ECLI:NL:RBROT:2026:2272

ECLI:NL:RBROT:2026:2272

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer C/10/656761 / FA RK 23-3083
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beide ouders verzoeken de vrouw alleen met het gezag over de minderjarigen te belasten. Rechtbank sluit aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 en wijst de verzoeken toe. Rechtbank stelt definitieve kinderbijdrage vast. Vrouw inmiddels getrouwd en man nieuwe kinderen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/656761 / FA RK 23-3083

Beschikking van 19 februari 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. G. Bloem te Bergschenhoek,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. L.H.E.M. Berendse te Rotterdam,

over de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] ;

[minderjarige 3] ; geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats 2] .

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van 10 juli 2024;

de berichten met bijlagen van de man van 15 juni 2025, 8 september 2025, 11 januari 2026, 12 januari 2026 en 20 januari 2026;

de berichten met bijlagen van de vrouw van 22 juli 2025, 4 september 2025 en 9 januari 2026.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door mr. V de Roo (waarnemer voor mr. L.H.E.M. Berendse).

De raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2. De verdere vaststaande feiten

Uit de relatie van de man en zijn huidige partner, genaamd [naam 1] , zijn geboren de minderjarigen:

[minderjarige 4] , op [geboortedatum 4] 2024;

[minderjarige 5] , op [geboortedatum 5] 2025.

De vrouw is op 25 februari 2025 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam 2] .

3. De verdere beoordeling

Bij beschikking van 24 januari 2024 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld en een raadsonderzoek gelast naar de definitieve zorgregeling. In afwachting van de definitieve zorgregeling is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 mei 2023 een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) zal voldoen van € 241,- per maand, oftewel € 80,- per kind per maand. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage.

Bij beschikking van 10 juni 2024 zijn partijen doorverwezen naar de hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling. De voorlopige kinderbijdrage is niet gewijzigd. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak nogmaals aangehouden ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.

Ingetrokken verzoeken

Bij bericht van 15 juni 2025 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw eveneens haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken. De rechtbank zal de verzoeken over en weer dan ook afwijzen.

Gezag

De man heeft op 15 juni 2025 verzocht te bepalen dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast.

De vrouw heeft op 22 juli 2025 eveneens verzocht te bepalen dat zij alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

De man stelt dat ouderschapsbemiddeling niet van de grond komt en dat communicatie tussen partijen onmogelijk is. Hij heeft besloten, mede voor zijn eigen geestelijke gezondheid en voor de toekomst van zijn nieuwe gezin, door te gaan met zijn leven en zich te focussen op zijn nieuwe gezin. De vrouw betwist niet dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.

Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen is aangetekend in respectievelijk 2018, 2020 en 2021. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag. Partijen zijn eind 2022 uit elkaar gegaan. Tussen partijen speelt, kort gezegd, of er sprake is van seksueel misbruik door de man van een andere dochter van de vrouw. Dit heeft de relatie tussen partijen ernstig verstoord. Ondanks alle ingezette hulpverlening is de relatie niet meer genormaliseerd. Daarin ziet de rechtbank een wijziging van omstandigheden. Net als in het feit dat er sinds juni 2023 geen uitvoering meer is gegeven aan de voorlopige zorgregeling.

Beide partijen verzoeken de vrouw alleen met het gezag te belasten. Dit is evenwel niet iets dat partijen kunnen afspreken. Het is aan de rechter om daarover te beslissen. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (HR:2020:533). In die uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter nog beoordelingsruimte toekomt, ook als voldaan is aan het klemcriterium. ‘…. volgt dat de rechter, ook indien is voldaan aan het klemcriterium, ruimte heeft om het gezamenlijk gezag toch in stand te laten. Deze uitleg strookt met het uitgangspunt dat bij beslissingen als hier aan de orde, zoveel mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. In een geval als dit, waarin de met het gezag belaste ouder de andere ouder op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van het kind, is het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten die de rechter moet kunnen benutten om het recht op family life tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. Hoewel gezamenlijk gezag het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag ertoe dat de andere ouder geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. De rechter moet dan de ruimte hebben om, uitgaande van de situatie ten tijde van zijn beslissing, in te schatten welke van de twee kwaden het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden.’

