Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709321 / FA RK 25-8305
Beschikking van 19 februari 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W. de Deugd te Dordrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 30 oktober 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 19 januari 2026;
het gewijzigd verzoekschrift van de man, ingekomen op 19 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Tot het gezin van de vrouw behoort ook [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] , uit een eerdere relatie.
Bij vonnis in kort geding van 17 november 2025 is de volgende onderling getroffen regeling opgenomen:
de minderjarige verblijft bij de man in de woning van de moeder van de man en in haar bijzijn, op maandag van 14:00 uur tot 16:00 uur; de eerste twintig minuten zal dit contact nog zonder de moeder van de man plaatsvinden,
de minderjarige verblijft bij de man in de woning van de moeder van de man en in haar bijzijn op woensdag en vrijdag van 14:30 uur tot 16:30 uur;
de vrouw brengt de minderjarige naar de man (in de woning van zijn moeder);
de man brengt de minderjarige terug naar de vrouw; hij laat de vrouw via een app-bericht weten als hij vertrekt;
na vier weken wordt deze regeling geëvalueerd.
Partijen zijn op 2 december 2025 onderling overeengekomen dat de minderjarige iedere maandag, woensdag en vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding bij de man verblijft.
3. De beoordeling
Verblijfplaats en zorgregeling
De man verzoekt primair te bepalen dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, op gronden genoemd en er een regeling met de vrouw zal gelden waarbij zij elke dag tussen 08.00 en 17.00 uur de minderjarige kan bezoeken bij de man, en een aantal dagen waarbij zij en de minderjarige samen bij de vrouw zullen zijn, dit in overleg met de vrouw.
Subsidiair verzoekt de man – na wijziging – een uitgebreide en opbouwende zorgregeling vast te stellen.
Daarnaast verzoekt de man een raadsonderzoek te gelasten naar de vragen waar de minderjarige het beste zijn hoofdverblijfplaats kan hebben en welke zorgregeling het meest in het belang van de minderjarige is.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de zorgregeling als volgt vast te stellen:
de minderjarige verblijft op maandag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding bij de man, waarbij de vrouw de minderjarige brengt en haalt;
de minderjarige verblijft op woensdag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding bij de man, waarbij de man de minderjarige haalt en brengt. Eens per twee weken zal de man de minderjarige op de school van [minderjarige 2] ophalen;
de minderjarige verblijft op vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding bij de man, waarbij de vrouw de minderjarige brengt en de man hem terugbrengt.
De man stelt dat er veel onrust is (geweest) in het gezin van de vrouw. De vrouw zou gediagnosticeerd zijn met borderline, haar oudste zoon [minderjarige 2] staat onder toezicht en zij woont onder begeleiding met [minderjarige 2] en de minderjarige. De man is van mening dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem moet worden bepaald, omdat hij zich zorgen maakt over de beperkte draagkracht van de vrouw om voor twee kinderen te zorgen. Ook maakt hij zich er zorgen over dat hij door de vrouw buiten spel wordt gezet. De vrouw is van mening dat de hoofdverblijfplaats bij haar moet zijn, omdat zij de hoofdverzorger is van de minderjarige en hij afhankelijk is van haar vanwege de borstvoeding. Daarnaast is zij in staat om zelfstandig voor de minderjarige te zorgen. Wat de zorgregeling betreft, hebben partijen een voorlopige regeling afgesproken die goed verloopt maar de vrouw blijft zorgen hebben over de opvoedcapaciteiten van de man.
Raadsonderzoek
De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek als volgt. Er is geen wettelijk grondslag waarop een partij een dergelijk verzoek kan baseren. De man zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank ziet zelf geen aanleiding voor het gelasten van een raadsonderzoek. In de eerste plaats beschikt de rechtbank over voldoende informatie om op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats te beslissen. In de tweede plaats hebben partijen een zorgregeling afgesproken die naar behoren verloopt. Verder maakt het feit dat de oudste zoon van de vrouw onder toezicht is gesteld de beslissing niet anders, omdat de ondertoezichtstelling volgens de vrouw ziet op het contact tussen de oudste zoon en zijn vader. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de man hoopt dat zijn verzoek om onderzoek tot resultaat zou hebben dat er een rapport komt waarin waarheden staan. Dat is niet wat een raadsonderzoek inhoudt. Bovendien voorziet de rechtbank dat een dergelijk onderzoek, dat al gauw een aantal maanden tot een jaar in beslag neemt, alleen maar stress zal geven. Stress die op dit moment juist vermeden moet worden en ook niet gerechtvaardigd is.
Verblijfplaats
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
De rechtbank zal het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem althans bij zijn moeder te bepalen afwijzen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen bevestigd dat het goed gaat met de minderjarige en zij geen zorgen hebben over zijn ontwikkeling. De man is op 9 januari 2026 met de minderjarige naar het consultatiebureau geweest, waar zij positief waren over zijn ontwikkelingen. De man heeft toegelicht dat hij meer, in de zin van eigenlijk, zorgen heeft over de draagkracht van de vrouw. De rechtbank overweegt dat er geen signalen of stukken van professionals zijn die onderbouwen dat de vrouw de zorg en opvoeding van de minderjarige niet aankan, zodat de rechtbank daar niet van uitgaat. Als er daadwerkelijk zorgen waren geweest, dan was het logisch geweest dat de jeugdbeschermer van [minderjarige 2] of de begeleider van de vrouw aan de bel had getrokken. Daar is niet van gebleken. De andere zorg van de man ziet op het risico dat hij uit beeld verdwijnt. Ook dat risico ziet de rechtbank niet, omdat partijen recent nog de zorgregeling hebben uitgebreid en de man de minderjarige drie ochtenden per week ziet (en de vrouw dan haar handen vrij heeft). Overigens acht de rechtbank het ook in het belang van de minderjarige dat hij met zijn oudere broer kan opgroeien in één gezin. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet in het belang van de minderjarige is om de hoofdverblijfplaats opeens bij de man te bepalen.
