilair, speeltoestellen, vijvers;
aanbouwen uitsluitend op het achter/zijerfgebied.
Bebouwingsnormen
een aanbouw aan de achtergevel in één bouwlaag, met een diepte van 2,5 meter is toegestaan, mits een achtertuin met een diepte van ten minste 5 meter resteert;
een aanbouw aan de achtergevel in één bouwlaag, met een diepte van 3 meter is toegestaan, mits een achtertuin met een diepte van ten minste 9 meter resteert;
[…];
[…];
de goothoogte van een aanbouw mag niet hoger zijn dan 0,3 meter boven het vloerniveau van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
aanbouwen dienen een afstand van tenminste 1 meter tot de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw aan te houden;
aanbouwen dienen een afstand van tenminste 1 meter tot de erfgrens aan te houden aan de zijde waar de kavel grenst aan het openbaar toegankelijke gebied;
[…];
[…];
[…];
maximaal 50% van de totale oppervlakte van de oorspronkelijke zij- en achtertuin mag door aan- en/of bijgebouwen worden ingenomen;
de bijgebouwen tezamen mogen niet meer dan 30m2 bedragen, de maximum oppervlakte van een bijgebouw bedraagt 30m2 […];
een bijgebouw mag niet hoger zijn dan 3 meter […];
[…];
[…].