De rechtbank zal bepalen dat het eenhoofdig gezag voortaan aan de vrouw zal toekomen. Beide partijen bevestigen dat er geen communicatie tussen hen is. Hoewel de man de vrouw heeft geblokkeerd, waardoor zij hem niet telefonisch kan bereiken, heeft de vrouw wel een e-mailadres van de man waarop hij wel te bereiken is. De rechtbank ziet niet in hoe partijen nog zeker tien jaar gezamenlijk beslissingen moet nemen over de minderjarigen als zij niet met elkaar communiceren en daar gedurende deze procedure geen verbetering in is gekomen. De rechtbank acht het risico dat de minderjarigen klem en verloren komen te zitten tussen hun ouders onder deze omstandigheden groot.

De rechtbank komt tot de conclusie dat bij de afweging tussen de twee kwaden het toewijzen van het eenhoofdig gezag vermoedelijk het minst schadelijk voor de minderjarigen zal zijn. Hoewel er in de nabije toekomst geen contact tussen de man en de minderjarigen en partijen onderling zal zijn, wordt met het beëindigen van het gezamenlijk gezag niet het laatste lijntje doorgeknipt. Tijdens de mondelinge behandeling is door beide partijen bevestigd dat de minderjarigen regelmatig contact hebben met de moeder van de man. De man heeft zelf ook regelmatig contact met zijn moeder. De rechtbank schat in dat de man op deze manier niet helemaal uit het leven van de minderjarigen verdwijnt maar, indirect en op afstand, betrokken kan blijven. De rechtbank heeft ook meegewogen dat de man zelf verzoekt dat hij niet langer met het gezag belast blijft, dat hij de vrijheid wil geven voor het nemen van beslissingen en dat hij heeft uitgesproken te hopen dat de vrouw en haar nieuwe echtgenoot zullen handelen in het belang van de minderjarigen. De rechtbank is van oordeel dat het in stand houden van het gezamenlijk gezag voor de minderjarigen, onder deze omstandigheden, alleen maar stress zal opleveren.

Onderhoudsbijdrage

De man verzoekt een kinderbijdrage van € 30,- per kind per maand vast te stellen, door de man aan de vrouw te voldoen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt – na wijziging- een door de man te betalen kinderbijdrage van € 273,- per maand vast te stellen. De vrouw verwijst in haar stuk van 22 juli 2025 naar de bijdrage zoals de rechtbank die op 24 januari 2024 heeft vastgesteld te weten € 241,- per maand, afgerond € 80,- per kind per maand. De vrouw komt op een iets hogere bijdrage uit omdat zij meent dat de zorgkorting op 0% bepaald dient te worden.

De rechtbank begrijpt het gewijzigde verzoek dus zo dat zij verzoekt om een maandelijkse bijdrage van € 273,-, oftewel € 91,- per kind per maand.

Gewijzigde omstandigheden

Tussen partijen is niet geschil dat er, ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 24 januari 2024, sprake is van gewijzigde omstandigheden. Tussen de man en de minderjarigen is geen contact, de vrouw is opnieuw getrouwd en de man heeft twee kinderen uit een nieuwe relatie. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat er reden is voor een herberekening.

De ingangsdatum

Omdat de man expliciet heeft aangegeven dat hij geen geld terug wil ontvangen van de vrouw, zal de kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.

De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

In het jaar 2024 is het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: de behoefte van de minderjarigen) vastgesteld op € 642,- per maand. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank uit zal gaan van dit bedrag, geïndexeerd naar nu. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 715,- per maand.

De behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5]

De man gaat er in zijn alimentatieberekeningen vanuit dat de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 622,- per kind per maand bedraagt. De vrouw voert daartegen geen verweer, zodat de behoefte op laatstgenoemd bedrag zal worden vastgesteld.

Draagkracht van de onderhoudsplichtigen

Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht. De partner van de man zal daarbij buiten beschouwing worden gelaten, omdat partijen het erover eens zijn dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de kinderen van de man zal worden gedeeld, als er sprake is van een tekort en zijn partner niet onderhoudsplichtig is voor de kinderen van partijen samen.

Ter bepaling van de verhouding moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2026-1.