Zorgregeling
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank zal eerst moeten beoordelen of er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds 2 december 2025. Hoewel de man daarover niets heeft gesteld is de rechtbank wel het volgende gebleken. Partijen zijn eerder overeengekomen dat het contact tussen de man en de minderjarige zoveel mogelijk begeleid moest worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat de overeengekomen zorgregeling goed verloopt en dat zij geen verschil ziet in het gedrag van de minderjarige wanneer de contactmomenten wel en niet door de moeder van de man worden begeleid. Daarin ziet de rechtbank, hoe minimaal ook, een gewijzigde omstandigheid zodat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
De rechtbank overweegt dat de minderjarige een baby van zes maanden oud is en dat daarom ook babystapjes moeten worden genomen met het uitbreiden van de zorgregeling. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment geen ruimte is voor een uitbreiding. Die ruimte is er pas als het voor de minderjarige niet uitmaakt bij welke ouder hij verblijft, in die zin dat de minderjarige hetzelfde is of zich hetzelfde gedraagt bij de man en bij de vrouw. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij verschil ervaart wanneer de minderjarige bij de man heeft verbleven en weer bij haar terugkomt. De minderjarige heeft dan buikkrampen en een verstoord ritme. De huidige zorgregeling kan wel worden uitgevoerd zonder begeleiding.
Het voortzetten van de huidige zorgregeling, zonder begeleiding, geeft partijen de gelegenheid om een langere tijd te zien hoe de minderjarige op de zorgregeling reageert en of de regeling nog passend is bij zijn leeftijd en ontwikkeling. Want dat is steeds de vraag die beantwoord moet worden: is het voor de minderjarige fijn en goed om langer of vaker bij zijn vader te zijn? Dat de man dit wil, staat voor de rechtbank vast en is begrijpelijk. Maar als ouder moet je eerst en vooral door de bril van de minderjarige kijken en niet door je eigen bril als volwassene. Het staat partijen vrij om de zorgregeling in onderling overleg verder uit te breiden, bijvoorbeeld met een aantal uur contact in het weekend.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de definitieve beslissing op het verzoek over de zorgregeling aan te houden tot de hierna te bepalen mondelinge behandeling. De rechtbank kan niet nu al een regeling vastleggen tot ergens in 2029 zoals door de man verzocht. De man zal moeten accepteren dat het leven als ouder (en zeker als ouder van een baby) minder planbaar is en dat flexibiliteit noodzakelijk is. De rechtbank meent dat het in het belang van de minderjarige is dat partijen nog een keer terugkomen naar de rechtbank voor het geval het partijen niet is gelukt in onderling overleg tot een uitbreiding te komen. Namens de vrouw is naar voren gebracht dat wordt bekeken of er ook een ondertoezichtstelling moet volgen voor de minderjarige. Als er daadwerkelijk een ondertoezichtstelling volgt, kan eventueel de jeugdbeschermer partijen helpen om de zorgregeling verder uit te breiden.
Als het partijen voor de volgende mondelinge behandeling is gelukt om tot een uitbreiding te komen en de rechtbank niet nodig is, dan dienen partijen de rechtbank daar uiterlijk drie weken van tevoren over te informeren, zodat de zittingsruimte voor andere ouders gebruikt kan worden. Als op dat moment een uitbreiding nog niet heeft plaatsgevonden omdat de minderjarige nog altijd na het contact bij vader ander gedrag laat zien bij de vrouw, dan is het van belang dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet waarbij aanwezigheid van de raad zeer gewenst is.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling de indruk gekregen dat de man van het vooruitplannen is en de vrouw daar juist hulp bij nodig heeft. Dit verschil in karakter doet mogelijk iets in de dynamiek van partijen en dat lijkt meer tegen te werken dan mee te werken, ondanks dat beide partijen het beste voor hebben met de minderjarige. Beide partijen krijgen hulp en ondersteuning van professionals. De vrouw zou achter een ondertoezichtstelling kunnen staan, omdat zij zorgen heeft over de aansluiting van de man bij de minderjarige en het vertrouwen minimaal is. Indien een ondertoezichtstelling volgt, zal ook vanuit de jeugdbescherming ondersteuning worden geboden. Het zou mooi zijn als de professionals rondom deze ouders en deze minderjarige kunnen ondersteunen in wat helpt en wat niet.
De rechtbank is zo vrij om beide partijen alvast een opdracht mee te geven: de man kan bij het maken van keuzes bedenken of die het zwaarder of lichter maken voor de vrouw. De vrouw kan, als de man het probeert lichter te maken voor haar, dat proberen aan te nemen. De rechtbank hoopt zo dat partijen meer op één lijn komen en een manier vinden om in het belang van de minderjarige goed samen te werken.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de man niet ontvankelijk in het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek;
wijst het verzoek van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats af;
wijzigt de overeengekomen zorgregeling van 2 december 2025 in die zin dat de zorgregeling voorlopig wordt vastgesteld als volgt:
- de minderjarige verblijft iedere maandag, woensdag en vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur bij de man;
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 8 juni 2026 te 13.00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, Steegoversloot 36, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk drie weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten wanneer er geen behoefte is aan de voortzetting van de mondelinge behandeling en hun processuele wensen aan te geven;
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. S.L. Raphael, rechter tevens kinderrechter;
bepaalt dat een kopie van deze beschikking zal gelden als oproep voor partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 19 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.