RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3858
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. De hersteloperatie is niet bedoeld voor mensen met een jaarinkomen van € 180.000,- die zijn vergeten om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 1 augustus 2022 (UHT-DC-I A) en 3 augustus 2022 (UHT-DH A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 1 augustus 2022 en 3 augustus 2022 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet ter zitting verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Eiser heeft in juni 2020 kinderopvangtoeslag gevraagd over de periode vanaf1 december 2017. Eiser had als expat in Engeland gewerkt en met zijn gezin gewoond en was in 2017 terug naar Nederland gekomen. Zijn belastingen werden via zijn werkgever gedaan door accountantskantoor Ernst & Young. Hij had zich door alles wat er geregeld moest worden als gevolg van de verhuizing, niet gerealiseerd dat hij kinderopvangtoeslag had moeten aanvragen. Met een besluit van 3 september 2020 is de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 april 2020 toegekend. Met een besluit van 27 oktober 2020 is het verzoek van eiser tot herziening over de periode van 1 december 2017 tot 1 april 2020 afgewezen. Het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2020 is met een besluit van 1 december 2020 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
Eiser heeft op 18 januari 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Aan de besluiten van 1 augustus 2022 en 3 augustus 2022 is ten grondslag gelegd dat er geen besluiten over de kinderopvangtoeslag zijn genomen voor 23 oktober 2019 zodat de herstelregelingen niet kunnen worden toegepast. Ook aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule is niet voldaan. Verder is er ook geen sprake geweest van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 49, derde lid, letter b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Aan het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat voor de periode van 1 december 2017 tot 1 april 2020 geen kinderopvangtoeslag is toegekend omdat op grond van artikel 1.3 tweede lid, sub b van de Wet kinderopvang kinderopvangtoeslag alleen kon worden toegekend voor de maand waarin de toeslag was aangevraagd en voor de drie maanden daaraan voorafgaande. Voor de jaren 2017 tot en met 23 oktober 2019 zijn er verder geen handelingen verricht als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht, zodat eiser niet als gedupeerde in de zin van de herstelregelingen kan worden aangemerkt en daarom niet voor compensatie op grond van deze regeling in aanmerking kan komen. Er is ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van hardheid of vooringenomen handelen. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiser betoogt dat hij in aanmerking komt voor een herstelmaatregel en beroept zich op de hardheidsclausule. Er zou in 2020 te hard zijn opgetreden door de Dienst Toeslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019. Eiser acht het onredelijk en onbillijk dat hij geen aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag terwijl er overduidelijk daarop recht bestaat. Eiser was alleen door omstandigheden vergeten om de kinderopvangtoeslag aan te vragen. Hij had gedacht dat Ernst & Young dit ook voor hem zou regelen. Zijn dochter had zeer veel moeite te aarden op school en zijn vrouw was op zoek naar werk. Eiser heeft dit ook zelf als een moeilijke tijd ervaren. De menselijke maat is zoek, aldus eiser.
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de toepassing van de Awir, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. Voor compensatie wegens hardheid van het wettelijke systeem moet in het betreffende toeslagjaar sprake zijn van een verlaging of terugvordering van kinderopvangtoeslag van ten minste € 1.500,-.
De rechtbank stelt vast dat er ten aanzien van eiser voor 23 oktober 2019 geen uitvoering is gegeven aan de kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen. Reeds om die reden komt eiser niet in aanmerking voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Het betoog van eiser dat die bepaling zo zou moeten worden uitgelegd dat een besluit van na 23 oktober 2019 ook onder de reikwijdte ervan zou vallen, als dat besluit betrekking heeft op een toeslagjaar van voor die datum, slaagt niet, gelet op de duidelijke tekst van de bepaling.
Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen gemeld dat eiser een toetsingsinkomen van € 180.000,- had en tweemaal een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- heeft ontvangen omdat er te laat is beslist. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eerder op verzoek van eiser ook een dwangsom van € 15.000,- is opgelegd aan de Dienst Toeslagen wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Het bedrag dat eiser aan kinderopvangtoeslag zou zijn misgelopen, bedraagt volgens de Dienst Toeslagen ongeveer € 5.000,-. Eiser is niet ter zitting verschenen en heeft zijn betoog dat het onredelijk en onbillijk is dat aan hem geen compensatie is toegekend niet nader toegelicht.
5. Eiser is evident geen gedupeerde als bedoeld in de Wht. De hersteloperatie is niet bedoeld voor mensen met een jaarinkomen van € 180.000,- die zijn vergeten om kinderopvangtoeslag aan te vragen. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiser dus terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.