Inkomen van de man

De vrouw stelt dat voor de draagkracht van de man moet worden gerekend met een winst van € 29.415,-, omdat hij geen gegevens van 2025 heeft overgelegd. De winst was meestal € 28.000,- of € 29.000,-. Namens de man is toegelicht dat de man nog niet beschikt over de aangifte inkomstenbelasting 2025. De man is tot een winst van € 28.770,- gekomen door het gemiddelde te nemen van de jaren 2022, 2023 en 2024. De rechtbank is van mening dat de man bij gebrek aan de aangifte inkomstenbelasting 2025 ten minste van de eerste drie kwartalen van 2025 inzage in de omzet en kosten had kunnen geven en daarmee een te verwachten winst over 2025. Dat heeft de man nagelaten. Hij heeft enkel gesteld dat de winst over 2025 ongeveer hetzelfde zal zijn als over 2024, te weten

€ 28.980,-. De rechtbank constateert dat partijen feitelijk maar € 645,- bruto per jaar uit elkaar zitten. Omdat het inkomen van een ondernemer wisselt, zal de rechtbank voor de winst het gemiddelde nemen van de winstbedragen die de man en de vrouw stellen.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 dan ook aan de hand van een winst van € 29.093,- op € 3.041,- per maand.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 1.200,-.

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 3.542,-.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.181,-.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 715,- per maand, waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 535,- per maand.

Inkomen van de vrouw

De man stelt dat uitgegaan dient te worden van het ‘jaarloon BT’ zoals op de salarisspecificatie van de vrouw van december 2025 staat. Namens de vrouw is gesteld dat uitgegaan dient te worden van het maandloon zoals vermeld op de salarisspecificatie. De rechtbank zal het NBI vaststellen op basis van het maandloon zoals vermeld op de salarisspecificaties, omdat dit afwijkt van het ‘jaarloon BT’ en de meest actuele cijfers betreft. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 4.303,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 3.481,- per maand

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- eindejaarsuitkering € 289,96 per maand

- premie OP € 343,34 per maand

- premie AP € 4,21 per maand

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 1.279,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.153,- per maand.

Inkomen van [naam 2]

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 2] over het jaar 2026 op

€ 3.060,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 3.150,- per maand

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- WGA gat uitgebreid € 3,97 per maand

- inh. Pensioen Boels € 68,96 per maand

De rechtbank neemt de bruto reiskosten van € 59,92 per maand niet mee in de berekening, omdat zij ervan uitgaat dat de man daadwerkelijk reiskosten maakt en het ontvangen bedrag hieraan besteedt.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

De draagkracht [naam 2] wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 544,- per maand.

Toerekening van de draagkracht in gelijke delen

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw gesteld dat haar eigen draagkracht en die van de man gelijk moet worden verdeeld over de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig zijn. De man stemt hiermee in. Om die reden zal de rechtbank de draagkracht van de onderhoudsplichtigen gelijk verdelen over de kinderen.

De rechtbank zal hierna berekenen hoe de draagkracht van de man toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De toerekening van de draagkracht van de man aan de vijf kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend door zijn draagkracht van € 535,- per maand te delen door vijf. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van de man van € 107,- per kind.

Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de vrouw toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. De toerekening van de draagkracht van de vrouw aan de zeven (minderjarige) kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is, wordt berekend door haar draagkracht van

€ 1.153,- per maand te delen door zeven. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van de vrouw van € 165,- per kind.

De gehele draagkracht van [naam 2] van € 544,- per maand wordt eveneens toegerekend aan de zeven kinderen. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van € 78,- per kind.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van de man en zijn huidige partner op basis van de toegerekende draagkracht lager is dan de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Een overheveling van draagkracht voor deze kinderen naar [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is niet aan de orde.

Voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor deze kinderen beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

het deel van de man bedraagt: € 321 / € 1.050 x € 715 = € 219

het deel van de vrouw bedraagt: € 495 / € 1.050 x € 715 = € 337

het deel van [naam 2] bedraagt: € 234 / € 1.050 x € 715 = € 159

samen € 715

Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een gedeelte van € 219,- per maand voor rekening van de man, een gedeelte van € 337,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van € 159,- per maand voor rekening van [naam 2] .

Zorgkorting

De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer.

De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de minderjarigen. De man heeft om voor hem relevante redenen het verzoek tot omgang met de minderjarigen ingetrokken, terwijl er geen omgang plaatsvindt of in de nabije toekomst zal plaatsvinden. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de toepassing van de zorgkorting achterwege te laten. De man draagt immers geen kosten voor de minderjarigen.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 73,- per kind per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] , en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats 2]

voortaan aan de vrouw toekomt;

bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking, als definitieve bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 73,- per maand per kind;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 19 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.A. Sedoc

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?